Sam:
We hebben elkaar gisteravond weer de nodige aandacht kunnen geven, ook een beetje als beloning voor onze conditie. Er zijn elke dag wel momenten dat ik ofwel mijn benen, mijn armen of mijn handen voel. Dat zijn heel korte momenten. ’s Avonds heb ik tot nu toe geen problemen gehad. ’s Morgens ook niet en dat maakt me blij.
De afgelopen dagen heb ik behoorlijk wat belangstelling gehad. Tot mijn verbazing kan ik daar redelijk rustig onder blijven. Het scheelt echt dat Niels altijd vlakbij mij staat.
We worden weer op tijd wakker en kruipen nog even tegen elkaar aan. Even is er geen tocht, geen schema en geen publiek. Daarna begint het inmiddels vertrouwde ritueel van douchen, eten, spullen pakken en doen alsof we allebei niet gespannen zijn.
Als we naar Dokkum rijden, is het nog droog. Boven het water hangt een donkere, dreigende lucht. Niels kijkt omhoog en daarna naar mij. Ik zie aan hem dat hij dezelfde gedachte heeft als ik: vandaag wordt dé echte uitdaging. De temperatuur is gelukkig twintig graden. Een beetje regen kunnen we wel hebben, houd ik mezelf voor.
Die regen komt. Het eerste halfuur blijft het droog. Daarna gaat het miezeren. Ik kijk Niels aan.
“Dit is iets nieuws voor ons, een tocht die begint met regen. We hebben nauwelijks regen gehad. Een paar keer, zoals gistermiddag. Nu begint het er mee. Wat ben ik blij dat we vandaag een korte dag hebben!”
“Ja, met regen trainen lukte niet doordat het steeds goed weer was. We kunnen het, Sam, al zal je wat meer last gaan krijgen van kou en spieren. Nu komt het op doorzetten aan.”
“Dat realiseer ik me. We gaan het gewoon doen!”
We peddelen stug door. Het is in totaal ongeveer zevenentwintig kilometer. Het eerste deel hebben we gisteren ook gepeddeld. We doen het nu in omgekeerde richting. Naar Oudkerk, waar de pauzeplek is, doen we er ruim tweeënhalf uur over. Het tempo ligt lager door de regen. Als het even droog wordt en de zon zelfs kort doorbreekt, wisselen we snel van kleding. Zo starten we opnieuw droog. Dat helpt: het eerste uur na de pauze gaat het lichter en sneller. Voorbij het beroemde of beruchte Bartlehiem verandert alles opnieuw. Eerst miezert het, dan begint het te plenzen. De wind draait pal tegen ons in en de regen snijdt in mijn gezicht. Ik voel dat dit niet zomaar de laatste kilometers worden. Dit wordt het stuk waarin de tocht nog één keer wil weten of ik het echt aankan.
Ik krijg het steeds kouder. Mijn benen vallen nog mee, maar mijn armen beginnen moeilijk te doen. Ik kijk Niels aan. Hij ziet het meteen, nog voordat ik iets zeg.
“Het wordt nu lastig, Sam. Ik zie het. Maar je kunt dit. Niet naar de finish kijken, alleen naar de volgende slag. Elke slag brengt ons dichterbij.”
“Ik laat me niet kennen,” zeg ik, al klinkt mijn stem minder zeker dan ik wil. “We zullen het halen.”
Ik peddel door, zij het niet vrolijk.
Het silhouet van de stad komt dichterbij en daarmee ook de finish. Dat geeft me moed. Ik peddel stug door. Ik zie aan Niels dat die het ook niet makkelijk heeft.
Gelukkig, ik meen het: gelukkig, naderen we de finish, die weer aan de Prinsentuin is.
Als ik de Prinsentuin zie slaak ik een zucht van verlichting.
“Gefeliciteerd, Sam, je hebt het gedaan!” zegt Niels tegen mij.
“Jij ook!” reageer ik.
“Inderdaad, deze laatste dag was niet eenvoudig.”
Als we naar de kant peddelen zie ik eerst Joris met zijn ouders en zijn zus. Daarna zie ik mijn ouders, Mees en Silke. Er naast staan de ouders van Niels en zijn oma. De regionale omroep is er met een microfoon en een camera. We stappen van onze planken die we op de kant leggen.
Op dat moment houd ik het niet meer. Alles wat ik met name vandaag heb weggeduwd: de pijn, de spanning, de aandacht, de angst dat ik zou breken en de laatste moeilijke uren, komt tegelijk naar boven. De tranen stromen over mijn gezicht. Ik kijk wanhopig naar Niels. Die pakt mijn hand en neemt me mee, recht naar al die mensen toe.
“Sam, je hebt het gedaan. Drie maanden geleden had je nog geen meter gesupt. Nu sta je hier na de Elfstedentocht, na een slotdag die ons allebei bijna heeft gesloopt. Daar mag je trots op zijn. Ik ben het in elk geval wel. Trots op jou. Trots op mijn stoere vriend.”
Dat maakt me nog emotioneler. De eerste die mij feliciteert is Joris. Daar ben ik blij mee, want vanwege Joris ben ik hieraan begonnen. De tranen blijven over mijn gezicht stromen. De camera is op mij gericht. Niels houdt mijn hand vast. Het kan me allemaal niets schelen.
Daarna volgen mijn ouders, Mees en Silke, en de ouders van Niels, zijn oma. Iedereen zegt ongeveer hetzelfde, maar aan hun handen, blikken en stemmen merk ik steeds opnieuw dat het menens is.
De vader van Niels zegt: “Je hebt een echte prestatie geleverd, Sam. En je hebt er Niels bij gekregen. Wij hebben er jou bij gekregen. Daar zijn wij heel blij om.”
Ik kijk wat verward naar mijn ouders. Die weten van niets.
“Sam, je denkt toch niet dat wij gek zijn? Wij hadden het al heel lang door. Silke heeft het bevestigd. Jouw zus kent je echt heel goed.” Er valt een pak van mijn hart.
Dan komt de camera dichterbij. Niels laat mijn hand los.
“Sam, wil je nu voor de camera reageren?” is de vraag.
Ik kijk naar Niels. Die knikt. “Doen Sam, stoer zijn is ook iets gepresteerd hebben en daar emotioneel onder zijn.”
Ik knik. De camera komt dichterbij. Opeens voelt de ruimte om me heen groter, alsof iedereen een stap terugdoet behalve ik. Ik zoek Niels. Die is inderdaad een aantal stappen achteruit gegaan.
“Kom hier, Niels, zonder jou had ik dit nooit kunnen doen.”
Ik weet niet of de camera al loopt. Het interesseert mij niet meer. “Ik houd van jou, Niels. Ik heb je nu nodig.”
Niels komt terug. Dan begint het interview.
Er zijn vragen over hoe moeilijk het was en wat het lastigste was.
“Vandaag was de lastigste dag. Al trainend hebben we” ik kijk naar Niels, “nauwelijks regen gehad. Regen was ik dus niet gewend. Vandaag heb ik er genoeg van gekregen.”
De meest belangrijke vraag is: ‘Hoeveel heeft jouw actie tot nu toe opgebracht?’
Ik wil zeggen: dat weet ik niet, maar dan stapt Mees naar voren.
“Ik heb de laatste stand van zaken bekeken. Dat heb ik een uur geleden gedaan en op dat moment was de totale opbrengst …….”
Mees houdt even in.
“Een bedrag van € 17.788,- . Daar komt nog bovenop wat mensen per kilometer gaan betalen, dat is nog niet bekend.”
Dat wordt me weer te veel. De tranen stromen weer over mijn gezicht. Niels pakt me beet en kust me. Op mijn mond. “Gefeliciteerd” fluistert hij. “Vriend van mij.”
De camera gaat uit en het wordt een normaal gesprek. Iedereen is het er over eens dat het een enorme prestatie is. Ik vind dat ook. Toch vind ik dat ik het moeilijk hardop kan zeggen.
Daarna komen andere suppers, met wie we de afgelopen dagen contact hebben gehad, me feliciteren. Ik word er verlegen van.
We krijgen vanwege het volbrengen net als alle andere deelnemers die de hele tocht hebben uitgesupt de iconische Elfstedenkruisje-medaille, gebaseerd op het traditionele schaats-Elfstedenkruisje.
Uiteindelijk besluiten mijn ouders dat we ondertussen wel weg kunnen gaan. Niels’ vader heeft de auto met trailer weer in de buurt kunnen parkeren en wij gaan met zijn allen die kant op. Als we de supplanken in de trailer vast hebben gezet en weer naar buiten komen zegt mijn vader tegen iedereen: “Dan zien we jullie zo in ons restaurant.” Ik kijk verbaasd. Niels niet minder.
Mijn vader legt uit: “Wij gaan jullie prestatie vieren. Wij hebben in ons restaurant, in stijl aan het water, een ruimte gereserveerd voor iedereen die hier nu is. Daar gaan we twee dingen vieren. Jullie enorme prestatie en het feit dat die prestatie gezorgd heeft dat jullie elkaar hebben gevonden.”
Ik kijk Niels aan. Die kijkt verbluft. “Jij weet hier ook niets van?”
“Nee, ik weet hier niets van. Toch vind ik het een prima idee. Kom, de auto van jouw ouders zit vol; mijn ouders hebben nog twee plaatsen,” reageert Niels.
Tegen Joris, zijn zus en zijn ouders zeg ik: “Wat leuk dat jullie er ook bij zijn. Zonder Joris was ik hier nooit aan begonnen.”
Later in het restaurant blijkt dat mijn ouders een hele hoek voor ons hebben vrijgehouden. Ertussen hebben zij een aantal plantenbakken gezet, zodat wij min of meer vrij zitten.
Het wordt een gezellige avond, maar vooral een avond waarop ik eindelijk niet meer hoef op te letten. Niels en ik zitten naast elkaar en niemand doet alsof dat toevallig is. Eerst denk ik dat ik Joris en zijn ouders nog iets moet uitleggen, maar al snel blijkt dat Silke ook hen heeft verteld hoe het zit.
Aan het eind van de avond is het al best laat. Morgen moeten we weer naar school.
Mijn vader zegt: “Wij hebben met school geregeld dat jullie morgen nog niet naar school hoeven. Dat geldt ook voor Joris en zijn zus, anders hadden zij er niet bij kunnen zijn. Jij gaat met Niels mee; we zien je morgenavond wel weer. School weet ervan. Ook school zal nog bijdragen. Dat komt overmorgen wel.”
Ik pak Niels, die de hele avond niet van mijn zijde is geweken, vast. “Lieve Niels, heb ik je al bedankt? Zonder jou had ik dit nooit gekund!”
“Bedank Marjolijn maar. Zonder haar zouden we elkaar niet hebben gekend.”
We kijken elkaar aan.
“De tocht is tot het letterlijk bittere eind gesuppt. We hebben onze gevoelens voor elkaar op een laag pitje gezet om de tocht niet in gevaar te brengen. Die rem kan er nu wel af, toch?” zeg ik.
“Zijn we daar al niet mee begonnen? Half Friesland kon, als ze vanavond naar de tv keken, zien hoe wij met elkaar omgaan. Wat mij betreft is dat geen probleem,” zegt Niels met een brede glimlach.
“Zo is het. Wie er problemen mee heeft zegt het maar. Wij weten wat we voelen en willen.”
We rijden naar Niels’ huis.
“Nu kan je een keer met mij gaan paardrijden.” zeg ik hem.
“Wat mij betreft gaan we nog veel meer dingen samen doen,” zegt Niels. “En niet alleen suppen. Zelfs samen huiswerk maken kan, als we dat willen. Over de andere mogelijkheden praat ik maar niet zolang mijn ouders erbij zitten.”
Zijn moeder draait zich om. “Vergeet je even dat wij ook jong zijn geweest, Niels?”
“Dat weet ik heel goed. Alleen denk ik dat jullie heel saaie tieners zijn geweest.”
“Volgens mij moet Niels nodig eens op de hoogte worden gebracht van onze ruige jeugd.” reageert zijn moeder naar zijn vader.
“Dat mogen jullie geheim houden. Laat mij maar verder leven met het saaie-tiener idee.”
Niels draait zich naar mij toe. “De wereld ligt voor ons open. Met regen en tegenwind zijn we naar de finish gesupt. Nu beginnen we aan iets totaal anders, ook van ons samen. Zonder te doen alsof het niet bestaat. Zonder ons kleiner te maken. Ik houd van je, lieve Sam.”
“Ik houd van jou, lieve Niels.”