Marcel:
Sinds die zaterdag in het park hebben Sander en ik een afspraak: tegen elkaar zijn we eerlijk.
Dat klinkt eenvoudig. In de praktijk betekent het vooral dat we eerlijk zijn wanneer niemand anders in de buurt is.
Op school zitten we nog steeds naast elkaar. In het zwembad trainen we nog steeds in dezelfde baan. We fietsen samen naar huis en delen soms één paar oortjes, alsof dat niet meer zegt dan twee jongens die toevallig dezelfde muziek luisteren.
Alleen zoeken we nu naar momenten die niemand ziet.
Een hand tegen de mijne wanneer we bij een verlaten kruising wachten. Zijn knie naast de mijne onder een tafel in de mediatheek. Een bericht na de avondtraining: Ben je nog wakker?
Ik ben altijd wakker wanneer Sander dat vraagt.
Zaterdag spreken we opnieuw af. Deze keer bij hem thuis. Zijn ouders zijn naar een woonwinkel en zijn broer is met vrienden weg. We maken eerst huiswerk, omdat ik anders het gevoel heb dat ik iets vergeet. Daarna liggen onze boeken dicht op zijn bureau en zitten we naast elkaar op de grond met onze rug tegen zijn bed.
Sander zet muziek aan. Dezelfde rustige gitaar die hij me de eerste keer op de fiets liet horen.
“Je doet dit expres,” zeg ik.
“Wat?”
“Steeds hetzelfde nummer opzetten.”
“Misschien vind ik het mooi.”
“Je vindt vooral mooi dat ik het herken.”
Hij glimlacht. “Dat ook.”
Zijn schouder rust tegen de mijne. Eerst alleen omdat we dicht naast elkaar zitten. Daarna niet meer alleen daarom. Wanneer ik mijn hand op de vloer leg, schuift hij zijn vingers tussen die van mij.
Ik heb de afgelopen week vaak aan die eerste keer gedacht. In het park keek ik recht vooruit omdat ik bang was dat bewegen het moment zou breken. Nu draai ik mijn hand om en houd hem steviger vast.
“Dit is beter dan huiswerk,” zegt Sander.
“Dat is een lage grens.”
“Beter dan training?”
Ik kijk hem aan. “Vraag niet te veel.”
Hij lacht zacht. Zijn gezicht is dichtbij. Dicht genoeg om ieder moment een keuze te maken.
Beneden slaat een autodeur dicht.
We laten elkaar tegelijk los.
Sander kijkt op zijn telefoon. “Ze zouden nog een uur wegblijven.”
Voetstappen. Een sleutel in de voordeur. Mijn hart slaat sneller dan vlak voor een finale.
“Je ouders weten het niet,” fluister ik.
“Nee.” Hij staat al op. “Je hoeft niet uit het raam.”
“Dat was ik niet van plan.”
“Je keek wel.”
Ik hoor zijn moeder beneden iets roepen. Sander antwoordt dat we huiswerk maken. Het is niet eens een leugen. Alleen niet meer de hele waarheid.
Tien minuten later vertrekken we. Buiten is het al donker. We fietsen niet direct naar mijn huis, maar maken een omweg langs het kanaal. Daar is het fietspad breed en zijn bijna geen huizen.
Bij een brug stappen we af. Sander leunt met zijn fiets tegen de reling.
“Je wilde net iets doen,” zegt hij.
“Jij ook.”
“Dat is geen antwoord.”
“Sinds wanneer is dat een probleem?”
Hij zet een stap naar me toe. Zijn jas raakt de mijne. “Sinds we eerlijk zouden zijn.”
Ik kijk naar hem, naar de lantaarns die in het water trillen en weer naar hem. “Ik wilde je kussen.”
Het is gemakkelijker om te zeggen dan ik had verwacht. Moeilijker om te blijven staan terwijl hij niets zegt.
Dan glimlacht hij. Niet zijn uitdagende glimlach. De andere, die hij alleen heeft wanneer hij zelf ook onzeker is.
“Mooi,” zegt hij. “Dan waren we voor één keer precies tegelijk.”
Hij buigt naar me toe. Ik hoor ergens een fietsbel en het zachte verkeer op de weg achter de bomen. Mijn handen blijven aan mijn stuur vastgeklemd, alsof ik anders mijn evenwicht verlies.
Zijn lippen raken de mijne. Voorzichtig. Kort genoeg om meteen te willen weten hoe het voelt als we niet schrikken van onszelf.
De tweede keer leg ik mijn hand tegen zijn jas en vergeet ik de zwarte lijn, het schema en alles wat hierna moet gebeuren.
“Hé, duo.”
De stem komt vanaf het fietspad.
Ik stap zo snel achteruit dat mijn fiets tegen de reling slaat.
Daan, een van de andere estafettezwemmers, remt een paar meter verderop. Hij draagt zijn clubjas en heeft een boodschappentas aan zijn stuur. Zijn blik gaat van Sander naar mij en terug.
“Ik wist niet dat jullie ook buiten het bad wissels oefenden,” zegt hij.
Hij lacht erbij. Misschien omdat hij denkt dat het grappig is. Misschien omdat hij precies heeft gezien wat er gebeurde.
“We fietsten naar huis,” zeg ik te snel.
Daan kijkt naar de brug, die niet op de kortste route naar een van onze huizen ligt. “Via een toeristische omweg?”
Sander zet zijn handen in zijn zakken. “Heb je iets nodig?”
“Rustig. Ik kwam alleen langs.” Daan zet weer af. “Tot maandag, heren.”
Hij kijkt nog één keer over zijn schouder voordat hij verder fietst.
De stilte die achterblijft voelt anders dan daarvoor. Kouder.
“Hij heeft niets gezien,” zeg ik.
Sander kijkt me aan. “Dat geloof je zelf niet.”
“Hij weet niet wat hij zag.”
“Marcel.”
“Wat?”
“Niet doen alsof ik er niet bij was.”
Ik wil zeggen dat ik dat niet doe. Dat ik alleen probeer na te denken. Maar mijn gedachten schieten al door naar de volgende training, de kleedkamer, de blikken. Iedere mogelijkheid eindigt bij iemand die iets vraagt waarop ik geen antwoord wil geven.
“We zien maandag wel,” zeg ik.
Sander pakt zijn fiets. “Dat is geen plan.”
“Nee.”
“En ook niet eerlijk.”
Hij fietst naast me naar de kruising, maar dit keer raken onze sturen elkaar niet.
Maandagochtend is Daan al in de kleedkamer wanneer ik binnenkom. Hij zit op het bankje tussen twee andere zwemmers en vertelt iets dat stopt zodra hij mij ziet.
“Goed weekend?” vraagt hij.
“Prima.”
“Nog bijzondere routes gefietst?”
Een van de jongens lacht. Niet hard. Genoeg.
Ik open mijn kluisje en doe alsof ik mijn zwembril zoek. Mijn vingers trillen zo licht dat niemand het kan zien. Ik wel.
Sander komt binnen. Zijn blik vindt eerst mij en daarna Daan. “Wat is er grappig?”
“Niets,” zegt Daan. “Ik vroeg Marcel alleen hoe zijn weekend was.”
“Prima,” herhaal ik.
Sander wacht. Ik kijk niet naar hem.
Tijdens het inzwemmen kies ik de andere kant van de baan. Wanneer Sander naast me komt liggen, versnel ik voordat hij iets kan zeggen. Bij de eerste techniekserie vraagt de coach ons per twee te werken. Normaal hoeven Sander en ik elkaar niet eens aan te kijken.
“Ik ga met Ruben,” zeg ik.
Ruben kijkt verbaasd. Sander nog meer.
“We oefenen de wissels,” zegt Sander.
“Vandaag niet.”
“Van wie?”
“Van mij.”
De coach fluit voordat Sander kan antwoorden. Ik duw af naast Ruben en voel Sanders blik in mijn rug.
De rest van de training doe ik alles verkeerd. Mijn eerste keerpunt is te vroeg. Bij de vierde baan slik ik water omdat ik niet op mijn ademhaling let. De coach roept dat ik mijn slag langer moet houden.
Aan de overkant hoor ik Daan tegen iemand zeggen: “Hij is afgeleid.”
“Door wie?” vraagt de ander.
Ze lachen opnieuw.
Misschien gaat het niet over mij. Misschien wel. Dat is het ergste: niemand zegt genoeg om te kunnen tegenspreken.
Na afloop trekt Sander zijn badmuts af en komt recht op me af. “We moeten praten.”
Ik kijk naar de anderen die langs de badrand lopen. “Niet hier.”
“Wanneer dan?”
“Later.”
“Dat zei je zaterdag ook.”
Daan loopt achter hem langs. “Problemen met het duo?”
“Nee,” zeg ik meteen.
Sander kijkt me aan alsof dat ene woord hem heeft geraakt.
In de kleedkamer praat iedereen harder dan normaal. Of ik hoor ieder woord harder. Daan vraagt of we voortaan een tweepersoonsbankje nodig hebben. Iemand zegt dat Sander en ik toch altijd alles samen doen.
“Laat hem met rust,” zegt Sander.
“Wie?” vraagt Daan onschuldig. “Marcel?”
Mijn shirt blijft halverwege mijn hoofd steken. Ik trek het omlaag en zie dat drie jongens naar ons kijken.
“Er is niets,” zeg ik.
Niemand had iets gevraagd.
Daan heft zijn handen. “Dat zeg ik toch ook niet?”
Het gesprek verschuift naar de training. Dat zou opluchting moeten zijn. In plaats daarvan blijft mijn eigen zin in de ruimte hangen.
Er is niets.
Sander kleedt zich zwijgend aan. Hij wacht niet bij de deur. Buiten staat hij wel naast mijn fiets.
“Wat was dat?” vraagt hij.
De anderen komen ieder moment naar buiten. “Niet hier.”
“Dan fietsen we ergens heen.”
“Ik moet naar huis.”
“Je hoeft pas over een uur op school te zijn.”
Natuurlijk weet hij dat. Normaal vind ik het prettig dat hij mijn schema kent.
“Ik wil douchen,” zeg ik.
“Dat heb je net gedaan.”
“Thuis.”
Hij kijkt me een paar tellen aan. “Je doet alsof ik het probleem ben.”
“Dat doe ik niet.”
“Je kijkt niet naar me. Je traint met iemand anders. In de kleedkamer zeg je dat er niets is.”
De deur van het zwembad gaat open. Stemmen komen dichterbij. Ik duw mijn fiets van het rek.
“Niet nu, Sander.”
“Wanneer wel? Wanneer niemand ons kan zien? Wanneer niemand kan horen dat je mij kent?”
“Ik ken je de hele dag. Iedereen ziet ons samen.”
“Niet zoals zaterdag.”
Ik kijk achter hem. Daan staat in de deuropening met twee anderen. Hij doet alsof hij zijn fietssleutel zoekt.
“Hou op,” sis ik.
Sander volgt mijn blik. Zijn gezicht verandert. “Daar gaat het dus om.”
“Ja. Natuurlijk gaat het daarom.”
“Natuurlijk?”
“Jij bent nieuw. Als dit misgaat, kun jij volgend jaar terug naar je oude stad. Ik blijf hier.”
Zodra ik het zeg, weet ik dat het verkeerd is.
Sander wordt heel stil. Uiteindelijk zegt hij: “Denk je dat ik toch wegga?”
“Dat zei ik niet.”
“Je zei dat jij met de gevolgen blijft zitten en ik niet.”
“Omdat jij niet begrijpt hoe het hier is.”
“Ik sta in dezelfde kleedkamer.”
“Maar jij maakt overal een grap van. Jij kunt gewoon doen alsof het je niets uitmaakt.”
Zijn mond valt een stukje open. Ik kan nog stoppen. Uitleggen dat ik bang ben. Zeggen dat ik vannacht bijna niet heb geslapen omdat ik iedere mogelijke opmerking al honderd keer heb gehoord voordat iemand hem maakte.
In plaats daarvan zeg ik: “Misschien betekent dit voor jou gewoon minder.”
Sander kijkt alsof ik hem heb geslagen.
Achter hem rinkelt een fietsslot. Daan en de anderen lopen langs ons heen. Niemand zegt iets.
“Dat meen je niet,” zegt Sander.
Ik meen het niet. Het antwoord ligt klaar.
Maar als ik het nu zeg, moet ik ook zeggen wat ik wel meen. Dat ik hem wil kussen en tegelijk wil dat niemand ooit ziet hoe graag. Dat ik bang ben dat alles wat ik hier heb opgebouwd door één blik verandert. Dat ik nog banger ben dat ik hem verlies omdat ik dat niet durf toe te geven.
Ik zeg niets.
Sander knikt langzaam. “Goed.”
“Sander…”
“Nee. Je wilde naar huis.”
Hij stapt op zijn fiets en rijdt weg zonder om te kijken.
Op de weg naar huis heb ik de wind tegen. Normaal zou Sander zeggen dat dit weerstandstraining is. Ik hoor alleen mijn eigen ademhaling en het ratelen van mijn ketting.
Bij de kruising waar we altijd tegelijk remmen, ga ik zonder vaart te minderen rechtdoor. Zijn route is links. Die van mij rechts. Vandaag is er niemand naast me om te vragen welke kant we nemen.
Thuis vraagt mijn moeder waarom ik zo vroeg terug ben. Ik zeg dat de training korter duurde. Mijn zus kijkt op van haar ontbijt. Ze zegt niets.
Boven leg ik mijn telefoon op mijn bureau. Geen bericht.
Ik open ons gesprek. Het laatste wat Sander gisteren stuurde is een nummer uit zijn afspeellijst. Daaronder staat mijn antwoord: ‘Te langzaam.’
Hij schreef: ‘Daarom stuur ik het.’
Ik typ dat het me spijt.
Ik wis het.
Ik typ dat ik bang ben.
Ook dat wis ik.
De hele ochtend blijft zijn naam bovenaan mijn scherm staan zonder dat ik iets stuur. Op school is de stoel naast me leeg. Sander komt wel naar de les, maar gaat aan de andere kant van het lokaal zitten. De mentor vraagt of de plaats naast mij vrij is en zet er een leerling neer die normaal vooraan zit.
Niemand zegt iets over zaterdag. Daan niet. De anderen niet. Misschien was er nooit een echt gerucht. Misschien waren het alleen losse opmerkingen waaraan ik zelf een verhaal heb gegeven.
Wanneer de bel gaat, vertrekt Sander zonder op me te wachten.
In het zwembad wist ik altijd wat ik moest doen wanneer hij afstand nam: versnellen tot ik weer naast hem lag.
Nu heb ik hem zelf weggeduwd en weet ik niet hoe ik hem moet inhalen.
Voor het eerst sinds Sander hier kwam, is de plaats naast mij weer vrij.
Ik had gedacht dat dat me veilig zou laten voelen.
Het voelt alleen leeg.