Pagina 1 van 1

Zwemmen (Deel 1)

Geplaatst: zo 08 nov 2026, 15:18
door Amexic
Zwemmen (Deel 1)

Weerzien en samen op pad.

We liepen door het dorp over de promenade en zakten daarna af naar beneden, richting de waterval. In onze lichte zomerkleding viel de fysieke verandering van de afgelopen jaren niet te missen. We waren geen zestien meer; onze lichamen waren veranderd. Stevigere benen, een vastere manier van bewegen en stemmen die bij allebei merkbaar zwaarder klonken.

Ik merkte hoe sterk Otis gegroeid was en ik wist dat hetzelfde gold voor mij. Zijn houding was zelfverzekerder en rijper. Hij keek niet meer met echte tienerogen naar me, maar met de rustige, open blik van een jonge man. Het mooiste was misschien nog wel hoe vanzelfsprekend het voelde: zonder moeite of ongemak pakten we de draad van een paar jaar geleden gemakkelijk weer op.

Naarmate we de waterval naderden, zwol het geluid aan. Het geraas van het water dat tussen de rotsen door naar beneden stortte, overstemde alles om ons heen. De koele nevel sloeg als een dun laagje op mijn warme huid neer.
We stonden bij het stuifwater. Het geraas maakte praten lastig, waardoor het vooral aankwam op samen kijken en de rustige aanwezigheid van elkaar.
We liepen bij de waterval vandaan om beter te kunnen praten en gingen op een houten bankje zitten.
"De omgeving is in orde hier," zei Otis, terwijl hij zijn armen op de leuning liet rusten. "Ik heb de mogelijkheden voor bergwandelingen thuis al grondig bekeken. Ik denk niet dat ik nog aan het handje van mijn ouders ga lopen. Misschien kunnen we morgen met ons tweeën de bergen in, of heb jij nog verplichtingen?"

"Verplichtingen, wat zijn dat?" antwoordde ik lachend. "Ik voel alleen de verplichting om voldoende calorieën naar binnen te werken en 's avonds het zweet van me af te spoelen. Dat is alles. Ik ga mijn ouders alleen nog even moeten beloven dat we de paden volgen en voorzichtig zijn, en daarna zijn we morgen samen weg."
Otis glimlachte tevreden. "Perfect. Ik loop op GPS. Verloren lopen wordt een stuk moeilijker zo."

Onze ouders waren zelf op verkenning geweest. We aten 's middags samen in het restaurant van de camping.
"We gaan deze namiddag naar Bad Hofgastein, het zwembadencomplex verkennen. Gaan jullie mee?"
Het was amusant dat mijn moeder de vraag stelde, alsof we los van hen een twee-eenheid waren. We keken elkaar aan.
"Morgen trekken we de bergen in. Dat zwembad trekt me wel aan," zei ik.
"Op een namiddag kunnen we toch geen verre tocht doen," bevestigde Otis.

We reden met het gratis openbaar vervoer, ieder met een dagrugzak, want de grote handdoeken moesten mee.
"Handig die gratis bus. Daar gaan we misbruik van maken," lachte Otis.
Het complex was gigantisch. We verkenden alle zwembaden en de zwemvijver.
"Dit bad is het warmst, denk ik," zei ik.
"Waarom?"
"Aan de gemiddelde leeftijd van de baders te zien, en mijn moeder zit erin."
"Gaan we erbij? Ik wil alles proberen."
De watertemperatuur was 35 graden. Het deed deugd, maar de zon verblindde. We zwommen rechtstreeks naar binnen en lagen een tijdje op een plateau met ligbanken in het midden van het bad, half boven water te dobberen.
Otis droeg een strakke zwembroek, een blauwe met enkele felle kleurtoetsen. Ze sloot passend aan bij zijn donkere Indonesische huid. Hij was geen jongen meer die onzeker zocht naar een houding, maar iemand die prima in zijn vel zat.
Hij merkte mijn blik op en grijnsde. "Dit ligt echt comfortabel."
"Ja, maar ik wil verder op verkenning."
Buiten hadden we zicht op het familiebad. We zagen een joelende bende van de glijbanen denderen.
"Zullen we?"
"Te druk. Straks, als er nog tijd over is."
Het binnenbad was te veel op kinderen gericht. We begaven ons in de richting van de sauna's.
"Ooit gedaan?"
"Nee. Jij?"
"Een paar keer. Gelukkig hebben we een grote handdoek bij."
Otis las de informatie boven de poortjes. "Je moet achttien zijn. Familiesauna op woensdag- en zondagavond," las hij. "Ik mag nog niet binnen."
"Volgens mij ben je achttien," zei ik, terwijl ik mijn polsbandje richting de poortjes hield.
Otis keek me aan, waarna zijn mondhoeken langzaam omhoog krulden. Niemand die hier aan de ingang van het saunacomplex om een identiteitskaart ging vragen.
"Als jij het zegt," antwoordde hij. Hij zette zijn eerste stap naar het poortje. "Maar als ze me eruit gooien, is het jouw schuld."
"We kunnen ook zondagavond terugkomen." Maar Otis was al door het poortje.
Ik legde Otis de saunaregels uit. We legden onze zwembroeken in een vakje en namen een douche. Ik knoopte mijn handdoek om mijn heupen en ik lachte hem uit toen hij met de knoop worstelde.
"Hoe voel je je?" vroeg ik.
"Naakt," zei hij.
We liepen rond. Er waren allerlei soorten sauna's, van zestig tot negentig graden, en ergens in een hoek lag een rustige zwemvijver. We kozen een Finse sauna waar over een paar minuten een opgietritueel zou beginnen.
Ik wees hem erop dat je je handdoek ook onder je voeten moest leggen, precies zoals ik deed.
Met krachtige, ritmische bewegingen wapperde de saunameester de hete, geurige stoom over de saunagasten, waardoor er meteen een intense hittekik door de cabine trok. Nadat het water op de kachel was gegoten en de opgietmeester begon te wapperen, zag je Otis pas echt reageren: zodra de intense warmtegolf hem raakte, zakte zijn ademhaling naar een diep, rustig ritme en begon zijn donkere huid al snel intens te glanzen van het zweet.
We gingen afkoelen in de zwemvijver. Het kuuroordpubliek in de sauna's was eerder bejaard. Overal liepen oude mannen en vrouwen, sommigen zonder handdoek.
"Het is toch confronterend," gaf Otis aan.
"Voor we er zo uitzien, gaan er nog vele jaren verlopen," antwoordde ik. "Het leert je relativeren. Gelukkig kan ik af en toe naar jou kijken."
"Ik heb ook al rimpels," zei Otis droog. Hij hield zijn handen omhoog en toonde me zijn door het water verfrommelde vingers.
We zwommen een paar rondjes in de koele zwemvijver en zochten daarna een plek op de ligbedden in de middagzon om weer op te warmen.
"Niet te lang, voor je het weet verbrand je," merkte Otis op toen ik languit op mijn rug lag, mijn ogen halfgesloten tegen het felle licht.
"Jij hebt ook niet alles ingesmeerd," lachte ik terug. Mijn blik gleed openlijk naar beneden, waar op zijn plaatselijk lichtere huid een stevige, donkere pluk de onverbloemde aandacht trok. Hij lag er volkomen ontspannen bij, zijn schouders glanzend in de zon.
Otis reageerde niet direct. Ik had geleerd dat naakt zijn in een sauna heel natuurlijk aanvoelde en zelfs voor Otis, die pas zijn eerste sauna probeerde, leek het geen probleem.
"Voor herhaling vatbaar?" vroeg ik toen we ons even later weer aankleedden.
"Zeker. Dit was een nieuwe ervaring, maar ik voel me ook helemaal nieuw," antwoordde hij.

De volgende morgen waren we vroeg op en met een gevulde rugzak vertrokken we met ons tweeën, terwijl het natte ochtendgras fris tegen onze kuiten kriebelde. De waterdruppels parelden op onze ingevette bergschoenen.
De stilte van de ochtend maakte me bewust van ons samenzijn. We praatten honderduit over de voorbije jaren, tot de steile helling naar de bergpas ons het zwijgen oplegde. Ik liep achter Otis en volgde zijn vaste ritme.
"Je bent mijn sherpa," merkte ik op.
"Vraag niet van me dat ik je rugzak ga dragen," antwoordde hij zonder om te kijken. "En trouwens, ik ben een adoptiekind."
"Ik vraag geen onderdanigheid, het is een vaststelling. Je loopt voor me uit en die soepele tred doet me aan een sherpa denken. Je donkere benen maken de gelijkenis nog treffender."
"Het is Java," zei hij. " ... waarom me niet direct met Java-koffie associëren?"
We stopten op een plateau waar de zon volop scheen. Otis trok zijn T-shirt uit; zijn diep gebruinde armen staken fel af tegen het witte hemd dat hij eronder droeg. Ik pakte de tubecrème om me voor de tweede keer in te smeren.
"Jij hebt geluk, Java-jongen," zei ik. "Zonder T-shirt verbrand ik hier meteen. En mijn rug kan ik niet eens zelf doen."
Otis stak zijn hand uit en pakte de tube over. "Onderdanig ben ik niet," zei hij nuchter.
"Als ik een meisje was, zou je me dan wel...?"
"Niet van toepassing," zei hij kort, terwijl hij zijn ingesmeerde handpalmen aan mijn nek afveegde. "Want je bent geen meisje."

We kwamen boven in een maanlandschap van grijze rotsen en puinhellingen waar nauwelijks nog begroeiing te zien was.
"We zijn ongeveer halfweg nu," zei Otis terwijl hij even stil bleef staan om zijn adem te controleren.
Tijdens de afdaling liepen we nog altijd boven de boomgrens, omringd door uitgestrekte alpenweiden. We lieten de commerciële almhut links liggen om onze ouders niet op kosten te jagen.
"Ik heb zin in een biertje," zei ik.
"Ze zijn aanlokkelijk groot."

Bij een leegstaande berghut bleven we wel staan. De deur van de schuur was niet op slot. We duwden ze open en stapten naar binnen.
"Niet in gebruik," stelde ik vast.
"Wel redelijk netjes," antwoordde Otis, terwijl hij rondkeek in de koele ruimte waar een houten tafel en een paar kribben stonden. "Hier komen we overnachten."
"Je bent te avontuurlijk."
"Zo gewaagd lijkt dit me niet. Je ziet toch dat het al maanden leegstaat."

Onze mobilhomes stonden met de deur naar elkaar toe. We aten buiten met ons zessen aan de lange kampeertafel.
"Morgen trekken we er weer samen op uit," kondigde ik aan.
"We hadden niet anders verwacht," zei papa, "zolang jullie maar op de paden blijven."
"We blijven op het rechte pad," zei Otis.
"Dat betwijfel ik," zei zijn mama glimlachend. "Recht is altijd een leugen in de bergen."

Ik keek met Otis in onze kampeerwagen naar de kaart om te zien welke route hij morgen wilde volgen. Hij was goed in plannen en al kon ik zelf ook prima overweg met de GPS, voor mij maakte de route eigenlijk niet uit, zolang we maar naar het hooggebergte trokken.
"Gisteren was een inlooptocht," maakte Otis me duidelijk bij het vertrek ‘s morgens. Het verschil merkte ik snel onderweg, niet dat ik zijn tempo niet kon bijbenen. Hoe hoger, hoe kouder; beneden is het 's morgens nog koel omdat de zon nog moet opwarmen. Dus trek je je shirt uit als het warmer wordt en heb je het vaak weer nodig wanneer je hoger klimt. Otis had echter al bij het vertrek zijn T-shirt uitgedaan. Terwijl ik het nog behoorlijk fris vond, trok hij zich daar niets van aan. Hij wilde uiterlijk om één uur op de top staan. Twaalf uur had best gekund, als ik niet voor de nodige vertraging had gezorgd.

Het was geen competitie tussen ons, maar de hoogtevrees die me parten speelde. Die onzekerheid liet me overdreven voorzichtig zijn, met de neiging om me vast te klampen en gebogen te lopen over de smalle richels die Otis zonder aarzelen passeerde.
Otis had het door dat ik bijna blokkeerde. Hij praatte op me in.
"Zet je voeten daar. Kleine stapjes. Altijd in beweging blijven."
Waar stappen in klauteren overging, stelde hij me gerust: "Dit is een kort moeilijk stuk. Geef me maar een hand."
Ik was hem dankbaar voor zijn rustige hulp.
"Proficiat. Je hebt het gehaald," zei hij toen we op de top stonden. "Je ziet het, het viel best mee. Gevaarlijke paden zal ik nooit plannen."
"Ik sta nog te bibberen op mijn benen," antwoordde ik.
Otis lachte me inderdaad niet uit. Hij liet me even bijkomen op een vlakke steen, nam een slok uit zijn bidon en reikte hem mij toe.
"Eerst even stabiliseren en genieten van het uitzicht," zei hij. "Dan zakken we rustig af. Geen haast."

Toen we een stukje onderweg waren en de ademhaling weer normaliseerde, kwam de spottende humor bij hem toch boven.
"De volgende keer nemen we een touw mee," opperde hij terwijl hij behendig over rotsblokken laveerde. "Of zo'n tuigje met een musketonhaak. Kun je mooi aan mij vast."
"Let op je woorden," reageerde ik, blij dat de spanning in mijn benen langzaam wegzakte. "Voor je het weet hang ik de hele afdaling als een lastpak aan je rugzak."
"Een extra gewicht is goede training," antwoordde hij zonder om te kijken, met die vaste tred die me opnieuw aan een sherpa deed denken.
"Dan toch sherpa-ambitie," merkte ik op. "Niet dat mijn conditie slecht is, maar om je te trainen kom ik straks op je rug zitten. Smeer je benen al maar in."
Otis wierp een korte blik over zijn schouder, zijn donkere ogen schitterden in de middagzon. "Een serieuze klimmer klaagt niet en wijst de weg. Als het moet verwacht ik wel dat jij de GPS in de gaten houdt." We liepen met de smartphone en Otis had een Garmin-horloge; papieren kaarten gebruikten we al lang niet meer.

We daalden in een gestaag tempo af, de zwaartekracht was makkelijker te verdragen nu de steile afgrond achter ons lag en de groene hellingen van de alpenweiden ons tegemoet kwamen.
De angst verdween uit mijn benen, plaats makend voor de vertrouwde, vaste grond onder mijn voeten. Otis was allang geen jongetje meer. Hij was avontuurlijker dan ik, of misschien wilde hij simpelweg indruk maken. Bij een bergmeer bleef hij stilstaan, kleedde zich zonder aarzelen uit en stapte het water in. Lang hield hij het niet vol; het water was ijskoud. Kort daarna zat hij naast me op te drogen in de zon.
"Dat kippenvel staat je goed," lachte ik.
"Past beter bij een echte kip," antwoordde hij.
"En dat ben je niet?"
"Ik ben een Java-jongen," zei hij, "een geadopteerde Java-jongen."
"Waarom leg je daar steeds de nadruk op?" vroeg ik. "Voor mij ben je Otis die met mij op tocht wil. Java is mooi, maar adoptie heeft geen belang."
Hij wreef met de handen over zijn benen en armen om zich droog te wrijven en keek naar het rimpelende water van het meer.
"Weet ik," zei hij rustiger. "Het is niet meer dan de realiteit. Ik mag er geen punt van maken."
Hij stond op, trok zijn T-shirt weer over zijn hoofd en schouderde zijn rugzak. De pauze zat erop; we moesten door als we voor het donker bij de mobilhomes wilden zijn.

De ouders van Otis hadden gekookt. Er stond een pan vol dampende pasta op de kampeertafel en er kwam een fles rode wijn tevoorschijn.
"Mag Max wijn?" vroeg Otis' moeder Greta terwijl ze de glazen inschonk. De vraag leek aan mijn ouders gericht.
"Drink jij wijn, Otis?" vroeg ik.
"Zeker," antwoordde hij.
"Dan lust ik ook wel een glas, mevrouw," antwoordde ik te beleefd.
Mijn moeder glimlachte.
Er sneuvelde een tweede fles voor ons met zessen.
"Ik koop morgen een vaatje," stelde papa voor. "De jongens eten veel en dorst hebben ze ook."

We gingen het dorp in na het avondeten. Om onze bankkaart niet te hoeven aanspreken, had papa me een briefje van vijftig toegeschoven. "Voor jullie beiden. Op vakantie zijn we niet krenterig."
Het briefje verdween in mijn broekzak. Even later liepen we de camping af, het dorp in. De avondkoelte liet zich al voelen, maar na de kilometers van vandaag voelde het goed de benen nog even te strekken.
"Een vaatje," zei ik tegen Otis. "Je vader onderschat onze capaciteiten niet."
"Die kan gewoon goed inschatten," antwoordde Otis laconiek. "We kruipen morgen die rotsen op, dus we verbruiken het wel weer."

We liepen wat rond in het dorp.
"Dit briefje hoeft vandaag niet op," zei ik terwijl ik het in mijn zak voelde zitten. "Er volgt vast wel een nieuw, maar sparen voor iets leuks samen lijkt me aantrekkelijk."
Ik trakteerde Otis op een halve liter in een café. "De overschot is voor later."
"Of we nemen een vaatje mee wanneer we in die hut gaan overnachten," reageerde hij lachend.
"Die hut heeft zich toch goed in je hoofd genesteld," antwoordde ik.
"Het is maar een gedachte," wierp hij tegen, "en een kans om onze mogelijkheden te vergroten. Het zou een perfecte hub zijn voor een tweedaagse tocht."
We liepen terug naar de camping, de frisse berglucht in. Het briefje van vijftig bleef veilig in mijn portefeuille.

Toen we onze mobilhomes opzochten en de dag afsloten, spraken we in het halfduister vage plannen uit over wat we met ons geld zouden doen: misschien een mountainbike huren of dat zwemparadijs met sauna's opzoeken. Dat koude bergmeer was gratis en leuk voor één keer, maar dat complex was een ander verhaal.
"Ik wil die oude mannen daar in die sauna nog een keer gaan bewonderen," lachte ik.
"Of jezelf laten bewonderen?" pareerde Otis meteen.
"Geen behoefte aan gluiperige mannen. Maar af en toe geef ik mijn ogen de kost. Kijken mag altijd."
"Maar aankomen niet?"
"Hangt ervan af," zei ik snel, voordat we allebei naar onze eigen deur instapten om te gaan slapen.

De volgende ochtend stonden we al vroeg bij het dalstation. Met de kabelbaan gleden we in een paar minuten tijd omhoog over de beboste hellingen, tot we boven op de kam werden afgezet waar de frisse berglucht meteen de haartjes op mijn armen overeind zette. We gingen een hele dag op pad, maar in een rustig tempo.
Onderweg stonden we stil bij een steile rotswand waar wat klauteraars met helmen en gordels hingen. Otis keek ernaar met een blik in zijn ogen die ik inmiddels kende.
"Zullen we die Via Ferrata pakken?" opperde hij.
Ik schudde mijn hoofd en wimpelde het direct af. "Misschien tijdens onze tweedaagse," zei ik. "Dan heb je jouw hoogtepunt."
Hij grijnsde, niet teleurgesteld maar wel uitgedaagd. "Noteer hem maar vast in je agenda."
"Er zijn ook gemakkelijke via ferrata's," stelde Otis me gerust. "Ik forceer je niet. Denk er maar over na. Ik zorg er wel voor dat mijn hoogtepunt ook het jouwe wordt. Soms moet je je grenzen durven overschrijden."
Hij zei het zonder overdreven dramatiek, gewoon met die nuchtere vanzelfsprekendheid die me tegelijk op mijn gemak stelde en uitdaagde.
We daalden af door het bos, waar het licht door de kruinen filterde en de bodem bedekt was met een dikke, groene deken van varens. Je zou dat overdadige groen bijna saai kunnen noemen, maar de stilte die er hing maakte het overweldigend.
"Het leven is mooi," zei ik.
"Meneer wordt filosofisch," lachte Otis me uit.
"Ik meen het."
"Het spijt me," corrigeerde hij, en hij legde even een hand op mijn schouder.
"Het is het groen wat zo indrukwekkend is, nog meer dan de stilte," voegde ik eraan toe. "Dit is geen gewoon bos."
Otis knikte traag, zijn ogen dwalend over de varens die de volledige onderlaag van het bos vormden.
"Varens," zei hij. "Veel varens."
"Biologie is niet je sterkste punt."
"Hoef ook niet. Ik ben vatbaar voor schoonheid. Jij past perfect op een bedje van groene varens."
"Jou leg ik op een strak wit laken."
"Opgebaard?"
"Nu ga je te ver met je fantasie," zei ik, terwijl we het tempo weer wat opvoerden en het pad door het groen naar beneden kronkelde.