Tussen de golven. Deel 10.

Plaats hier je eigen verhalen.
Gesloten
Wimmie
Berichten: 318
Lid geworden op: wo 01 jan 2020, 23:09
Vul het getal in: 123

Tussen de golven. Deel 10.

Bericht door Wimmie » wo 12 aug 2026, 06:01

Als Lars en ik naar onze fietsen lopen, kijkt hij me onderzoekend aan. Alsof hij al weet dat er iets veranderd is.
“Je hebt het verteld?” vraagt hij zacht.
“Ja. Thijs vroeg ernaar. Hij was niet eens verbaasd.”
“En de anderen?”
“Die weten het nu ook. Ze reageerden eigenlijk alleen maar leuk.”
Lars glimlacht, in zijn ogen zie ik iets van bewondering. “Je doet wel heel veel in een paar dagen.”
“Dat vind ik zelf ook. Soms sta ik versteld van mezelf. En vandaag hebben Thijs en ik twee Duitsers uit zee gered. Ze zwommen met die harde wind en die golfslag toch bij de golfbreker.”
Lars schiet meteen rechtop. “Met opzet? Of zoals ik toen?”
“Dat weet ik niet. Maar ze waren minstens zo geschrokken als jij.”
Hij knijpt zijn ogen samen. “Je laat het, hè!”
“Rustig maar. Ze zijn ver in de dertig, vaders van kinderen. Wordt niets.”
Lars grinnikt. “Mooi. Ik wil mijn kanjer niet kwijt.”
“En ik mijn drenkelingetje niet.”

Bij de fietsen vraag ik: “Wat is je plan? Ik had je niet verwacht, dus dit is een leuke verrassing. Maar wij eten om zes uur.”
“Wat jij wilt. Ik kan met jou mee, jij kunt met mij mee, als je maar op tijd thuis bent. Wij eten vanavond wat later.”
“Dan kun je het beste met mij meegaan. Dan hebben we iets meer tijd.”
Onderweg vraagt Lars ineens: “Zit er eigenlijk een verhaal achter dat woord ‘kanjer’ dat Thijs gebruikte?”
“Ja. Dat ging over die reddingsactie met die Duitsers.”

Ik vertel hem kort wat er gebeurd is: de stroming, de hoge golven, het moment waarop de mannen niet meer terug konden en Thijs en ik tegelijk wisten dat we moesten gaan.
Lars luistert zonder me te onderbreken. Pas als ik klaar ben zegt hij: “Dat ‘kanjer’ is helemaal terecht. Je kunt nu echt iets met al dat trainen van jou.”
“Misschien. Maar op zo’n moment denk je niet: nu ga ik dapper zijn. Je doet wat nodig is. Achteraf pas merk je wat er had kunnen gebeuren.”
“Dat wil ik volgend jaar ook kunnen,” zegt Lars. “Dan moet jij me inwerken.”
“Dat lijkt me geweldig,” zeg ik. Ik meen het meer dan ik durf te laten merken.

Even later zijn we bij mij thuis. Lars zet zijn fiets netjes naast de oprit, zodat mijn ouders nog bij de garage kunnen. We nemen wat te drinken mee en verdwijnen naar mijn kamer.
Daar vallen de woorden even weg. We zoenen, voorzichtig eerst, daarna vertrouwder, alsof we allebei willen voelen of wat we net hebben gezegd echt klopt.

Als we weer op adem zijn, blijft Lars me aankijken.
“Hoe kijk jij nu naar mij?” vraagt hij. “Nu je het op de toren hebt verteld?”
“Als mijn vriendje,” zeg ik. Het klinkt simpel, maar mijn hart slaat er harder van. “Ik ben verliefd op jou. Toen ik je zoeven zag staan, werd ik meteen helemaal blij. Toen wist ik het zeker.”
Lars ademt langzaam uit. “Dan zeg ik het nu gewoon: ik houd van jou, Leon.”
“Dan antwoord ik: ik houd ook van jou, lieve Lars.”
Daarna hoeven we allebei even niets meer uit te leggen.

Als het tijd wordt om te eten en Lars naar huis moet, rekken we het afscheid zo lang mogelijk.

“Zullen we iets voor morgen afspreken?” vraag ik.
“Als jij werkt, kunnen we misschien om en om bij elkaar eten,” stelt Lars voor. “Dan houden we daarna nog wat tijd over.”
“Goed idee. Ik vraag mijn moeder of je morgen hier kunt eten. Dan kom ik overmorgen bij jou eten.”
“Afgesproken. Ik kom je ophalen. Heb ik meteen mijn beweging gehad.”
Zo spreken we af.

Die avond, vlak voor ik ga slapen, sturen we elkaar nog even een bericht.
Leon: Welterusten, lieve Lars. Droom zacht.
Lars: Alleen als jij morgen heel blijft, lieve Leon.

De volgende ochtend begint Lars vóór mij.
Lars: Goede morgen, mensenredder. Vandaag geen heldendaden, afgesproken?
Leon: Ik zal mijn best doen. De zee luistert niet altijd.
Lars: Dan moet jíj maar beter luisteren.
Leon: Bedoel je, naar de zee of naar jou, of naar alle twee?
Lars: Dat. Tot straks.

Die ochtend lijkt het alsof het strand de gemiste dagen in één keer wil inhalen. De zee is nog onrustig van de harde wind van gisteren; de golven rollen zwaar na, ook al is de lucht helder en staat er nauwelijks wind. Om half tien is het al boven de twintig graden.

“Gelukkig zijn we vandaag weer met z’n zessen,” zegt Thijs zodra ik aankom. Aan zijn blik zie ik dat hij dat niet zomaar zegt.
Thijs en ik beginnen op het strand, waar we meteen merken dat deze dag anders wordt dan de vorige.
Later gaan we de toren op, maar zelfs van bovenaf voelt het strand niet overzichtelijker. Aan het einde van de middag krijgen we opnieuw stranddienst.

Het strand loopt snel vol. Na een paar mindere dagen wil blijkbaar iedereen naar zee. Het is nog vloed aan het worden, waardoor het droge zand steeds smaller wordt. Kinderen bouwen kastelen op de rand van het water en juichen als de eerste golf hun muren aantast. Het ziet er gezellig uit, maar ik merk ook hoe weinig ruimte er overblijft.
Voetballen kan eigenlijk niet meer. Een paar jongens trappen de bal zo hard dat mensen wegduiken. We sturen ze naar het stuk buiten het bewaakte strand, waar meer ruimte is. Mopperend overleggen ze, maar uiteindelijk gaan ze toch.

“Zo druk,” zegt Thijs, terwijl hij langs de rijen handdoeken kijkt, “dan kun je wachten op zoekgeraakte kinderen.”

Hij krijgt gelijk. Net voor twaalf uur klinkt vanuit de toren de oproep: er wordt een jongetje van drie gezocht, Alex. Rossig haar, blauw zwembroekje, groot voor zijn leeftijd. Meteen scannen we de omgeving. Tussen parasols, koelboxen, rennende kinderen en opblaasbeesten kan een kind in een paar seconden verdwijnen.
Na een paar minuten komt er een meisje aanlopen met een huilend jongetje tegen zich aan geplakt. “Ik denk dat dit hem is. Hij huilt zo hard dat hij niet kan reageren op mijn vraag hoe hij heet.” zegt ze. Het jongetje snikt zo hard dat hij nauwelijks ademhaalt.
Ik hurk naast hem neer, maar hij klemt zich nog steviger aan het meisje vast. “Wil je even meelopen naar de toren?” vraag ik haar. “Hij vertrouwt jou duidelijk meer dan mij.”
Met de mobilofoon geef ik door dat Alex gevonden is. Zijn moeder is nog bij de toren en wacht daar op ons.
Zodra Alex zijn moeder ziet, schiet hij los en rent huilend op haar af. Ze zakt op haar knieën, trekt hem in haar armen en houdt hem vast alsof ze hem nooit meer loslaat.
“Dank je wel,” zeg ik tegen het meisje.
“Graag gedaan. Ik vond het zo zielig, zo’n kleintje alleen.”
“Fijn dat jij hem zag. Hij vond jou kennelijk een stuk aardiger dan mij.”
Ze lacht verlegen en loopt terug naar haar eigen plek.

Thijs kijkt haar na en zucht. “Dat zal wel niet de laatste zijn vandaag.”
Hij krijgt opnieuw gelijk. Aan het eind van de middag staat de teller op zes kinderen. Zes keer dezelfde schrik in andere ogen, zes keer dezelfde opluchting als iemand weer gevonden wordt.

Drenkelingen zijn er niet, gelukkig. Wel ruzietjes, boze ouders, kinderen die te fanatiek spelen en mensen die elkaar in de drukte sneller irriteren dan normaal. Meestal helpt rustig praten, maar niet altijd.

Er is één heel vervelend incident. Bij de andere strandploeg valt een duidelijk dronken man mensen lastig. Hij scheldt, beledigt voorbijgangers en komt steeds dichter bij gezinnen met kleine kinderen. Iemand waarschuwt de toren, en de toren stuurt de melding door naar Anette en Astrid. Als Thijs hoort dat zij ter plaatse zijn, kijkt hij kort naar mij. “Ik ga even helpen. Jij redt je hier?” Ik knik, ook al voel ik meteen hoe groot het strand ineens wordt.

Met de man valt niet te praten. Hij zwaait met zijn armen en stapt dreigend naar voren als Anette hem aanspreekt. Thijs aarzelt niet en laat de toren de strandpolitie oproepen. Ik hoor flarden over de mobilofoon en kijk tegelijk mijn eigen stuk strand af. Tien minuten later komt de wagen met zwaailicht en sirene over het harde zand, deels door het ondiepe water, langzaam laverend tussen badgasten door. Zelfs de sirene lijkt de man niet te bereiken. Uiteindelijk besluiten de agenten hem mee te nemen. Dat gaat met verzet, geschreeuw en twee paar handen die nodig zijn om hem de boeien om te doen.

Als Thijs terugkomt, ziet hij vermoeider uit dan na een redding uit zee. “Dit zijn rotmomenten,” zegt hij. “Ook dan moet je ingrijpen. Je moet weten wanneer je hulp nodig hebt.” Ik knik. Vandaag heb ik vooral geleerd dat lifeguard zijn niet alleen over de zee gaat.

Aan het eind van de dienst komt Lars me ophalen. Precies om half vijf stapt hij de toren binnen, alsof hij op een klok loopt. De avondploeg is dezelfde als gisteren. Roelof kijkt van Lars naar mij en grijnst.
“Hoe kom jij aan zo’n toegewijd vriendje?” vraagt hij.
“Ik heb hem eerst moeten redden,” zeg ik.
Roelof trekt zijn wenkbrauwen op. “Hoe bedoel je?”
“Zoals ik het zeg.”
Roelof kijkt naar Thijs. “Zeg jij er eens iets van.”
“Het klopt,” zegt Thijs droog. “Kijk maar terug in het logboek.”
“En nu zijn jullie vrienden?”
“Ja,” zeg ik trots. “Vriendje-vrienden.”
“Wauw,” zegt Roelof. “Mag ik daar iets over schrijven voor ons contactblad? Ik zit in de redactie.”
Ik kijk naar Lars. Hij mag dit mee beslissen.
Lars doet alsof hij diep nadenkt. “Alleen als je van mij een dappere en stoere drenkeling maakt. Anders willen ze me volgend jaar nooit als lifeguard.”
“Ik laat het jullie eerst lezen,” belooft Roelof. “Dit is een mooi verhaal: van drenkeling tot vriendje.”
“Van stoere drenkeling tot vriendje,” verbetert Thijs.
“Ik ga schrijven,” zegt Roelof, en hij klinkt alsof hij het artikel al in zijn hoofd heeft.

Als we naar huis fietsen, zegt Lars: “We worden nog beroemd.”
“Vergeet het maar. Ik word beroemd als jouw redder.”
“Maar volgens Thijs ben ik stoer.”
“Volgens mij ook,” zeg ik. Dat meen ik en is geen grapje.

Later op mijn kamer zakt de drukte van de dag langzaam van me af. Bij Lars hoef ik niet sterk te doen. Dat is misschien nog wel het fijnste: na een vermoeiende stranddag mag ik gewoon Leon zijn.

Als mijn moeder roept dat we kunnen eten, zijn we precies op tijd weer netjes genoeg om naar beneden te gaan.

Onder het eten moet ik natuurlijk vertellen wat er allemaal is gebeurd. Mijn ouders luisteren aandachtig, Lars zit naast me te glimmen. Ik merk dat ik groei in dit werk. Niet omdat alles makkelijker wordt, eerder omdat ik steeds beter zie wanneer iets gevaarlijk kan worden. Lars speelt daar een grote rol in. Hij maakt me niet groter dan ik ben, maar hij laat me wel geloven dat ik het kan.

Na het eten trekken we ons nog even terug op mijn kamer. Lars gaat niet te laat naar huis. Ik voel pas hoe moe ik ben als de stilte terugkomt.

Voor ik ga slapen, stuur ik hem nog één bericht. Niet omdat er nog iets besproken moet worden, maar omdat ik zijn naam even op mijn scherm wil zien.

Leon: Welterusten, lieve Lars. Morgen bij jou eten?
Lars: Ja. En morgen ben jij even niet de lifeguard.
Leon: Wat ben ik dan?
Lars: Gewoon Leon. Dat is genoeg.

Ik lees het drie keer voordat ik mijn telefoon wegleg. Buiten ruist de zee nog ergens heel in de verte achter de duinen. Morgen is er weer strand, weer een dienst, weer van alles dat kan gebeuren. Maar voor nu is dit genoeg: Lars, zijn bericht, en het gevoel dat ik niet alles alleen hoef te dragen.

Gesloten