De andere kant van de maan. (deel 13)
Na het poetsen van haar tanden komt ze bij mij op bed zitten.
‘Ik heb die dromen weer,’ zegt ze.
‘Welke?’
‘Die waarin ik wakker word nadat er iets gebeurd is. Ik weet het nooit goed.’
‘Het laatste jaar bij mijn ouders… dat was geen goed jaar,’ vervolgt ze. Veel spanning,veel ellende. Ik ben toen weggegaan.’
‘Dat weet ik,’ zeg ik.
‘Je weet niet alles.’
Ze kijkt niet naar me.
‘Frankrijk voelt soms alsof het een vorig leven was,’ zegt ze. ‘Alsof het niet meer bestaat. En toch…
Ik ben niet ziek,’ zegt ze, bijna fel. ‘Maar ik ben ook niet zomaar moe. Dat is het probleem.’ Ik vraag niet door. Wat ze niet zegt, zegt ze bewust niet. Er zit een grens, en die respecteer ik. Ik neem haar hand vast.
Ze trekt haar hand niet weg. Dat is al veel.
Later, wanneer ze slaapt, denk ik aan wat ze wél heeft verteld en vooral aan wat ze heeft verzwegen. Frankrijk mag dan ver weg zijn, het heeft haar niet losgelaten. Misschien heeft niemand haar ooit gevraagd of ze dat wel kon dragen.
Ik weet één ding zeker: dit is geen verhaal dat zich laat forceren. En Margot ook niet.
Tijdens de tweede consultatie bij de huisdokter wordt alles op een rijtje gezet.
‘Je leeft boven je draagkracht. Het heeft met veel dingen te maken: je persoonlijkheid, hoe je geleerd hebt met tegenslagen om te gaan en wat er in je leven gebeurt. Ik ga je niet vragen je cursussen te onderbreken.’
De huisarts schrijft een licht kalmeringsmiddel voor om tijdelijk te gebruiken. ‘Je zal waarschijnlijk beter slapen.’ Ze geeft wat tips om met stress om te gaan. ‘Houd je bekommernissen niet voor jezelf. Praat met elkaar. Ga naar buiten in je vrije tijd, beweeg en doe leuke dingen.’
Margot leert. Dat is het meest zichtbare. Haar Deens wordt vlotter. Ze zoekt minder naar woorden, struikelt minder over klanken. Soms corrigeert ze zichzelf midden in een zin, of ze laat het gewoon gebeuren. Ik hoor vooruitgang aan de keukentafel en in de supermarkt.
Ze slaapt beter. Niet elke nacht, zo nodig met medicatie. We maken er geen drama van. Medicatie is een hulpmiddel, geen nederlaag. De huisarts had gelijk: reflectie helpt. Beweging ook. Ik probeer de tips ernstig te nemen en heb de indruk dat Margot dat ook doet. Tenslotte kan alleen zij aan zichzelf werken.
Voor haar verjaardag koop ik loopschoenen. Ik twijfel lang, bang dat het een te praktisch cadeau is, te weinig romantisch. Margot past ze, loopt een rondje door de woonkamer.
‘Ze zitten goed.’
Ze begint alleen te joggen. Kort eerst, langs het water. Soms loop ik mee. Ik vind het prettig dat ze ook zonder mij vertrekt. Ze komt terug met rode wangen en nat haar, diep hijgend. Ze drinkt een groot glas water leeg en sluit even de ogen.
‘Mijn hoofd is stiller,’ zegt ze een keer.
Ik knik, maar ik weet beter. Het is niet stil. Het is tijdelijk opzij gezet. Alsof ze iets heeft verplaatst dat straks weer terugkomt. Ik zeg er niets van.
Wanneer Margot openhartig en licht is, wanneer ze grappen maakt en heftiger beweegt dan nodig, weet ik dat ik haar later op mijn kamer mag verwachten. Dat is een patroon.
Ze komt zonder kloppen binnen en doet het licht aan. Ze draagt alleen een T-shirt. Ze trekt het langzaam over haar hoofd en laat het vallen als iets wat nutteloos is. Dan staat ze daar, recht voor me. Ze toont uitdagend haar zwarte driehoek om me te verleiden: hier ben ik, nu. Ik ben gek op haar temperament en ongerust wanneer ik het niet kan voelen. Ze gooit het dekbed van me af en gaat op me zitten, haar dijen warm, haar gewicht vertrouwd.
Ik neem haar vast zonder aarzeling. Mijn handen kennen haar inmiddels door en door. Haar huid is warm. Ze drukt haar heupen tegen me aan, zoekt wrijving zonder haast. Ze kust me. Ze weet wat ze wil. Haar mond is warm en open, zonder terughoudendheid. Ik raak haar aan met een duim en ze ademt scherp in.
Later ligt ze op haar rug, één arm boven haar hoofd. Ze kijkt niet naar mij maar naar het plafond.
‘Je denkt weer,’ zeg ik.
Bijna achteloos zegt ze: 'Het is makkelijker om te voelen dan om te herinneren.’
Ik trek haar tegen me aan. Haar hoofd op mijn borst. Haar adem wordt rustiger. Ze blijft wakker, dat voel ik. Maar ze blijft ook.