Vandaag is mijn derde dag als lifeguard. De eerste twee dagen leken bijna te makkelijk: zon, weinig wind, een kalme zee en badgasten die zich voorbeeldig gedroegen. Vannacht veranderde alles. Om twee uur werd ik wakker van een onweersbui die tegen de ramen sloeg. Nu, op de fiets op weg naar het strand, duwt de wind me bijna terug naar huis. De lucht is opengebroken, maar achter elke strook zon schuift alweer een wolk. Ik trap harder dan de afgelopen dagen en kom toch te vroeg aan.
“Dit wordt een andere dag,” zegt Thijs zodra hij me ziet. Hij kijkt niet naar mij, maar naar de zee. “Minder mensen op het strand, maar iedereen die het water ingaat vraagt meer aandacht. De branding is ruwer en bij de golfbrekers zal stroming ontstaan. Dat merk je pas als je erin zit.”
“Doen we dan dingen anders?” vraag ik.
“In de basis niet,” zegt hij. “Maar vandaag kijk je niet naar handdoeken en zonnebrand. Vandaag kijk je naar hoofden in het water.”
Net als op mijn eerste dag werken we met Joost, Karin, Anette en Astrid. Astrid is pas in haar tweede jaar, maar ze beweegt al alsof ze precies weet waar ze moet staan.
Thijs en ik beginnen links van de toren. De wind snijdt kouder dan ik had verwacht. Zonder iets te zeggen geeft Thijs me een windjack. Hij heeft er zelf ook één aan.
De boot ligt klaar op het zand. Als we erlangs lopen, tikt Thijs met zijn hand tegen de rand. “Als we hem vandaag nodig hebben, wordt het hard werken om hem door de branding te krijgen. Als het op het strand rustig blijft, oefenen we straks.”
Om half elf is het strand nog leeg. Geen parasols, geen kinderen met schepjes, geen mensen die twijfelen aan de waterlijn. Alleen wind, schuimkoppen en het geluid van golven die breken.
Omdat er nog niemand in zee is, besluit Thijs de boottraining meteen te doen. Astrid vraagt of ze mee mag. “Juist met dit weer leer je het,” zegt ze, al klinkt er ook spanning in haar stem. We trekken jack, broek en shirt uit, lopen in zwemkleding naar de boot en trekken hem samen het water in. Thijs duwt van achteren. Zodra de eerste golf tegen mijn benen klapt, voel ik hoe koud de zee is.
Thijs klapt de motor omlaag, start hem en wijst naar voren. “Vasthouden. We gaan door de branding.”
De boot stampt tegen de golven. Mijn handen klemmen zich om de rand. Astrid grijnst naar me, maar haar knokkels zijn wit. Achter de branding wordt het rustiger, al tilt de deining ons nog steeds op en neer. Thijs vaart richting de golfbreker en zet de motor zacht. Meteen voel ik het: de boot drijft niet naar het strand, maar juist naar zee.
“Kijk goed,” zegt Thijs. “De golven lijken je naar het strand te duwen, maar hier trekt de stroming je langs de golfbreker naar buiten. Ga je ertegenin, dan lukt het je niet. Wat je wel moet doen: je laat je meenemen tot de kracht afneemt en zwemt dan opzij, naar het midden tussen de golfbrekers. Pas daarna ga je terug naar de kust.”
“Mag ik dat voelen?” vraag ik voordat ik er langer over na kan denken.
Thijs kijkt me kort aan. Dan knikt hij. “Goed. Dát is de beste manier om het te leren. Je gaat met een rescue tube overboord. Je zwemt niet tegen de stroom in. Je voelt hem, blijft rustig en doet precies wat ik net zei. Wij blijven vlakbij.”
Ik doe het harnas van de rescue tube om en laat me over de rand glijden. Het water slaat als kou om mijn borst. Ik zwem van de boot weg en ineens grijpt de stroming me. Niet hard als een hand, maar onverbiddelijk. Mijn eerste gedachte is: terug. Mijn tweede: dat lukt niet. Mijn adem schiet omhoog. Dan zie ik de boot. Thijs staat achter het stuur, Astrid zit voorovergebogen naar mij te kijken. Ik dwing mezelf te doen wat hij zei. Meezwemmen. Niet vechten. De golfbreker schuift naast me voorbij. Pas als de trekkracht minder wordt, zwem ik opzij, naar het midden. Daar voelt de zee weer als zee en niet als iets dat me wil meenemen. Wanneer Thijs wenkt, zwem ik naar de boot. Astrid buigt over de rand, geeft korte aanwijzingen en trekt me met een verrassend sterke ruk naar binnen.
Ik blijf even zitten met mijn handen op mijn knieën. “Ik raakte bijna in paniek,” zeg ik. “Maar ik kon het stoppen. Ik ben blij dat ik dit gedaan heb.”
Thijs kijkt naar Astrid. “Wil jij ook?”
Astrid schudt haar hoofd. “Niet nu. Leon wordt koud. En eerlijk? Ik vond kijken al spannend genoeg.”
“Dan terug,” zegt Thijs. Tegen mij voegt hij toe: “Goed gedaan. Als het binnenkort misgaat, weet je tenminste hoe het voelt.”
Terug bij de toren droog ik me snel af en trek een droge zwembroek aan. De zon is verdwenen en de wind lijkt met elke vlaag sterker te worden. Iedereen zit boven in de toren. Het strand is nog steeds bijna leeg.
Ze feliciteren me alsof ik iets groots heb gedaan. Misschien is dat ook zo. Ik voel me niet langer alleen de jongen die meeloopt met Thijs. Ik voel me voor het eerst een beetje lifeguard.
Rond twee uur krijgt Thijs toch gelijk. Vijf jongens komen het strand op, luid genoeg om de leegte te breken. Ze kijken niet naar de lucht, maar naar de golven.
“Eens kijken wat die gaan doen,” zegt Karin.
Thijs kijkt naar mij. “We gaan. En neem een rescue tube.”
We gespen allebei een rescue tube om. Het harnas voelt ineens minder als oefenmateriaal en meer als iets wat ik echt nodig kan hebben.
Bij de jongens blijft Thijs rustig staan. “Gaan jullie zwemmen?”
“Zeker,” zegt één van hen. Hij heeft natte haren nog vóór hij in het water is geweest, alsof hij niet kan wachten. “Met dit weer is het juist mooi.”
“Mooi mag,” zegt Thijs. “Dicht bij de golfbrekers niet.”
“Weten we,” antwoordt de jongen. Te snel, vind ik.
Ze gaan het water in en zwemmen sterk door de branding heen. Even lijkt alles onder controle. Ze blijven in het midden, spelen met de golven en komen na een tijdje lachend terug.
“Straks nog een keer,” hoor ik één van hen zeggen.
Later komen er meer badgasten. Niet veel, maar genoeg om ons op het strand te houden. Mijn blik blijft steeds naar de golfbreker trekken. Ik weet nu wat daar gebeurt, ook als je het vanaf het strand nauwelijks ziet.
Thijs vertelt net over een redding van vorig jaar als er geschreeuw boven de wind uitkomt. Een van de jongens is toch te dicht bij de golfbreker gekomen. Hij slaat wild om zich heen. Elke poging om terug te zwemmen duwt hem verder de verkeerde kant op. “Rustig blijven!” roept Thijs. Joost en Karin rennen al naar de boot, die aan de andere kant van de toren ligt.
Mijn hart bonst, maar mijn hoofd is helder. “Ik kan erheen,” zeg ik tegen Thijs.
Hij kijkt me één seconde aan. “Weet je wat je moet doen?”
“Ja. Niet vechten tegen de stroom. Mee, opzij, boei ertussen.”
“Ga,” zegt Thijs. “Ik kom met de boot.”
Ik ren het water in zonder aan mijn kleren te denken. De eerste golf slaat tegen mijn borst en neemt mijn adem mee, maar ik duik door. “Rustig blijven!” roep ik. “Ik kom eraan!”
Ik zwem niet recht op hem af, maar gebruik de stroom. De ochtend zit nog in mijn lijf. De zee trekt, ik laat haar even winnen en schuif met haar mee naar de jongen toe.
“Help! Ik kan niet meer!” schreeuwt hij.
“Pak de drijver vast. Niet naar mij grijpen!”
Als ik bij hem ben, duw ik de drijver tussen ons in. Hij klampt zich eraan vast alsof het de rand van de wereld is. Zijn ogen zijn groot, zijn adem hapt.
“Ik dacht dat ik niet meer terugkwam,” zegt hij.
“Je bent er nog,” zeg ik. “Kijk naar mij. Rustig ademhalen. We laten ons even meenemen en gaan dan opzij.”
Ik hoor de motor. De boot komt door de golven heen omhoog en omlaag, dichterbij met elke klap van de boeg.
“Jij eerst de boot in,” zeg ik. “Ik blijf aan de andere kant. Laat je helpen.”
Pas als we allebei in de boot zitten, zie ik hoe oud hij is. Ongeveer mijn leeftijd. Hij trilt, niet van de kou.
“Je bent veilig,” zegt Thijs. Zijn stem is stevig, zonder haast. “Kijk naar mij. Rustig ademhalen.”
Dan kijkt hij naar mij. “Prima gedaan, Leon. Precies op tijd. En precies zoals het moet.” Die woorden komen harder binnen dan ik had verwacht. Ik voel mijn benen nu pas trillen.
Karin stuurt de boot door de branding terug en klapt de motor op zodra het kan. We trekken de boot op het zand. De vrienden van de jongen staan meteen om hem heen. Hun bravoure is verdwenen. Er wordt zacht gepraat, alsof de zee ineens ook hen heeft laten schrikken.
Ik loop naar hem toe. “Ik ben Leon. Blijf voortaan weg bij de golfbrekers.”
Hij knikt. “Lars,” zegt hij. “Ik heet Lars. En bedankt. Echt.” Zijn stem breekt bijna op dat laatste woord.
Daarna loop ik met Thijs terug naar de toren.
“Dat was goed werk,” zegt Thijs. “Niet omdat je heldhaftig het water in rende, maar omdat je nadacht. Je had de rescue tube, je gebruikte de stroom en je bleef bij hem rustig. Dat is waar een redding om draait.”
Ik slik. Trots voelt anders dan ik dacht. Niet groot en luid, maar warm en zwaar. “Zonder die tube had ik hem niet rustig gekregen.”
“Daarom draag je hem,” zegt Thijs. “Ook als je denkt dat je hem niet nodig hebt.”
Voor de tweede keer die dag kleed ik me om. Mijn droge kleren zijn niet meer droog en mijn reservezwembroek is nog klam. Het kan me weinig schelen. De kou zit minder diep dan de gedachte aan Lars’ ogen in het water.
Het laatste uur lopen we weer over het strand. Er gebeurt niets meer. Langzaam vertrekken de badgasten en als onze dienst erop zit, is het strand weer bijna leeg.
Bij het afscheid memoreert Thijs dat we allebei twee dagen vrij zijn en daarna weer samen werken. In het weekend wordt mooi weer verwacht. Drukker dus. Moeilijker misschien. Terwijl ik naar huis fiets, voel ik de wind opnieuw tegen me duwen. Maar deze keer trap ik niet harder omdat het moet. Ik trap harder omdat ik wil terugkomen.