De reünie (deel 1)
Ik was er te vroeg. Ik herkende het Mondriaan-motief in de tegeltjes in de gangen. De feestzaal van het college was nog zo goed als leeg. De typische geur van vroeger herkende ik onmiddellijk. Ik nam een welkomstdrankje aan en keek rond.
Toen ik me omdraaide, zag ik hem staan. Ludwig. Ook hij was een van de eersten. Hij was veranderd. De schouders die altijd wat gebogen waren, stonden recht. De schroom die op het schoolplein altijd als een schaduw om hem had gehangen, leek verdwenen. Hij was pas laat in zijn puberteit, rond zijn zeventiende, fysiek aantrekkelijk geworden en stond nu stond hij daar rustig met een glas in zijn hand de zaal in te kijken.
Ik stapte uit een vanzelfsprekende nieuwsgierigheid direct op hem af.
"Ludwig," zei ik.
Hij keek op en er gleed een blik van herkenning over zijn gezicht. "Hey."
We schudden elkaar stevig de hand.
"Ik wist niet of je zou komen," zei ik.
"Ik heb getwijfeld," gaf hij eerlijk toe. Hij nam een klein slokje van zijn glas. "Tot op het allerlaatste moment."
"Ik twijfelde niet, maar ik vraag me nu wel af wat ik hier doe. Ik hoop op meer volk," lachte ik. "Gelukkig ben jij er al. Ik ben benieuwd wie er nog komt."
We raakten aan de praat, en we bleven praten. Het ging over de jaren na de middelbare school, onze studies en ons huidige werk. Ik vertelde hem over mijn mislukte start in de biologie, hoe de stof me boeide, maar dat het gebrek aan zelfvertrouwen me de das omdeed, en hoe ik uiteindelijk mijn draai vond in de verpleegkunde. Ludwig luisterde zonder oordeel. Hij vertelde op zijn beurt over informatica, een wereld die mij volkomen nieuw en vreemd was, maar waar hij vlot en met een rustige helderheid over sprak. De jongen die vroeger op de speelplaats nauwelijks een woord zei, was een man geworden met zelfvertrouwen. Die verandering wekte mijn belangstelling; we raakten eigenlijk niet uitgepraat.
Ondertussen vulde de zaal zich. Er verschenen leerkrachten, wat een bijzondere gewaarwording was: het waren niet langer onze superieuren, we mochten hen nu als gelijken aanspreken. Het was wennen aan die verschuiving in hiërarchie. Oud-klasgenoten zoals Jan, Jeff, Ward, Johan en Evert kwamen geregeld aanschuiven. Het was een oprecht blij weerzien. Waar Ludwig geen anekdotes had om te delen, gingen de wilde verhalen van de anderen nu over de tongen. Johan haalde de sportdag in maart aan, toen Jeff en Dirk besloten de ijskoude vijver over te zwemmen en Jeff bijna verdronk. Evert werd herinnerd aan zijn weddenschap waarbij hij in onderbroek vanaf het balkon het zwembad in was gesprongen, wat hem een strafstudie wegens 'onzedig gedrag' had opgeleverd. Ikzelf bracht ter sprake hoe ik destijds met succes en achteraf tot mijn grote opluchting over een hoge prikkeldraad was gesprongen. Ludwig had dergelijke verhalen niet. Hij luisterde, en glimlachte.
Pas aan het einde van de avond, toen de lichten werden gedimd voor de dansavond, stonden we weer met z'n tweeën.
"We zijn eigenlijk nog altijd niet echt uitgepraat," zei hij terloops.
"Nee," zei ik. "Dat gevoel heb ik ook."
"Ik ga zondag wandelen met Natuurwijzer. Als je zin hebt, wandel je mee. Gewoon, om nog wat door te praten."
"Dat is goed. Dat wil ik."
Toen ik die nacht na de reünie in bed lag, gleden mijn gedachten onvermijdelijk terug naar dat jongenscollege. We kenden elkaar van toen we twaalf, dertien waren. Mijn gedachten bleven haken aan de gebeurtenissen van toen, en aan dat ene gevaarlijke woord dat op de speelplaats soms lacherig, soms openlijk viel: homo. Ludwig werd niet genadeloos gepest, maar hij droeg wel dat label en onderging de subtiele steken lijdzaam omdat hij toen zo mager en extreem timide was. Mijn vermoeden dat hij homo was, bleef nog altijd overeind. Dat er vroeger met hem gespot werd, deed me pijn.
Het woord intrigeerde me, want het raakte aan iets wat in mij sluimerde. Ik wilde het zelf niet benoemen. Ik wás toen nog geen homo, althans niet in de praktijk of bewust, al was ik het in aanleg natuurlijk wel. Daarom hield ik Ludwig altijd in de gaten. Mijn blik was de behoedzame blik van iemand die in de spiegel kijkt en bang is voor wat hij ziet. Ik schaamde me dat ik hem destijds nooit had verdedigd. Van nature nam ik het graag op voor de underdog en ik deed ook absoluut niet mee met de rest, maar de angst om doorzien te worden verlamde me.
Ook ik had een late puberteit en was verlegen, maar ik had een andere uitweg gevonden: ik kon me fysiek meten met de anderen. Ik was klein, maar taai, volhardend en sportief en eiste daarmee onbewust mijn plek op. Ik werd getolereerd en was zelfs populair. Als ik hem zou verdedigen, vreesde ik dat de groep door mijn pantser zou kijken. Een open gesprek tussen ons was toen ondenkbaar. Je kon moeilijk met hem praten. Gek genoeg stootte die extreme verlegenheid van hem me ergens af, juist omdat ik mijn eigen timiditeit weigerde te tonen en overschreeuwde met competitiviteit. Pas aan het einde van onze schooltijd, toen hij uitblonk in atletiek, veranderde hij uiterlijk.
Er was één specifieke herinnering die die nacht scherp terugkwam. Ooit had hij, schijnbaar uit het niets, zijn kin op mijn schouder gelegd. Ik had dat laten gebeuren. Het leverde me direct een betrapt gevoel op, juist omdat ik het toeliet. Meer is er nooit gebeurd, maar de herinnering bleef krachtig. Ludwig zou me later vertellen dat hij zich dit voorval absoluut niet meer herinnerde.
Toen de zondag aanbrak, fietste ik naar het vertrekpunt aan taverne Rivierenhof. Er zat geen enkel plan achter; ik was vrij en het was simpelweg de invulling van een lege namiddag. Ludwig was er al met de auto. Zodra we aansloten bij de groep van Natuurwijzer, werden we er haast vanzelf in opgeslorpt. Ludwig kende er een aantal mensen en bewoog zich makkelijk in dat gezelschap.
Tijdens de tocht stopte de gids geregeld om uitleg te geven, onder andere over de beemden die in de winter onder water werden gezet zodat er vruchtbaar slib kon achterblijven. Ik stelde hem een paar kritische vragen. Mijn biologiestudies mochten dan gestrand zijn, ik wist er genoeg van af om te beseffen dat ik de flora eigenlijk beter kende dan de gids. Het prikkelde me, maar ik slikte de rest van mijn opmerkingen in; ik wilde de man niet in verlegenheid brengen.
Ludwig liep rustig mee met een dure camera over zijn schouder. Hij was duidelijk de betere vogelaar van ons tweeën en de hele tijd op vinkenslag. Op een gegeven moment hield hij in en luisterde geconcentreerd. "Een zwarte specht," zei hij zacht, en wees de richting aan. Het was een vogel die ik nog nooit in mijn leven had gezien.
Na afloop gingen we in de taverne nog iets drinken. Ik bestelde een Duvel, Ludwig hield het bij een thee met citroen omdat hij nog moest rijden. De sfeer was ontspannen en we pikten de draad van de reünie weer op. Ik vertelde wat meer over mijn stukgelopen studie.
"Ik was toen gewoon nog een groentje," zei ik, terwijl ik mijn glas aannam. "De interesse was er absoluut, maar ik ging volledig onderdoor aan examenvrees."
Ludwig luisterde, knikte en nam een slok van zijn thee.
Ik keek naar het toestel dat naast hem op tafel lag. "Het is echt een mooie camera die je daar hebt," zei ik. "En ik ben stikjaloers op jouw vogelkennis."
Ludwig glimlachte even. "Jij weet alles over flora," zei hij nuchter. "We zijn complementair."
Het was een terloopse opmerking, maar ze klopte wel. Toen we later afrekenden en naar buiten liepen, stelde hij voor om dit nog eens te doen. "Ik trek bijna wekelijks wel naar een of ander natuurgebied," zei hij. "Je kan altijd mee als je zin hebt."
"Dat is goed," antwoordde ik. "Ik vond het een leuke namiddag. Zeker voor herhaling vatbaar."
Er werd verder niets bijzonders gezegd. We namen afscheid bij mijn fiets. Ik wist niet precies waarom ik opnieuw afsprak. We deden het gewoon, vanzelf en zonder reden.