Tussen de golven. Deel 6.

Plaats hier je eigen verhalen.
Wimmie
Berichten: 309
Lid geworden op: wo 01 jan 2020, 23:09
Vul het getal in: 123

Tussen de golven. Deel 6.

Bericht door Wimmie » za 08 aug 2026, 06:20

De volgende dag regent het alsof een sluis is opengezet. Ik trek mijn regenpak aan en fiets naar de toren, mijn hoofd diep tussen mijn schouders. Het weerbericht belooft weinig goeds: eerst bakken regen, daarna misschien even zon, en vervolgens opnieuw buien. Geen strandweer. Eerder een dag waarop zelfs meeuwen beschutting zoeken.

Thijs staat al binnen als ik druipend binnenkom. Hij grijnst. “Leon komt ons versterken. Misschien hebben we straks vier kaartliefhebbers.”
Ik kijk hem verbaasd aan.
“Grapje,” zegt hij. “Maar met dit weer hoeven we vandaag geen mens op het strand te verwachten.”
“Volgens Buienradar breekt de zon straks nog door.”
Thijs werpt een blik naar buiten. “Ik vertrouw liever op de lucht. Noordwestenwind, kracht vijf. En alles is loodgrijs tot aan de horizon. Die zon is nog ver weg.”
“Afwachten,” zeg ik. “Trouwens: ik houd niet van kaarten.”

“Mooi,” zegt Thijs. “Dan werken we de voorraadlijst bij.”
“De voorraadlijst?” vraag ik.
“Kleding, rescue tubes, portofoons, EHBO-spullen, noem maar op. Alles moet kloppen. Om de zoveel tijd controleren we of er iets mist of aangevuld moet worden. Dit seizoen ben ik daarvoor verantwoordelijk. Als we het samen doen, weet jij meteen hoe het werkt.”

Thijs pakt een map uit de kast en schuift die naar me toe. “Kijk maar.”
De lijst is langer dan ik had verwacht. Er staan dingen op waarvan ik niet eens wist dat we ze hadden.
“Handig,” zeg ik. “Zo weet ik meteen wat er allemaal in huis is.”

We zijn uren bezig met tellen, afvinken en zoeken naar spullen die net ergens anders blijken te liggen. Ondertussen blijft de regen tegen de ramen slaan.
“Wat gebeurt er als het de hele dag zo blijft?” vraag ik.
“Dan mag er rond de lunch één team naar huis. Twee teams blijven tot het einde van de middag. De avondploeg beslist zelf wat nodig is, maar er moet altijd minstens één team aanwezig zijn.”

We lunchen met elkaar. Daarna wordt de regen zachter, maar de lucht blijft dicht. Pas rond half vier breekt er iets open. Het wordt droog, al laat de zon zich niet zien. De thermometer haalt met moeite zeventien graden.

Als ik om half vijf de trap afloop, staat Lars beneden. Mijn hart maakt een onverwachte sprong.
“Het was eindelijk droog,” zegt hij. “Ik had zin om te fietsen en dacht: ik haal jou op.”
Hij ziet vast mijn gezicht, want meteen vraagt hij: “Vind je dat vervelend?”
Ik aarzel. “Nee. Ik ben verrast. We hadden morgen afgesproken, ik had je niet verwacht. Vervelend vind ik het niet. Integendeel.”
Dat laatste floept eruit voordat ik er goed over na kan denken.

“Nu je hier toch bent,” zeg ik snel, “zullen we wat drinken bij het strandpaviljoen? Die kunnen vandaag wel wat klandizie gebruiken. Ik trakteer.”
Lars’ gezicht licht op. “Prima idee.”

We lopen naar de strandtent. Binnen zitten een paar mensen; de wind duwt af en toe tegen de ramen.
“Rustige dag?” zeg ik tegen het meisje dat onze bestelling opneemt.
“Saai vooral,” zegt ze. “Voor jullie ook zeker. Jij bent toch lifeguard?”
“Klopt. We hebben binnen gezeten. Als het morgen weer zo is, heb ik geluk: dan ben ik vrij.”

Als ze weg is gelopen kijk ik Lars aan.
“Mag ik je iets vragen?” Lars knikt.
Ik haal diep adem. “Hoe kijk jij eigenlijk tegen mij aan?”
Zodra de woorden eruit zijn, schrik ik van mezelf en kleur. Zo direct ben ik nooit.
Lars kleurt ook. Hij kijkt niet weg.
“Het valt nogal op dat ik je steeds opzoek,” zegt hij zacht. “Misschien wil ik dat ook wel. Dus eerlijk? Ik vind je leuk. Heel leuk.”

Mijn keel wordt droog. “Dus je valt op jongens?”
“Ja.” Hij glimlacht. “Vind je dat vervelend?”
Ik schud mijn hoofd. “Nee. Spannend.”
“Hoe bedoel je?”
“Omdat ik ook op jongens val,” zeg ik. “Alleen: niemand weet dat. Helemaal niemand.”
“Ook je ouders niet?”
“Nee. Jij bent de eerste tegen wie ik het hardop durf te zeggen. Misschien omdat jij het zelf ook bent. Ik ken je amper, toch vertel ik het.”
Lars ademt uit. “Dan heb ik goed gegokt. Ik hoopte het, maar ik wist het niet. En als ik ernaast zat, had ik weinig te verliezen. We kennen elkaar nog maar net.”

Een steek van twijfel schiet door me heen. “Dus je interesse in de lifeguardtraining was alleen maar een smoes?”
“Neen, joh!” zegt hij verontwaardig. “Ik heb me gisteren al ingeschreven als lid van de redddingsbrigade en me opgegeven voor de eerste cursus. Zwemmen vind ik echt leuk. Dat gaat gewoon door. Maar jou wil ik ook graag beter leren kennen.”
“Weten ze het bij jou thuis?”
“Ja. Al meer dan drie jaar. Mijn tweelingzus vermoedde het als eerste. Toen we twaalf waren vroeg ze zomaar of ik verliefd werd op jongens of meisjes. Bij mij waren het jongens. Bij haar ook.” Hij grijnst. “Vaak zelfs dezelfde jongens.”

“Dan ben jij een stuk verder dan ik. Heb je weleens een vriendje gehad?”
“Ja. Toen ik veertien was, een half jaar. Het was leuk, tot we elkaar vooral begonnen te ergeren. We hebben er samen een punt achter gezet. Hij zit nog steeds in mijn vriendenkring. Hij was bij de andere zwemmers.”
Ik kijk naar mijn handen. “En jij bent dus verliefd op mij?”
“Behoorlijk,” zegt Lars. “Tot over mijn oren, heet dat. En jij?”
“Ik weet het niet. Ik vind je leuk. Je bent mooi, direct, en je weet wat je wilt. Dat bewonder ik. Maar het maakt me ook onzeker.”
“Onzeker? Jij hebt mij gered!”
“Toen had ik geen tijd om bang te zijn. Nou ja, heel even wel. Toen ik zelf in de stroom terechtkwam, sloeg de paniek even toe. Maar verder sta ik helemaal niet zo stevig in mijn schoenen. Daarom ben ik lifeguard geworden: om sterker te worden. Dat ik jou dit allemaal vertel, snap ik zelf amper.”
“Misschien kan ik je helpen sterker te worden.” zegt Lars.

“Waarom weten je ouders het niet? Verwacht je problemen?”
“Nee. Ik denk niet dat ze moeilijk zullen doen. Toch durfde ik het nooit.”
“Misschien vermoeden ze het al.”
“Misschien. We hebben het er nooit over gehad. Mijn ouders zijn ruimdenkend, dus problemen verwacht ik niet.”

Lars draait zijn glas tussen zijn handen. “En nu je weet wat ik voor je voel?”
“Ik vind het bijzonder. En spannend. Ik vind jou ook leuk, maar ik weet niet of ik verliefd ben. Ik ben nog nooit echt verliefd geweest.”
“Dan kijken we toch gewoon hoe het verder gaat?” zegt Lars. “Geen haast. We houden contact, spreken af, en jij geeft aan wat goed voelt.”
“Kun jij dat, terwijl je niet weet of ik hetzelfde voel?”
“Ja,” zegt hij. “Als jij eerlijk blijft en ik ook, dan is dat genoeg. Ik wil je niet opjagen.”
“Ik moet eraan wennen. Dit is allemaal nieuw voor mij.”
“Dat begrijp ik helemaal. We doen gewoon rustig aan. Jij bepaalt het tempo. Oké?”

Ik glimlach zenuwachtig. “Wat een gesprek. Een paar dagen geleden kende ik je niet eens. Nu ben jij de eerste die het van mij weet én ben je verliefd op me. Sinds wanneer eigenlijk?”
“Vanaf het moment dat we veilig op de kant stonden,” zegt Lars. “Toen mijn adem weer normaal werd en jij daar naast me stond. Ik keen goed naar je en ik was verkocht. Daarom kwam ik terug met mijn vragen. En daarom zocht ik je op toen je vrij was.”
“Je hebt er geen gras over laten groeien.”
“Nee,” zegt hij. “In dit soort dingen durf ik soms meer dan ik zelf verwacht.”

Ik kijk op mijn horloge en schrik. “Ik moet naar huis, anders ben ik te laat met eten. Morgen zien we elkaar weer. Fiets je mee?”
Ik reken af en samen fietsen we terug. Bij de afslag steekt Lars zijn hand op. Dan blaast hij, net voor hij wegrijdt, een kushandje naar me.

Het laatste stuk fiets ik langzamer dan normaal. Ik probeer alles op een rij te zetten. Lars is leuk. Lief. Hij geeft me vertrouwen. Hij is ruim een jaar jonger, maar dat maakt me niets uit. Hij heeft iets losgemaakt dat ik lang voor me uit schoof. Misschien moet ik het mijn ouders vertellen.

Tijdens het eten vertel ik over de regendag, de voorraadlijst en de lege toren. Daarna zeg ik, zo gewoon mogelijk: “Na mijn dienst stond Lars weer op me te wachten.”
Mijn moeder kijkt op. “Speciaal voor jou?”
“Ja. We zijn iets gaan drinken bij het strandpaviljoen. Daar heb ik hem gevraagd hoe hij tegen mij aankijkt.”
“En?” vraagt ze.
“Hij vindt me leuk. Heel leuk.”
“Verliefd?”
“Ja. Behoorlijk.”
“En jij?”
Ik staar even naar mijn bord. “Ik weet niet of ik verliefd ben. Ik vind hem wel leuk. En lief. Maar er is nog iets.”
Het wordt stil aan tafel. Mijn moeder legt haar vork neer. “Vertel.”
Mijn gezicht wordt warm. “Ik val op jongens. Ik weet het al een tijdje, maar ik durfde het nooit te zeggen. Vanmiddag heb ik het voor het eerst hardop tegen Lars gezegd.”
Mijn vader schuift zijn stoel iets naar achteren en kijkt me rustig aan. “Leon, jij bent wie je bent. Voor ons blijf je onze Leon, van wie we houden. Gay of wat anders, dat verandert niets.”
Pas dan merk ik dat ik mijn adem had ingehouden. Ik zucht diep.
“Had je een andere reactie verwacht?” vraagt mijn moeder.
“Niet echt. Toch is het lastig. Je zegt iets waardoor alles ineens echt wordt.”
“Voor ons verandert er niets,” zegt ze. “En Lars is altijd welkom.”

We praten er nog even over door. Niet lang, maar lang genoeg om te merken dat de spanning langzaam uit mijn schouders zakt.
“Ik ben blij dat het eruit is,” zeg ik uiteindelijk. “Ik ga het Daan ook snel vertellen. Dat is wel zo eerlijk.”

Na het eten bel ik Lars. Hij neemt meteen op. “Leon?”
“Ik heb het mijn ouders verteld,” zeg ik zonder omweg. “Over jou. En dat ik op jongens val.”
Even is het stil aan de andere kant. Dan zegt Lars: “Leon, wat goed. Hoe reageerden ze?”
“Goed. Heel goed zelfs. Ze weten van jou, en je bent welkom.”
“Hoe voelt dat?”
“Alsof er iets zwaars van me af is. Dus… bedankt. Zonder jou had ik het waarschijnlijk nog uitgesteld.”
“En wij?” vraagt hij voorzichtig.
“Wij?”
“Ja. Jij en ik.”
Ik glimlach, ook al kan hij dat niet zien. “Ik moet eraan wennen. Maar ik vind het leuk. Jij bent leuk. En het is spannend. Ik wil er open in gaan.”
“Dat klinkt goed, Leon. We zien elkaar morgen.”
“Tot morgen, Lars.”

Plaats reactie