Pagina 1 van 1

Dezelfde baan. Deel 8. Breekpunt.

Geplaatst: do 29 okt 2026, 09:28
door Wimmie
Sander:

De stoel naast Marcel is niet vrij.
Dat is het eerste wat ik zie wanneer ik dinsdagochtend het lokaal binnenkom. Ruben zit er, voorovergebogen boven een wiskundesom, terwijl Marcel hem iets aanwijst met zijn pen.
Er zijn genoeg andere plaatsen. Toch blijf ik een seconde te lang bij de deur staan.
Marcel kijkt op. Zijn blik raakt de mijne en wijkt meteen naar zijn schrift.
Ik ga aan de andere kant van het lokaal zitten.
Niemand vraagt waarom. Dat maakt het niet beter.

Gisteren heb ik mezelf voorgenomen dat ik hem niet achterna ga lopen. Als Marcel tijd nodig heeft, kan hij die krijgen. Als hij denkt dat wat tussen ons bestaat voor mij minder betekent, ga ik hem niet smeken om het tegendeel te geloven.
Dat plan houdt stand tot halverwege het eerste lesuur.
Dan draait Marcel zijn pen tussen zijn vingers. Eén keer. Het teken dat hij bij een moeilijke vraag eerst naar een voorbeeld moet zoeken.
Ons teken.
Misschien doet hij het zonder na te denken. Misschien wil hij dat ik het zie. Ik kijk naar mijn eigen boek voordat ik kan besluiten welke mogelijkheid erger is.

In de pauze zit ik met twee klasgenoten bij het raam. Marcel kiest een tafel aan de andere kant van de aula. Hij opent zijn broodtrommel en legt zijn schrift ernaast, precies zoals op mijn eerste schooldag.
Alleen kijkt hij dit keer niet op wanneer ik binnenkom.

“Hebben jullie ruzie?” vraagt het meisje naast me.
“Wie?”
Ze knikt naar Marcel. “Jij en je schaduw.”
“Hij is mijn schaduw niet.”
“Jij de zijne dan.”
Ik lach alsof het niets is. Aan de overkant schuift Marcel zijn schrift dicht.

Na school wacht ik niet bij de fietsenstalling. Ik fiets alleen naar huis en zet onderweg muziek aan die te hard staat. Bij de kruising rem ik uit gewoonte.
Er is niemand naast me.

Tijdens de avondtraining is vermijden moeilijker. We kunnen op school andere stoelen kiezen. In het zwembad delen we nog steeds een estafette.
De coach roept ons naar de badrand. “Over negen dagen is de kwalificatiewedstrijd. Vanavond wil ik volledige series. Geen experimenten meer.”
Marcel staat twee plaatsen bij me vandaan. Hij knikt naar de coach, niet naar mij.
We spreken alleen wanneer het moet.
“Vast tempo in de laatste tien meter?” vraag ik.
“Ja.”
“Vertrek op mijn aantik?”
“Zoals altijd.”
Zoals altijd bestaat niet meer.

De eerste wissel is bijna een halve seconde trager dan vorige week. Bij de tweede vertrek ik te voorzichtig. De coach tikt met zijn stopwatch tegen zijn klembord.
“Jullie wachten op elkaar alsof jullie elkaar niet kennen.”
Marcel trekt zijn zwembril omhoog. “Nog een keer.”
Hij zegt het tegen de coach. Vroeger zou hij het tegen mij hebben gezegd.
We proberen opnieuw. Ik zwem aan, houd de laatste tien meter gelijk en tik de wand aan. Marcel vertrekt een fractie te laat. Zijn duik is goed, maar de ruimte tussen mijn aantik en zijn voeten voelt enorm.
Wanneer hij terugkomt, zeg ik: “Je wachtte.”
“Jij veranderde je slag.”
“Nee.”
“Je laatste twee slagen waren korter.”
Hij heeft gelijk. Dat maakt me bozer.
“Dan ken je me blijkbaar toch nog,” zeg ik.
Zijn kaak spant zich aan. “We trainen.”
“Dat is het enige waar we nog over mogen praten?”
“Niet hier.”
Dezelfde woorden. Opnieuw.

De coach fluit. “Als jullie klaar zijn met fluisteren, wil ik graag mijn estafette terug.”
De andere twee zwemmers kijken de andere kant op. Zelfs Daan maakt geen grap.
Onze totaaltijd is anderhalve seconde langzamer dan onze beste. De volgende serie bijna twee. Op de fiets naar huis kies ik een andere route.

De dagen daarna worden we beleefd.
Beleefd is erger dan ruzie.
Marcel vraagt of ik zijn boek kan doorgeven. Ik zeg ‘natuurlijk’. Ik vraag welk lokaal we hebben. Hij noemt het nummer. In de kleedkamer schuift hij opzij wanneer ik langs wil. Op school houdt hij deuren voor me open.
We raken elkaar niet meer per ongeluk.

Vrijdag laat de coach ons alleen wissels oefenen. Na drie mislukte pogingen legt hij zijn stopwatch neer.
“Wat is er aan de hand?”
“Niets,” zegt Marcel.
Het woord steekt nog steeds.
“We zijn moe,” zeg ik.
De coach kijkt van hem naar mij. “Dan zijn jullie toevallig allebei op precies dezelfde manier moe.”
Niemand antwoordt.
“Zondag oefenen we de volledige wedstrijdopstelling,” zegt hij. “Dan wil ik geen vermoeide zwemmers, geen stiltes en geen verrassingen.”

Zondag staat de tribune leeg. Het bad is gereserveerd voor de wedstrijdgroep en boven ons branden alle lampen. Niets kan zich in de schaduw verbergen.
De coach zet ons in wedstrijdvolgorde. Marcel zwemt voor mij. Precies zoals we maanden hebben geoefend.
Ik sta op het blok en kijk naar hoe hij aanzwemt.
Vroeger herkende ik zijn aantik voordat hij bij de vlaggetjes was. Nu zie ik alleen alles wat verkeerd kan gaan. Zijn laatste slag wordt langer. Of korter. Hij kijkt naar de muur. Of misschien niet. Mijn benen spannen zich te vroeg.
Ik wil niet weer wachten.
Ik vertrek.
Nog voor ik het water raak, hoor ik de dubbele fluit.
Ik kom boven en weet meteen wat ik heb gedaan. Aan de kant slaat de coach met zijn hand op het water.
“Eruit.”

Marcel hangt nog bij de wand. “Je vertrok voordat ik aantikte.”
“Dat weet ik.”
“We hebben dit honderden keren geoefend.”
“Ik zei dat ik het weet.”
Ik zwem naar de kant. Hij klimt naast me uit het water.
“Waarom deed je het dan?” vraagt hij.
Zijn stem is hard genoeg om door de hele hal te dragen.
“Omdat ik niet wist wanneer je zou aantikken.”
“Je wist het altijd.”
“Toen keek je nog naar me.”
De andere zwemmers worden stil. De coach zet een stap naar voren, maar Marcel is sneller.
“Dus dit is mijn schuld?”
“Nee. De valse start is van mij.”
“Mooi. Dan zijn we klaar.”
Hij draait zich om.
“Dat doe je steeds,” zeg ik.
Marcel blijft staan.
“Zodra het niet meer alleen over zwemmen gaat, ben je klaar. Niet hier. Niet nu. Later. En dan zorg je dat later nooit komt.”
Hij draait zich terug. Water loopt langs zijn gezicht. “Jij wilde tijdens een oefenestafette praten over zaterdag.”
“Omdat je daarbuiten doet alsof ik niet besta.”
“Ik probeer te zorgen dat niet iedereen zich ermee bemoeit.”
“Door mij weg te duwen voordat iemand anders het kan doen.”
“Jij snapt niet wat er op het spel staat.”
“Jawel.” Mijn stem breekt bijna op dat ene woord. “Jij staat op het spel.”
Marcel kijkt weg.
“En blijkbaar de estafette,” voeg ik eraan toe.

“Stop.”
De coach staat tussen ons voordat ik merk dat hij heeft bewogen. Zijn stem is laag. Dat is erger dan wanneer hij schreeuwt.
“Ik weet niet wat er tussen jullie speelt en dat hoef ik op dit moment ook niet te weten. Ik zie twee zwemmers die binnen twee weken alles zijn kwijtgeraakt wat hen sterk maakte.”
Hij wijst naar het startblok. “Vertrouwen. Timing. Aandacht. Alle drie weg.”
Niemand beweegt.
“De kwalificatiewedstrijd is vrijdag,” gaat hij verder. “Als ik donderdag niet zie dat jullie weer een wissel kunnen zwemmen zonder elkaar te straffen, kies ik twee anderen.”
Marcel kijkt op. “Coach…”
“Nee. Jullie hebben genoeg gepraat zonder iets op te lossen.” Hij pakt zijn stopwatch op. “Naar de kleedkamer. Allebei.”

We lopen naast elkaar naar binnen zonder elkaar aan te raken.
In de kleedkamer pak ik mijn tas. Marcel zit op het bankje met zijn ellebogen op zijn knieën.
“Het spijt me van de wissel,” zeg ik.
Hij knikt. “Mij ook.”
Ik weet niet of hij de wissel bedoelt.
“Misschien moet je iemand anders kiezen,” zeg ik.
Hij kijkt op. “Wat?”
“Voor de estafette. Dan hoef je niet bang te zijn dat ik verkeerd vertrek.”
“Dat is niet wat ik wil.”
“Je weet niet wat je wilt.”
Zijn gezicht sluit zich. “Ga dan.”
Deze keer doe ik het.

Thuis zet ik mijn fiets zo hard tegen de muur van de schuur dat mijn moeder vanuit de keuken roept of alles goed gaat.
“Prima,” roep ik terug.
Het woord begint in onze omgeving gevaarlijk vaak niets te betekenen.

Op mijn kamer open ik de groepsapp van de estafette. De coach heeft de tijden gestuurd. Naast onze serie staat: ongeldig: te vroege wissel.
Ik typ een bericht aan hem.
‘Misschien is het beter als iemand anders vrijdag zwemt.’
Mijn duim blijft boven verzenden hangen.

Er wordt op mijn deur geklopt. Mijn broer steekt zijn hoofd naar binnen. “Mam zegt dat je prima bent op een manier die niet prima klinkt.”
“Sinds wanneer vertaal jij haar?”
“Sinds jij deuren dichtgooit.” Hij ziet mijn open sporttas. “Zwemmen?”
“Onder andere.”
Hij gaat op mijn bureaustoel zitten. “Marcel?”
Ik kijk hem aan. “Waarom denkt iedereen meteen aan Marcel?”
“Omdat je sinds de verhuizing over niemand anders praat.”
Dat zou grappig zijn geweest als het minder waar was.

Ik vertel hem niet alles. Alleen dat we ruzie hebben, dat ik de estafette misschien verpest en dat Marcel zich gedraagt alsof afstand veiliger is.
Mijn broer luistert zonder een rekensom van mijn leven te maken. Daarna kijkt hij naar mijn telefoon.
“Ga je dat versturen?”
“Misschien.”
“Wil je stoppen?”
“Ik wil niet met iemand op een blok staan die me buiten het water niet naast zich wil hebben.”
Hij knikt. “Dat is niet hetzelfde als willen stoppen.”
Ik verwijder het bericht niet. Ik verstuur het ook niet.

Maandag is Marcel niet bij de ochtendtraining. De coach zegt alleen dat hij zich heeft afgemeld. Op school komt hij pas bij het tweede uur binnen. Zijn ogen zijn rood, alsof hij slecht heeft geslapen.
Hij gaat naast Ruben zitten.
In de middag zie ik hem bij de fietsenstalling met zijn moeder. Ze geeft les op school en draagt een stapel mappen tegen haar borst. Marcel zegt iets. Zij legt haar hand kort op zijn arm.
Ik loop door voordat hij mij ziet.

Dinsdag traint hij weer. Hij praat met de coach voor we beginnen. Daarna komt hij naar mijn baan.
“Vast tempo,” zegt hij.
“Goed.”
“Ik verander niets in de laatste tien meter.”
“Ik ook niet.”
Onze eerste wissel is geldig. Niet snel. Geldig.
De coach noteert de tijd. “Nogmaals.”
De tweede is iets sneller. Bij de derde wacht Marcel niet te lang en vertrek ik niet te vroeg. Toch voelt het alsof we een beweging nadoen die vroeger vanzelf ging.
Na afloop pakt Marcel zijn tas voordat ik iets kan zeggen.
“Mijn ouders weten dat we ruzie hebben,” zegt hij ineens.
Ik kijk op. “Over ons?”
Hij aarzelt. “Ze weten al dat ik op jongens val. Nu weten ze ook dat er iemand is die ik heb gekwetst.”
Mijn boosheid verschuift. Niet weg. Genoeg om weer te kunnen ademen.
“Wat zeiden ze?”
“Dat ik iets belangrijks niet aan de hele wereld hoef uit te leggen.” Hij kijkt naar de vloer. “Maar wel tegenover jou.”
Ik wacht op de uitleg.
Marcel trekt de rits van zijn tas dicht. “Niet hier.”
Hij schrikt zelf van de woorden.
Ik lach één keer, zonder plezier. “Natuurlijk.”
“Sander, zo bedoel ik…”
“Donderdag moeten we zwemmen. Laten we dat dan maar doen.”

Donderdag zetten we onze beste tijd van de week neer. Nog steeds langzamer dan vóór de ruzie, maar goed genoeg dat de coach onze namen niet vervangt.
“Jullie zwemmen morgen,” zegt hij. “Of jullie daarna nog een duo zijn, zoeken jullie zelf maar uit.”
De opluchting blijft uit.

In de kleedkamer opent Daan zijn mond wanneer Marcel en ik binnenkomen. De coach kijkt hem één keer aan. Daan besluit dat zijn schoenen interessanter zijn.
Ik kleed me snel om. Marcel doet hetzelfde. Buiten pakken we tegelijk onze fietsen, maar geen van ons vraagt welke route de ander neemt.
“Tot morgen,” zegt hij.
Niet ‘naast elkaar’. Niet ‘reken daar maar op’.
“Tot morgen,” zeg ik.

Thuis ligt het onverstuurde bericht aan de coach nog steeds in mijn telefoon. Ik lees het opnieuw.
‘Misschien is het beter als iemand anders vrijdag zwemt.’

Vrijdagavond begint de wedstrijd om zeven uur. Om vier uur besluit ik dat ik het bericht verwijder. Niet omdat alles goed is. Omdat vertrekken voordat Marcel aantikt al één keer genoeg schade heeft aangericht.

Ik pak mijn tas in. Zwembroek. Bril. Twee handdoeken. Clubshirt. Fles water. Alles ligt op dezelfde plek als bij iedere wedstrijd, maar ik controleer het drie keer.
Mijn broer blijft in de deuropening staan. “Ga je zwemmen?”
“Dat is meestal wat je doet bij een zwemwedstrijd.”
“Met hem?”
“Ook.”
Hij knikt alsof dat voorlopig genoeg antwoord is. Bij de trap draait hij zich nog één keer om. “Niet alles wat breekt, is kapot.”
“Heb je dat ergens gelezen?”
“Nee. Het klonk gewoon goed.”
Wanneer hij weg is, kijk ik naar mijn telefoon.
Geen bericht.

Om vijf uur eet ik zonder iets te proeven. Om kwart voor zes trek ik mijn clubjas aan. Om zes uur moet ik vertrekken.
Om één minuut voor zes trilt mijn telefoon.
Marcel.
Ik laat hem twee keer trillen voordat ik het scherm open.
‘Kunnen we praten?’
Drie woorden. Geen tijd, geen plaats, geen plan.
Precies zoals de eerste keer dat hij mij vroeg iets samen te doen.
Mijn vingers blijven boven het toetsenbord hangen.
Beneden roept mijn moeder dat ik moet vertrekken als ik op tijd wil zijn.
Ik typ één woord.
‘Waar?’