Dezelfde baan. Deel 10. Dezelfde kant. SLOT.

Plaats hier je eigen verhalen.
Gesloten
Wimmie
Berichten: 346
Lid geworden op: wo 01 jan 2020, 23:09
Vul het getal in: 123

Dezelfde baan. Deel 10. Dezelfde kant. SLOT.

Bericht door Wimmie » za 31 okt 2026, 07:31

Sander:

Zaterdagmorgen stuurt Marcel een bericht.
‘Zin om iets te doen?’
Ik lees het drie keer. Niet omdat ik niet begrijp wat er staat, maar omdat hij precies dezelfde woorden gebruikte toen hij me de eerste keer meenam naar het park.
Toen wist geen van ons wat die wandeling betekende. Nu weten we het wel. Dat maakt het bericht niet minder spannend.
‘Zeker. Wat?’
‘Het park?’
Ik glimlach naar mijn telefoon.
Wat een origineel idee. Daar was ik zelf nooit op gekomen.
"Hoe laat?"
Zijn antwoord verschijnt meteen.
‘Om twee uur. En wees op tijd.’
Alsof ik dat na alles nog zou riskeren.

Om vijf voor twee staat Marcel al bij de ingang. Dezelfde plek, dezelfde vijver achter hem, bijna dezelfde jas. Alleen steekt hij dit keer zijn hand uit zodra ik mijn fiets op slot heb gezet.
“Je bent te vroeg,” zeg ik.
“Vier minuten.”
“Dat is vroeg.”
Hij trekt me een stap dichterbij.
“Dat heb ik van jou geleerd.”

We lopen hetzelfde pad als de eerste keer, langs de vijver en het kraampje met warme chocolademelk. Toen praatten we eerst over school en zwemmen, omdat alles daarbuiten te groot voelde. Nu houden we elkaars hand vast zolang er niemand dichtbij is en laten we pas los wanneer twee kinderen ons op stepjes tegemoetkomen.
“We doen onze eerste wandeling na,” zeg ik.
“Met verbeteringen.”
“Je hebt vast een evaluatieformulier meegenomen.”
“Alleen de belangrijkste punten.”
Hij zegt het luchtig, maar op het rustige pad achter de vijver wordt zijn gezicht ernstig.
“Ik wil nog één keer sorry zeggen.” zegt hij. “Niet om weer bij het begin te beginnen. Omdat ik nu beter begrijp waarvoor.”
Ik wacht. Dat heb ik van hem geleerd.
“Ik was bang dat anderen iets van ons zouden vinden.” gaat hij verder. “Toen heb ik jou behandeld alsof hún mogelijke reactie belangrijker was dan wat jij werkelijk voelde. Ik duwde je weg voordat iemand anders dat kon doen.”
“Dat deed pijn.”
“Weet ik.” Hij kijkt me aan. “Als ik weer bang word, wil ik het zeggen voordat ik iets kapotmaak.”

Een paar weken geleden zou ik genoegen hebben genomen met zijn excuses. Nu wil ik meer dan de juiste woorden.
“Dan moet je me ook laten antwoorden.” zeg ik. “Niet alvast besluiten wat ik aankan.”
“Afgesproken.”
“Ik zal niet vertrekken voordat jij bent uitgepraat.”
“Lijkt me goed.”

We lopen verder. Eerst zeggen we voorzichtig dat we elkaar gemist hebben. Daarna zeggen we dat we verliefd zijn. Niet als grap, niet verstopt in een zin over zwemmen. Gewoon hardop.
Het woord verandert niets aan wat ik voel. Wel aan de ruimte ertussen. Alsof we eindelijk het licht aandoen in de kamer waar we al die tijd samen stonden.

“Ik ben verliefd op je,” zegt Marcel nog een keer, omdat ik hem de eerste keer laat herhalen.
“Dat klonk bijna alsof je het meende.”
“Bijna?”
“Nog één keer oefenen.”
Hij duwt zijn schouder tegen de mijne. Ik lach zo hard dat een man met een hond omkijkt.

Bij het kraampje kopen we chocolademelk. Marcel betaalt zonder discussie. “Ik heb je uitgenodigd,” zegt hij.
“Deze keer met een plan.”
“Vooruitgang.”

Op een bankje haal ik mijn telefoon uit mijn zak. Mijn moeder staat bovenaan mijn berichten. Ik heb haar naam vandaag al vijf keer geopend en weer gesloten.
“Ik heb me echt voorgenomen het haar te vertellen.” zeg ik.
Marcel kijkt niet naar mijn scherm. “Vandaag?”
“Als ik het uitstel, maak ik er vannacht weer tien rampen van.”
“Wil je dat ik iets zeg?”
“Nee. Alleen dat je blijft zitten.”
“Dat kan ik.”
Ik typ: ‘Mam, ik wil vanmiddag graag met je praten.’
Mijn duim blijft boven verzenden hangen. Marcel legt zijn hand op de mijne op het bankje. Niet om me te dwingen. Alleen om er te zijn.
Ik verstuur het.
Binnen een minuut komt haar antwoord.
‘Natuurlijk. Ik ben thuis.’
“Dat was het,” zeg ik.
“Dat was de start.”
“Jij maakt werkelijk overal een zwemwedstrijd van.”
“Alleen bij ingewikkelde onderwerpen.”

Bij de uitgang van het park blijven we naast onze fietsen staan. De eerste keer lieten we elkaar los voordat iemand iets kon vermoeden. Nu trekt Marcel me naar zich toe.
Onze kus is niet voorzichtig en niet kort. Hij legt één hand tegen mijn nek en ik houd zijn jas vast alsof ik bang ben dat de grond beweegt. Wanneer we loskomen, blijven onze voorhoofden tegen elkaar rusten.
“Je moeder wacht,” zegt hij zacht.
“Dat is een slechte reden om te stoppen.”
“Het is wel een goede reden om straks te bellen.”
Ik kus hem nog één keer. Daarna fiets ik naar huis. Halverwege merk ik dat ik fluit. Geen nummer dat Marcel kent. Gewoon lucht die ergens heen moet.

Mijn moeder zit aan de keukentafel wanneer ik binnenkom. Voor haar staat thee die ze nog niet heeft aangeraakt.
“Je wil praten.” zegt ze.
Ik ga tegenover haar zitten. Alle zinnen die ik onderweg heb voorbereid verdwijnen.
“Ik val op jongens.” zeg ik. “Er is iemand.”
Mijn moeder knippert één keer. Dan schuift ze haar stoel dichterbij.
“Marcel?”
“Hoe weet je dat?”
“Omdat je sinds de verhuizing over bijna niemand anders praat. Omdat je zijn naam anders zegt.”
Het klinkt bijna hetzelfde als wat mijn broer zei. Ik kijk naar mijn handen.
“Wisten jullie ook al dat ik op jongens val?”
“Je vader en ik vermoedden het. Vermoeden is niet hetzelfde als dat jij eraan toe bent het te vertellen.” Ze legt haar hand op de mijne. “We vonden dat jij zelf mocht bepalen wanneer.”
“Hoe vinden jullie het…”
Ik krijg de vraag niet af.
“We vinden het belangrijk dat je gelukkig bent,” zegt ze. “Vooral dat deze Marcel aardig voor je is.”
“Meestal.”
“Dat klinkt eerlijk.”

Ik vertel haar over de verhuizing, de club, de ruzie en de race. Niet ieder detail. Genoeg. Ze luistert zonder mijn zinnen af te maken. Wanneer ik klaar ben, omhelst ze me zo stevig dat mijn stoel naar achteren schuift.
Boven bel ik Marcel. Hij neemt op vóór de tweede toon.
“En?”
“Ze wist het ongeveer al. Van mij en van jou.”
Aan de andere kant blijft het even stil.
“Van mij?”
“Blijkbaar zeg ik je naam anders.”
“Hoe dan?”
“Irritant vaak.”
Hij lacht. De spanning die de hele middag in mijn borst zat, zakt eindelijk weg.
“Was het goed?” vraagt hij.
“Ja. Echt goed.”
“Mooi.”

We blijven een tijdje aan de lijn. We praten over maandag, over de volgende wedstrijd en over niets. Voor we ophangen, kom ik terug op onze afspraak.
“Vanaf nu zeggen we het als ons iets dwarszit,” zeg ik. “Ook als het klein is. Ook als we bang zijn. Niet wachten tot het in het zwembad ontploft.”
“Alles?”
“Alles wat ertoe doet.”
“Dan moet ik nu zeggen dat je presentatie nog steeds te lang was.”
“En jouw muziek te langzaam.”
“Dit gaat goed werken.”

Ik ga op mijn bed liggen en kijk naar het plafond. Morgen zal niet alles eenvoudig zijn. Mijn vader moet het nog van mij horen. Op school en bij de club weten mensen misschien meer dan we willen. Marcel zal soms bang zijn en ik zal soms te vroeg vertrekken.
Vanmiddag hebben we allebei iets gedaan wat weken onmogelijk leek: niet weggedoken, niet gewacht, niet gedaan alsof er niets was.
“Marcel?”
“Ja?”
“Naast elkaar?”
Zijn antwoord komt zonder aarzeling.
“Meer dan dat,” zegt hij. “Vanaf nu zwemmen we samen in één baan.”

Ik glimlach. Niet omdat ik denk dat we nooit meer verkeerd zullen aantikken.
Omdat ik erop vertrouw dat geen van ons daarna alleen verder zwemt.

Gesloten