Koffie met een rietje. (deel 11)
Marnix ging op de rand van het bed zitten. Zijn blik gleed openlijk over Hannes. Hij keek naar alles wat de afgelopen dagen altijd half verborgen was geweest onder handdoeken, waterdamp of voorzichtigheid: de slanke lijn van Hannes’ lichaam, de deels gebruinde huid van zijn benen, zijn zichtbare kwetsbaarheid omdat hij zich niet kon bedekken of wegdraaien.
‘Je beseft dat je momenteel een verschrikkelijk slechte invloed hebt op mijn beroepsethiek?’ merkte Marnix op.
‘Ik werk met beperkte middelen,’ antwoordde Hannes snel.
Marnix liet zijn hand langzaam over Hannes’ borst omlaag glijden, het gips vermijdend. Zijn vingers zochten zijn buik.
‘Je doet nog altijd alsof je iets probeert niet te doen,’ zei Hannes zacht.
Marnix kantelde zijn hoofd licht.
‘Dat gevecht heb ik verloren.'
Hij liet zijn hand verder zakken. Hannes had alle tijd om hem tegen te houden. Dat gebeurde niet. Integendeel. Hannes verschoof automatisch dichter naar hem toe op het bed.
De spanning tussen hen werd zeer lichamelijk.
Marnix keek kort naar hem op, alsof hij nog één keer wilde controleren of dit echt wederzijds was. Wat hij zag, leek voldoende. Zijn hand bleef eerst rusten waar ze nu lag, terwijl Hannes duidelijk reageerde op de handbeweging die volgde.
‘Wel,’ fluisterde Marnix, ‘Nu begrijp ik waarom je vandaag zo arrogant bent.'
Marnix stond op. Zijn T-shirt verdween eerst over zijn hoofd, achteloos op de vloer gegooid. Het getemperde licht van de slaapkamer viel over zijn jonge lichaam: gladde schouders, lichte huid, een smalle strook blond haar die van zijn buik verdween onder de rand van zijn boxer.
Hannes volgde elke beweging aandachtig zonder schaamte te veinzen.
Marnix merkte het en schudde opnieuw glimlachend zijn hoofd.
‘Je kijkt nogal intens voor iemand die zogezegd hulpeloos is.’
‘Ik neem de tijd om je te observeren en je capaciteiten in te schatten.’
Marnix haakte zijn duimen achter de elastiek van zijn boxer en trok die naar beneden. Geen heldhaftigheid. Marnix was gewoon een onervaren jongen van tweeëntwintig die zijn nervositeit onder controle probeerde te houden en tegelijk precies wist waarom hij niet meer wilde stoppen.
Naakt zag hij er jonger uit dan gekleed, vond Hannes. Marnix was niet perfect, niet indrukwekkend gespierd, gewoon echt. Slank. Warm van kleur door de opwinding en misschien een beetje door de wijn.
Hannes voelde zijn hart sneller slaan toen Marnix opnieuw dichterbij kwam en zich over hem boog op het bed. Hun huid raakte onmiddellijk overal tegelijk: borst tegen borst, dij tegen dij. Hun warme lichamen maakten vol contact.
‘Nog altijd overtuigd van je onbekende talenten?’ vroeg Marnix.
Hannes keek naar hem op met diezelfde uitdagende glimlach van eerder.
‘Ik zal moeten improviseren. Mijn handen zijn momenteel waardeloos.’
Marnix lachte, laag in zijn keel.
‘Dat klonk daarnet als bluf.’
‘Misschien moet je minder praten dan.’ De sfeer kantelde definitief naar minder plagen, meer nieuwsgierigheid en meer durf.
Hun bewegingen waren soms stuntelig, hun timing niet perfect, maar juist daardoor voelde niets ingestudeerd. De twee jonge mannen mochten elkaar eindelijk aanraken zonder voorbehoud.
Hannes keek naar het gips rond zijn armen, zich bewust van hoe weinig hij ermee kon. Een scheve glimlach trok over zijn gezicht.
‘Nu ga ik improviseren,’ zei hij.
Voor Marnix goed besefte wat hij bedoelde, schoof Hannes naar hem toe op het bed. Hij was onhandig omdat die onbruikbare armen op de koop toe voortdurend in de weg zaten. Toch zat er iets vastberaden in de manier waarop hij bewoog. Hij had besloten zich niet tegen te laten houden door twee gipsen.
Hannes gebruikte zijn mond bewust en zijn hele lichaam schuurde tegen Marnix om hem beter te kunnen voelen.
Hannes bracht zijn hoofd omlaag op de borst van Marnix. Hannes nestelde zich stevig tegen Marnix aan en liet zijn lippen lager naar zijn buik glijden. Hij speelde geen zelfzekerheid, was eerder nieuwsgierig, jong, een beetje nerveus en bereid die zenuwen te negeren. Hannes keek nog één keer naar hem op. Zijn haren vielen over zijn voorhoofd, zijn huid was warm. Hij probeerde een houding te vinden die werkte ondanks zijn armen. Dat stuntelige zoeken maakte het alleen maar echter. Zijn gips raspte tegen Marnix’ dij waarna ze allebei even moesten lachen.
‘Dit is totaal niet ergonomisch,’ mompelde Hannes.
‘Je bent letterlijk gehandicapt aan het improviseren,’ antwoordde Marnix. Hij maakte geen aanstalten om afstand te nemen. Integendeel. Zijn benen weken als vanzelf iets verder uit elkaar. Met één hand streek hij door Hannes’ haar, niet sturend, eerder ongelovig teder, alsof hij nog altijd probeerde te vatten dat dit werkelijk gebeurde.
‘Wacht,’ zei Hannes. 'Beweeg eens wat opzij.’
Uiteindelijk kreeg Hannes zichzelf in een min of meer werkbare positie: half op zijn zij gedraaid, één been tussen die van Marnix geschoven zodat hij dichterbij kon zonder op zijn armen te moeten steunen. Het zag er tegelijkertijd absurd en verrassend intiem uit.
‘Hannes… Wat doe je nu?’ stamelde Marnix.
Het klonk niet als een waarschuwing. Meer als verbazing.
Buiten viel het laatste avondlicht langzaam weg achter de ramen terwijl binnen alleen nog hun ademhaling, ritselende lakens en af en toe een droge lach om een botsend gips de stilte doorbrak.
Hannes’ wangen waren rood van warmte en inspanning.
Zijn voet gleed ondertussen langs Marnix’ kuit om zichzelf beter in evenwicht te houden.
‘Je gebruikt echt letterlijk alles behalve je handen.’ merkte Marnix op.
‘Efficiëntie,’ mompelde Hannes.
Hannes drukte zijn wang tegen de binnenkant van Marnix’ dij. Even bleef hij zo stil liggen, alsof hij zichzelf nog een paar seconden gaf om terug te krabbelen. Dat deed hij niet.
Marnix keek neer op Hannes en slikte. De kalmte die hem gewoonlijk zo moeiteloos afging, vertoonde scheurtjes.
De kleine slaapkamer lag er rommelig bij. Kleren lagen verspreid over de vloer. Het open raam liet de avondlucht binnen die geen invloed had op de warmte tussen hen.
Marnix rilde. Hannes bleef koppig doorgaan, rood aangelopen van inspanning maar vastbesloten niet op te geven. De huid van Hannes’ rug glansde in het zwakke licht van de slaapkamer.
‘Je kijkt veel te serieus,’ mompelde Marnix.
‘Ik probeer hier logistieke problemen op te lossen.’
Dat antwoord deed hen allebei lachen, maar de lach zat vol seksuele spanning. Hannes mond en gezicht namen voorzichtig de taak over van wat zijn handen momenteel niet konden doen. Elegant was het nooit.
Hannes moest zichzelf opnieuw half verleggen omdat één gips vast kwam te zitten tussen hun lichamen. Hij vloekte.
Toen Hannes eindelijk een geschikte houding vond, lag hij met zijn gezicht tussen Marnix’ benen, zijn lichaam warm tegen dat van hem. De bravoure van eerder was verdwenen. Directe, eerlijke nieuwsgierigheid en aantrekking hadden de plaats ingenomen van alle omwegen.
Marnix’ ademhaling werd trager en dieper. Af en toe trokken zijn vingers samen terwijl Hannes experimenteerde met bewegingen die tegelijk onhandig en verrassend raak voelden.
Ondanks de botsende gipsen, verschuivende lakens en ongemakkelijke houdingen voelde niets geforceerd. Juist de onvolmaaktheid maakte het echt.
Hannes wilde iets zeggen, maar verstomde toen hij zag hoe Marnix zijn hoogtepunt bereikte. Daarna werden ze stil, op hun zware ademhaling na. Hannes liet zich uitgeput zijwaarts zakken, zijn nutteloze gipsarmen onhandig en onbelangrijk naast zich op de matras. Marnix bleef nog even bewegingloos liggen, starend naar het plafond terwijl zijn hartslag bedaarde. Pas toen hij weer op adem was, draaide hij zijn hoofd naar Hannes. Er lag een lome, diepe tevredenheid in zijn blik. ‘Logistiek goedgekeurd?’ fluisterde Hannes met een vermoeide glimlach. Marnix slaakte een bevredigde zucht, boog zich voorover en kuste hem kort maar teder op zijn voorhoofd. ‘Meer dan goedgekeurd.’ Marnix verfriste hen beiden in de douche en legde propere lakens.
‘Pyjama aan of niet.’
‘Doe maar aan nu.’
Marnix trok zijn pyjama aan en bleef nog even staan. Daarna pakte hij een deken en zocht de zetel op.
‘Je hoeft daar niet te slapen, hoor.’
‘Misschien niet,’ zei hij. ‘Maar jij hebt een bed nodig waar je niet om de vijf minuten tegen mij botst.’