Dezelfde baan. Deel 3. Twee plaatsen.

Plaats hier je eigen verhalen.
Gesloten
Wimmie
Berichten: 339
Lid geworden op: wo 01 jan 2020, 23:09
Vul het getal in: 123

Dezelfde baan. Deel 3. Twee plaatsen.

Bericht door Wimmie » za 24 okt 2026, 07:35

Marcel:

Sander en ik trainen nu drie weken samen. Lang genoeg om zijn tempo aan zijn ademhaling te herkennen en kort genoeg om me nog steeds te ergeren wanneer hij vlak voor het einde versnelt.

Op school is het bijna hetzelfde. We zitten naast elkaar wanneer onze roosters samenvallen, fietsen samen naar huis en zoeken elkaar in de pauze op zonder dat we dat ooit hebben afgesproken. Sander praat genoeg voor ons allebei. Ik houd intussen bij wanneer hij een proefwerk heeft, hoe laat we moeten trainen en welke route naar het zwembad het snelst is.

Het werkt. Meestal.

Op een donderdagavond fluit de coach ons na het inzwemmen naar de badrand. Hij heeft een klembord onder zijn arm. Dat betekent bijna nooit iets eenvoudigs.

“Over zes weken is er een kwalificatietoernooi,” zegt hij. “De club stuurt een ploeg. Voor de vrije-slag-estafette zijn nog twee plaatsen vrij.”
Niemand zegt iets. Naast me beweegt Sander zijn voet door het water.
De coach kijkt eerst naar hem en daarna naar mij. “Jullie zijn allebei kandidaat.”
Mijn hart maakt een sprong. Twee plaatsen. Twee kandidaten. Samen, denk ik meteen.
Dan voegt de coach eraan toe: “Kandidaat zijn is nog geen selectie. Jullie individuele tijden tellen mee, maar de wissels net zo zwaar. Een snelle zwemmer die te vroeg vertrekt, heeft een estafette verloren voordat hij goed en wel in het water ligt.”

Sander trekt één wenkbrauw op. “Ik heb nog nooit een estafette gezwommen.”
“Dat zag ik al aankomen,” zegt de coach. “Daarom gaan jullie oefenen.”
“Hoe moeilijk kan een wissel zijn?” vraagt Sander. “De een tikt aan, de ander duikt.”
De coach glimlacht zonder vrolijk te kijken. “Dat mag je na de training nog eens zeggen.”
Ik probeer mijn glimlach te verbergen. Sander ziet het toch.
“Jij hebt dit zeker al honderd keer gedaan?”
“Geen enkele keer.”
Nu lacht hij wel. “Mooi. Dan kunnen we samen afgaan.”

We beginnen op het droge. Sander staat op het startblok; ik hang met mijn armen over de kant.

“Ik zeg wanneer ik aantik,” leg ik uit. “Jij vertrekt op het geluid.”
“Dus ik moet op jou vertrouwen.”
“Voor ongeveer een halve seconde.”
“Dat moet lukken.”
De eerste keer springt hij te laat. De tweede keer beweegt hij al voordat ik “nu” zeg.
“Je gokt,” zeg ik.
“Ik anticipeer.”
“Je ligt straks gediskwalificeerd te anticiperen.”

Hij kijkt me aan met die scheve glimlach die meestal betekent dat hij iets terug gaat zeggen. Dit keer slikt hij het in. “Nog een keer.”

Na twintig pogingen begint het ergens op te lijken. De coach laat ons vervolgens echt aanzwemmen. Ik start in het water. Sander staat gebogen op het blok, zijn tenen om de rand.
De laatste meters versnel ik. Ik zie zijn armen naar achteren gaan. Mijn hand raakt de wand; vrijwel tegelijk schiet hij over me heen.
Wanneer hij bovenkomt, steekt de coach zijn duim op.
“Zie je wel?” roept Sander. “Makkelijk.”

De volgende wissel ben ik aan de beurt. Sander zwemt aan. Vijf meter voor de kant versnelt hij plotseling. Sneller dan tijdens de vorige poging. Ik pas mijn timing aan, duik en voel nog voordat ik bovenkom dat ik te laat was.
“Waarom versnelde je?” vraag ik zodra ik terugzwem.
“Omdat dit uiteindelijk snel moet.”
“We zouden eerst een vast ritme oefenen.”
“In een wedstrijd zwemt niemand rustig naar de muur.”
Hij heeft gelijk, maar ik wil het niet horen. Bij de volgende poging trek ik mijn laatste meters harder door dan afgesproken. Sander vertrekt te vroeg en kan zich op het blok nog net tegenhouden.

“Serieus?” zegt hij.
“In een wedstrijd zwemt niemand rustig naar de muur.”
Zijn blik wordt scherp. “Dus zo gaan we het doen?”
“Jij begon.”
Daarna wordt iedere poging een wedstrijd die niemand heeft aangekondigd. Wie trekt het hardst door? Wie durft het langst te wachten? Wie maakt de snelste wissel? Onze tijden worden beter, maar onze fouten groter. Eén keer spring ik zo vroeg dat de coach hard op zijn fluit blaast voordat ik het water raak.
“Eruit,” zegt hij.

Sander en ik klimmen zwijgend op de kant.
De coach legt zijn klembord neer. “Wat zijn jullie aan het trainen?”
“Wissels,” zeg ik.
“Nee. Jullie trainen wie er gelijk krijgt.” Hij wijst naar het bad. “Ik zag twee goede zwemmers. Geen estafetteploeg.”
Niemand antwoordt.

“Voor een goede wissel heb je snelheid nodig,” gaat hij verder. “Maar ook vertrouwen. De zwemmer in het water moet erop kunnen rekenen dat zijn ploeggenoot vertrekt. De zwemmer op het blok moet geloven dat de ander doet wat is afgesproken. Jullie proberen elkaar te verrassen. Daarmee verras je straks vooral de jury.”
Sander kijkt naar zijn voeten. Ik voel het chloor prikken in mijn ogen, al weet ik dat het daar niet door komt.

“Heb ik gelijk?” vraagt de coach.
“Ja,” zegt Sander.
De coach kijkt naar mij.
“Ja, coach.”
“Mooi. Dan nog één ding. Als ik dit nog een keer zie, zoek ik twee zwemmers die wel een team willen vormen.”

Dat komt harder aan dan zijn fluit. Sander kijkt op. Voor het eerst sinds ik hem ken heeft hij geen antwoord klaar.
“Probeer het opnieuw,” zegt de coach. “En deze keer niet tegen elkaar.”
Ik draai me naar Sander. “Jij op het blok?”
“Alleen als jij deze keer doet wat je zegt.”
“Dat geldt ook voor jou.”
Hij knikt. Geen grap, geen glimlach.

Ik duik het water in. Voor ik vertrek, spreek ik met hem af dat ik de laatste tien meter in hetzelfde tempo houd. Wanneer ik aanzwem, kijk ik niet naar het blok. Alleen naar de zwarte lijn onder me. Vijf meter. Drie. Eén.
Ik tik aan.
Sander schiet over me heen alsof we dit al jaren doen.

Bij de omgekeerde wissel laat hij zijn gebruikelijke eindsprint achterwege. Zijn slag blijft lang en gelijkmatig. Ik herken het ritme, tel mee en vertrek precies op het moment dat zijn vingers de wand raken.
De coach zegt niets. Hij noteert alleen iets op zijn klembord. Dat is erger dan kritiek en beter dan lof.

In de kleedkamer blijft het eerst stil. Sander droogt zijn haar af en kijkt via de spiegel naar mij.
“Sorry,” zegt hij. “Ik wilde laten zien dat ik sneller kon.”
“Dat wist ik al.”
“Daarom wilde ik het juist laten zien.”
Ik ga op het bankje zitten. “Ik deed hetzelfde.”
“Dat wist ik ook al.”
Ik moet lachen. Hij ook, voorzichtig eerst, daarna echt.

De dagen erna veranderen we de training. Niet minder fanatiek, wel nauwkeuriger. We spreken voor iedere serie af wie welk tempo zwemt. Als één van ons daarvan afwijkt, beginnen we opnieuw. Niet om elkaar te straffen, maar omdat de ander moet weten wat er komt.

De coach laat onze starts en keerpunten filmen. In de grote pauze op school bekijken we de opnamen op Sanders laptop. Het beeld staat vaak stil op onflatteuze momenten: mijn gezicht vlak voor een ademhaling, Sanders benen half boven water.
“Je elleboog zakt hier,” zeg ik en tik op het scherm.
“Jij kijkt te vroeg naar de muur.”
“Ik kijk waar ik heen ga.”
“De muur loopt niet weg.”
Ik wil tegenspreken, maar bij de volgende opname zie ik dat hij gelijk heeft.

Andersom merk ik dat Sander in de laatste baan soms te veel kracht gebruikt. Hij versnelt, zijn slag wordt korter. Wanneer hij zijn tempo iets langer vasthoudt en pas in de laatste vijftien meter aanzet, blijft zijn snelheid hoger.

Langzaam ontstaat er iets wat ik niet in een schema kan zetten. Ik weet aan de stand van zijn schouders wanneer hij moe wordt. Hij hoort aan mijn ademhaling wanneer ik mezelf opjaag. Ik houd hem tegen als hij te vroeg wil versnellen; hij dwingt mij risico te nemen wanneer ik te beheerst zwem.

Op een avond zetten we onze beste serie neer. Niet onze snelste afzonderlijke tijden, wel de beste totaaltijd. Vier wissels, geen fout.
De coach kijkt op zijn stopwatch en knikt. “Dit begint ergens op te lijken.”
“Op twee plaatsen in de ploeg?” vraagt Sander.
“Op twee zwemmers die begrijpen dat een estafette niet uit vier losse races bestaat.”
“Dat is geen antwoord,” zeg ik.
“Klopt.” De coach steekt zijn stopwatch in zijn zak. “De selectie is over twee weken. Tot die tijd wil ik dit blijven zien.”

Wanneer hij wegloopt, blijft Sander naast me aan de badrand staan.
“We worden samen gekozen,” zegt hij.
“Dat kun je niet weten.”
“Nee. Maar als jij alvast besluit dat het niet lukt, moet ik in mijn eentje vertrouwen voor ons allebei.”
Ik kijk hem aan. Hij zegt het luchtig, maar zijn blik wijkt niet uit.
“Goed,” zeg ik. “Samen dan.”
Hij duikt terug het water in.
Ik volg hem naar onze baan. De twee plaatsen zijn nog niet van ons. Maar voor het eerst voelt de jongen naast me niet als degene die mijn plaats kan innemen.
Hij voelt als de reden waarom ik sneller word.

Gesloten