Dezelfde baan. Deel 5. Gelijk ritme.
Geplaatst: ma 26 okt 2026, 06:23
Marcel:
De coach noemt het een extra training. Sander noemt het een bewijs dat hij altijd gelijk heeft. Ik noem het vooral een reden waarom mijn wekker op zaterdag ook om kwart voor vijf gaat.
Om vijf over vijf wacht hij voor mijn huis. De straat is donker en zijn fietslicht tekent een bleke cirkel op de tegels. Hij draagt één oortje en beweegt zijn hoofd nauwelijks merkbaar op de maat.
“Je bent te vroeg,” zeg ik terwijl ik mijn fiets van het slot haal.
“Twee minuten.”
“Dat is vroeg.”
“Dat jij om vijf uur ’s morgens al streng kunt zijn, blijft indrukwekkend.”
Hij haalt het andere oortje uit zijn jaszak en geeft het mij. “Wil je?”
Ik wil vragen wat hij luistert. In plaats daarvan neem ik het aan. Het snoer loopt tussen ons in wanneer we wegfietsen, waardoor we dichter naast elkaar moeten blijven dan anders. Een rustige gitaar vult mijn linkeroor. Sander neuriet zacht mee.
“Dit is geen muziek om sneller van te fietsen,” zeg ik.
“Dat is precies de bedoeling. Vandaag geen wedstrijd.”
“We gaan trainen.”
“Samen. Dat is iets anders.”
Sinds de avond waarop de coach ons bijna uit de estafetteploeg zette, maken we voor iedere training afspraken. Tempo, laatste meters, wisselmoment. Eerst schreef ik alles op. Nu hoeft dat steeds minder. Ik weet hoe Sanders slag verandert vlak voordat hij versnelt. Hij weet wanneer ik bij een keerpunt een halve tel langer onder water blijf. We herkennen elkaars ritme zoals ik vroeger alleen mijn eigen ritme kende.
Dat is handig in het zwembad.
Buiten het zwembad maakt het alles ingewikkelder.
In het zwembad is alleen de coach aanwezig. De grote lampen boven het vijftigmeterbad zijn nog niet allemaal aan. Aan de verre kant ligt het water in halfdonker, alsof de baan daar ophoudt.
“Jullie hebben drie kwartier,” zegt de coach. “Geen losse sprintjes. Wissels, tweehonderden en daarna één volledige estafetteserie met de andere twee zwemmers. Ik wil zien dat jullie hetzelfde doen wanneer ik niet iedere meter naast jullie sta.”
“U staat er nu wel,” zegt Sander.
“Ik kan weggaan.”
Sander trekt zijn badmuts over zijn oren. “Goedemorgen, coach.”
We beginnen met vierhonderd meter rustig inzwemmen. In de baan naast me houdt Sander zich aan mijn tempo. Dat doet hij tegenwoordig vaker, al zal hij het nooit zo noemen. Bij de eerste snelle tweehonderd meter ligt hij na honderd meter een halve armlengte voor. Normaal zou ik meteen versnellen. Nu wacht ik tot het punt dat we hebben afgesproken.
Vijftien meter voor de wand zet ik aan. Tegelijk wordt zijn slag korter en sneller. We tikken vrijwel gelijk aan.
“Jij voelde dat ik ging,” zegt hij terwijl we aan de lijn hangen.
“Je linkerhand kwam hoger uit het water.”
Hij kijkt naar zijn hand alsof die hem heeft verraden. “Dat heb ik zelf nog nooit gemerkt.”
“Ik wel.”
Zijn blik blijft even op me rusten. Dan spettert hij water in mijn gezicht. “Eng.”
Bij de wissels gaat het nog beter. Ik hoef niet meer bewust zijn slagen te tellen. Wanneer hij de laatste vijf meter ingaat, weet mijn lichaam al wat er komt. Mijn armen bewegen naar achteren. Mijn gewicht verschuift naar mijn tenen. Hij tikt aan en ik vertrek.
De eerste keer is onze wissel snel. De tweede sneller. Bij de derde kijkt de coach op van zijn stopwatch.
“Nog een keer,” zegt hij.
Dat betekent meestal dat iets fout ging. Sander klimt uit het water en komt naast me op het blok staan.
“Wat deden we verkeerd?” fluistert hij.
“Geen idee.”
“Dat klinkt niet als jou.”
“Ik kan een lijst maken met mogelijkheden.”
“Later.”
We doen de wissel opnieuw. Daarna schrijft de coach iets op zijn klembord.
“En?” vraag ik.
“De eerste was geen toeval.”
Meer zegt hij niet. Toch voel ik Sanders schouder tegen de mijne wanneer we naar het startpunt lopen. Niet hard. Een korte duw die betekent dat hij hetzelfde heeft gehoord als ik.
Aan het einde van de training komen de andere twee estafettezwemmers erbij. Voor het eerst zet de coach Sander en mij niet apart neer als kandidaten. Hij noemt onze namen tussen die van hen, bespreekt de volgorde en vraagt wie het liefst start.
“Marcel als tweede,” zegt Sander meteen. “Ik herken zijn aantik beter dan die van iemand anders.”
De coach kijkt naar mij. “Mee eens?”
Ik knik. “Sander na mij.”
We zwemmen de serie. Niet perfect. De eerste wissel is voorzichtig en bij de laatste verliest iemand tijd. Wanneer ik aantik, vertrekt Sander zo precies dat zijn voeten al uit mijn blik verdwijnen voordat ik boven water kom.
Onze totaaltijd is de beste tot nu toe.
De coach draait zijn stopwatch om zodat we het scherm kunnen zien. “Als jullie dit vasthouden, heb ik niet twee snelle zwemmers. Dan heb ik een duo.”
Naast me ademt Sander zwaar. Hij grijnst. “Serieus duo klinkt beter.”
“Dat heb ik niet gezegd.”
“Maar u dacht het wel.”
De coach loopt weg voordat Sander hem nog een antwoord kan ontlokken. Ik blijf aan de badrand hangen. 'Duo'. Het woord maakt me trotser dan 'kandidaat' ooit deed.
In de weken daarna krijgen de extra trainingen een vaste plek. Woensdag een halfuur voor de rest begint. Zaterdag vroeg. Soms maandag na afloop nog tien minuten wissels, zolang de schoonmaker ons niet wegstuurt.
Ook buiten het zwembad ontstaat een schema, alleen heb ik dat niet gemaakt.
Sander stuurt me ’s avonds muziek. Eerst één nummer met de mededeling dat mijn afspeellijst klinkt alsof ik altijd aan het opwarmen ben. Daarna drie nummers. Daarna een hele lijst met als titel 'Niet sneller fietsen'.
Ik luister tijdens mijn huiswerk. Bij ieder nummer zie ik hem op zijn fiets, één hand los van het stuur, zijn hoofd net scheef genoeg om de maat te volgen.
Ik stuur hem trainingsvideo’s terug. Hij reageert meestal binnen een minuut.
‘Je kijkt weer te vroeg naar de muur', schrijft hij.
‘Je elleboog zakt’, antwoord ik.
‘Dat doet hij niet.’
‘Op 0:17.’
Een halve seconde later verschijnt: ‘Irritant.’
Ik glimlach naar mijn telefoon. Mijn zus ziet het wanneer ze langs mijn kamer loopt.
“Met wie app je?”
Ik leg mijn telefoon met het scherm naar beneden. “Sander.”
“Dat dacht ik al.”
“Waarom vraag je het dan?”
Ze haalt haar schouders op. “Om te kijken of je zijn naam weer zegt alsof het heel normaal is.”
“Het is normaal.”
“Natuurlijk.”
Ze loopt door voordat ik kan vragen wat ze bedoelt. Waarschijnlijk weet ze dat precies.
Op school schuift Sander steeds vaker naast me aan, ook wanneer er andere plaatsen vrij zijn. Hij legt zijn spullen minder netjes neer dan ik prettig vind en gebruikt de helft van mijn tafel. In de aula steelt hij stukken komkommer uit mijn broodtrommel. Tijdens tussenuren zet hij één oortje bij mij in en beweert dat muziek helpt bij wiskunde.
“Je hebt drie sommen fout,” zeg ik.
“Zonder muziek waren het er vier.”
Ik zoek hem ook op. Dat geef ik alleen niet zo gemakkelijk toe. In de grote pauze weet ik meestal waar hij zit voordat ik de aula binnenloop. Als hij een les eerder klaar is, verwacht ik hem bij de fietsenstalling. Als hij op een dag niet op school is omdat hij met zijn ouders naar zijn oude woonplaats moet, voelt de lege stoel naast me de hele dag te groot.
Hij stuurt die middag een foto van het zwembad van zijn vorige club.
‘Korte baan. Veel te makkelijk’ staat erbij.
Ik typ: ‘Niet zonder mij trainen.’
Ik wis het.
Uiteindelijk stuur ik: ‘Morgen 5.25 uur. Niet te laat.’
Zijn antwoord komt meteen.
‘Ik mis jou ook.’
Ik kijk zo lang naar die vier woorden dat het scherm donker wordt.
Daarna antwoord ik dat hij irritant is.
Het helpt niet.
Op donderdagavond loopt de training uit. De coach wil nog één volledige serie zien, maar de twee andere zwemmers moeten eerder weg. Sander en ik blijven over om onze wissels te oefenen.
Wanneer we eindelijk stoppen, is het gebouw bijna leeg. Boven het bad brandt nog één rij lampen. Het water is donkerblauw en de tribune verdwijnt in de schaduw. In de verte rijdt een schoonmaakmachine langzaam over de tegels.
Sander gaat op de badrand zitten met zijn voeten in het water. Ik zou moeten douchen. Morgen gaat mijn wekker weer om kwart voor vijf. In plaats daarvan ga ik naast hem zitten.
“We waren sneller,” zegt hij.
“Drie tienden.”
“Jij hebt het natuurlijk onthouden.”
“Drie tienden is veel.”
“Dat zei je ook over één seconde.”
Hij beweegt zijn voet door het water. De rimpels bereiken mijn enkel en kaatsen terug van de overkant.
“Mag ik iets vragen?” zegt hij.
“Dat doe je al.”
“Waarom praat jij nooit over verliefdheid?”
Alles in mij wordt stil.
Ik kijk naar de zwarte lijn op de bodem. Zelfs in het halfdonker loopt die recht door. “Waarom zou ik?”
“De rest doet het wel. In de klas, in de kleedkamer. Wie met wie gaat, wie iemand leuk vindt. Jij zegt nooit iets.”
“Jij ook niet.”
“Ik vroeg het eerst.”
“Dat betekent niet dat ik antwoord moet geven.”
Mijn stem klinkt scherper dan ik wil. Sander kijkt weer naar het water.
“Nee,” zegt hij. “Dat hoeft niet.”
De afstand tussen onze schouders is nog geen handbreedte. Toch voelt hij ineens groter dan de lengte van het bad.
“Ik praat er niet over,” zeg ik, langzamer, “omdat mensen er dan meteen hun eigen conclusies aan zouden verbinden.”
“Welke conclusies?”
Dat ik anders ben. Dat iedere blik iets betekent. Dat ik in de kleedkamer naar hen kijk. Dat ik ineens niet meer gewoon Marcel ben.
De woorden staan klaar. Ik krijg ze niet over mijn lippen.
“Conclusies.” zeg ik.
Sander knikt alsof dat een echt antwoord is. “Dat begrijp ik.”
Ik kijk opzij. “Waarom?”
Hij trekt zijn voeten uit het water, blijft zitten. Druppels lopen langs zijn schenen.
“Omdat ik ook niet wil dat mensen conclusies trekken.”
Mijn hart slaat plotseling sneller dan na een sprint. Hij kijkt me aan. Geen grap, geen scheve glimlach. Alleen die open blik waarmee hij soms wacht tot ik iets durf te zeggen.
“Sander…..”
Aan de andere kant van het bad slaat een deur open.
“Heren,” roept de schoonmaker. “Ik wil vandaag nog naar huis.”
Sander knippert en staat op. “Wij ook.”
Het moment verdwijnt niet. Het verplaatst zich alleen naar ergens waar ik er niet meer bij kan.
In de kleedkamer praten we over de training. Drie tienden. De volgorde van de estafette. Of de coach ons zaterdag opnieuw zo vroeg laat komen. Alles behalve de vraag die nog tussen ons hangt.
Buiten is de lucht koud. De fietsenstalling staat leeg. Sander zet één oortje bij zichzelf in en houdt het andere naar me toe.
“Niet sneller fietsen?” vraag ik.
“Vanavond niet.”
We rijden naast elkaar. Het snoer hangt los tussen onze jassen. De muziek is zacht genoeg om onze banden op het natte asfalt te horen.
Bij een smal fietspad moet ik dichter naar hem toe. Mijn hand schuift over het stuur en raakt de zijne.
Het is nauwelijks een aanraking. De buitenkant van zijn pink tegen die van mij.
Ik verwacht dat hij zijn hand verplaatst.
Dat doet hij niet.
Ik ook niet.
We fietsen zo maar een paar seconden. Misschien minder. Lang genoeg om te weten dat het geen toeval meer is, te kort om te besluiten wat het dan wel is.
Bij de kruising waar onze routes uit elkaar gaan, remmen we tegelijk. Sanders hand glijdt van de mijne.
“Tot morgen,” zegt hij.
“Op tijd.”
“Je kunt ook gewoon zeggen dat je me wilt zien.”
Ik voel mijn gezicht warm worden. Sander glimlacht, maar niet uitdagend. Eerder onzeker.
“Niet te laat,” zeg ik.
Hij fietst achteruit de kruising op, gevaarlijk en typisch Sander. “Reken daar maar op.”
Ik kijk hem na tot hij rechtsaf slaat.
In het zwembad hebben we weken geoefend om precies te weten wanneer de ander zal aantikken. Daarbuiten zijn we nog lang niet zo ver. We wachten, twijfelen en vertrekken soms te laat.
Vannacht, met zijn hand nog voelbaar tegen de mijne, denk ik dat we dichter bij hetzelfde ritme zijn dan een van ons durft te zeggen.
De coach noemt het een extra training. Sander noemt het een bewijs dat hij altijd gelijk heeft. Ik noem het vooral een reden waarom mijn wekker op zaterdag ook om kwart voor vijf gaat.
Om vijf over vijf wacht hij voor mijn huis. De straat is donker en zijn fietslicht tekent een bleke cirkel op de tegels. Hij draagt één oortje en beweegt zijn hoofd nauwelijks merkbaar op de maat.
“Je bent te vroeg,” zeg ik terwijl ik mijn fiets van het slot haal.
“Twee minuten.”
“Dat is vroeg.”
“Dat jij om vijf uur ’s morgens al streng kunt zijn, blijft indrukwekkend.”
Hij haalt het andere oortje uit zijn jaszak en geeft het mij. “Wil je?”
Ik wil vragen wat hij luistert. In plaats daarvan neem ik het aan. Het snoer loopt tussen ons in wanneer we wegfietsen, waardoor we dichter naast elkaar moeten blijven dan anders. Een rustige gitaar vult mijn linkeroor. Sander neuriet zacht mee.
“Dit is geen muziek om sneller van te fietsen,” zeg ik.
“Dat is precies de bedoeling. Vandaag geen wedstrijd.”
“We gaan trainen.”
“Samen. Dat is iets anders.”
Sinds de avond waarop de coach ons bijna uit de estafetteploeg zette, maken we voor iedere training afspraken. Tempo, laatste meters, wisselmoment. Eerst schreef ik alles op. Nu hoeft dat steeds minder. Ik weet hoe Sanders slag verandert vlak voordat hij versnelt. Hij weet wanneer ik bij een keerpunt een halve tel langer onder water blijf. We herkennen elkaars ritme zoals ik vroeger alleen mijn eigen ritme kende.
Dat is handig in het zwembad.
Buiten het zwembad maakt het alles ingewikkelder.
In het zwembad is alleen de coach aanwezig. De grote lampen boven het vijftigmeterbad zijn nog niet allemaal aan. Aan de verre kant ligt het water in halfdonker, alsof de baan daar ophoudt.
“Jullie hebben drie kwartier,” zegt de coach. “Geen losse sprintjes. Wissels, tweehonderden en daarna één volledige estafetteserie met de andere twee zwemmers. Ik wil zien dat jullie hetzelfde doen wanneer ik niet iedere meter naast jullie sta.”
“U staat er nu wel,” zegt Sander.
“Ik kan weggaan.”
Sander trekt zijn badmuts over zijn oren. “Goedemorgen, coach.”
We beginnen met vierhonderd meter rustig inzwemmen. In de baan naast me houdt Sander zich aan mijn tempo. Dat doet hij tegenwoordig vaker, al zal hij het nooit zo noemen. Bij de eerste snelle tweehonderd meter ligt hij na honderd meter een halve armlengte voor. Normaal zou ik meteen versnellen. Nu wacht ik tot het punt dat we hebben afgesproken.
Vijftien meter voor de wand zet ik aan. Tegelijk wordt zijn slag korter en sneller. We tikken vrijwel gelijk aan.
“Jij voelde dat ik ging,” zegt hij terwijl we aan de lijn hangen.
“Je linkerhand kwam hoger uit het water.”
Hij kijkt naar zijn hand alsof die hem heeft verraden. “Dat heb ik zelf nog nooit gemerkt.”
“Ik wel.”
Zijn blik blijft even op me rusten. Dan spettert hij water in mijn gezicht. “Eng.”
Bij de wissels gaat het nog beter. Ik hoef niet meer bewust zijn slagen te tellen. Wanneer hij de laatste vijf meter ingaat, weet mijn lichaam al wat er komt. Mijn armen bewegen naar achteren. Mijn gewicht verschuift naar mijn tenen. Hij tikt aan en ik vertrek.
De eerste keer is onze wissel snel. De tweede sneller. Bij de derde kijkt de coach op van zijn stopwatch.
“Nog een keer,” zegt hij.
Dat betekent meestal dat iets fout ging. Sander klimt uit het water en komt naast me op het blok staan.
“Wat deden we verkeerd?” fluistert hij.
“Geen idee.”
“Dat klinkt niet als jou.”
“Ik kan een lijst maken met mogelijkheden.”
“Later.”
We doen de wissel opnieuw. Daarna schrijft de coach iets op zijn klembord.
“En?” vraag ik.
“De eerste was geen toeval.”
Meer zegt hij niet. Toch voel ik Sanders schouder tegen de mijne wanneer we naar het startpunt lopen. Niet hard. Een korte duw die betekent dat hij hetzelfde heeft gehoord als ik.
Aan het einde van de training komen de andere twee estafettezwemmers erbij. Voor het eerst zet de coach Sander en mij niet apart neer als kandidaten. Hij noemt onze namen tussen die van hen, bespreekt de volgorde en vraagt wie het liefst start.
“Marcel als tweede,” zegt Sander meteen. “Ik herken zijn aantik beter dan die van iemand anders.”
De coach kijkt naar mij. “Mee eens?”
Ik knik. “Sander na mij.”
We zwemmen de serie. Niet perfect. De eerste wissel is voorzichtig en bij de laatste verliest iemand tijd. Wanneer ik aantik, vertrekt Sander zo precies dat zijn voeten al uit mijn blik verdwijnen voordat ik boven water kom.
Onze totaaltijd is de beste tot nu toe.
De coach draait zijn stopwatch om zodat we het scherm kunnen zien. “Als jullie dit vasthouden, heb ik niet twee snelle zwemmers. Dan heb ik een duo.”
Naast me ademt Sander zwaar. Hij grijnst. “Serieus duo klinkt beter.”
“Dat heb ik niet gezegd.”
“Maar u dacht het wel.”
De coach loopt weg voordat Sander hem nog een antwoord kan ontlokken. Ik blijf aan de badrand hangen. 'Duo'. Het woord maakt me trotser dan 'kandidaat' ooit deed.
In de weken daarna krijgen de extra trainingen een vaste plek. Woensdag een halfuur voor de rest begint. Zaterdag vroeg. Soms maandag na afloop nog tien minuten wissels, zolang de schoonmaker ons niet wegstuurt.
Ook buiten het zwembad ontstaat een schema, alleen heb ik dat niet gemaakt.
Sander stuurt me ’s avonds muziek. Eerst één nummer met de mededeling dat mijn afspeellijst klinkt alsof ik altijd aan het opwarmen ben. Daarna drie nummers. Daarna een hele lijst met als titel 'Niet sneller fietsen'.
Ik luister tijdens mijn huiswerk. Bij ieder nummer zie ik hem op zijn fiets, één hand los van het stuur, zijn hoofd net scheef genoeg om de maat te volgen.
Ik stuur hem trainingsvideo’s terug. Hij reageert meestal binnen een minuut.
‘Je kijkt weer te vroeg naar de muur', schrijft hij.
‘Je elleboog zakt’, antwoord ik.
‘Dat doet hij niet.’
‘Op 0:17.’
Een halve seconde later verschijnt: ‘Irritant.’
Ik glimlach naar mijn telefoon. Mijn zus ziet het wanneer ze langs mijn kamer loopt.
“Met wie app je?”
Ik leg mijn telefoon met het scherm naar beneden. “Sander.”
“Dat dacht ik al.”
“Waarom vraag je het dan?”
Ze haalt haar schouders op. “Om te kijken of je zijn naam weer zegt alsof het heel normaal is.”
“Het is normaal.”
“Natuurlijk.”
Ze loopt door voordat ik kan vragen wat ze bedoelt. Waarschijnlijk weet ze dat precies.
Op school schuift Sander steeds vaker naast me aan, ook wanneer er andere plaatsen vrij zijn. Hij legt zijn spullen minder netjes neer dan ik prettig vind en gebruikt de helft van mijn tafel. In de aula steelt hij stukken komkommer uit mijn broodtrommel. Tijdens tussenuren zet hij één oortje bij mij in en beweert dat muziek helpt bij wiskunde.
“Je hebt drie sommen fout,” zeg ik.
“Zonder muziek waren het er vier.”
Ik zoek hem ook op. Dat geef ik alleen niet zo gemakkelijk toe. In de grote pauze weet ik meestal waar hij zit voordat ik de aula binnenloop. Als hij een les eerder klaar is, verwacht ik hem bij de fietsenstalling. Als hij op een dag niet op school is omdat hij met zijn ouders naar zijn oude woonplaats moet, voelt de lege stoel naast me de hele dag te groot.
Hij stuurt die middag een foto van het zwembad van zijn vorige club.
‘Korte baan. Veel te makkelijk’ staat erbij.
Ik typ: ‘Niet zonder mij trainen.’
Ik wis het.
Uiteindelijk stuur ik: ‘Morgen 5.25 uur. Niet te laat.’
Zijn antwoord komt meteen.
‘Ik mis jou ook.’
Ik kijk zo lang naar die vier woorden dat het scherm donker wordt.
Daarna antwoord ik dat hij irritant is.
Het helpt niet.
Op donderdagavond loopt de training uit. De coach wil nog één volledige serie zien, maar de twee andere zwemmers moeten eerder weg. Sander en ik blijven over om onze wissels te oefenen.
Wanneer we eindelijk stoppen, is het gebouw bijna leeg. Boven het bad brandt nog één rij lampen. Het water is donkerblauw en de tribune verdwijnt in de schaduw. In de verte rijdt een schoonmaakmachine langzaam over de tegels.
Sander gaat op de badrand zitten met zijn voeten in het water. Ik zou moeten douchen. Morgen gaat mijn wekker weer om kwart voor vijf. In plaats daarvan ga ik naast hem zitten.
“We waren sneller,” zegt hij.
“Drie tienden.”
“Jij hebt het natuurlijk onthouden.”
“Drie tienden is veel.”
“Dat zei je ook over één seconde.”
Hij beweegt zijn voet door het water. De rimpels bereiken mijn enkel en kaatsen terug van de overkant.
“Mag ik iets vragen?” zegt hij.
“Dat doe je al.”
“Waarom praat jij nooit over verliefdheid?”
Alles in mij wordt stil.
Ik kijk naar de zwarte lijn op de bodem. Zelfs in het halfdonker loopt die recht door. “Waarom zou ik?”
“De rest doet het wel. In de klas, in de kleedkamer. Wie met wie gaat, wie iemand leuk vindt. Jij zegt nooit iets.”
“Jij ook niet.”
“Ik vroeg het eerst.”
“Dat betekent niet dat ik antwoord moet geven.”
Mijn stem klinkt scherper dan ik wil. Sander kijkt weer naar het water.
“Nee,” zegt hij. “Dat hoeft niet.”
De afstand tussen onze schouders is nog geen handbreedte. Toch voelt hij ineens groter dan de lengte van het bad.
“Ik praat er niet over,” zeg ik, langzamer, “omdat mensen er dan meteen hun eigen conclusies aan zouden verbinden.”
“Welke conclusies?”
Dat ik anders ben. Dat iedere blik iets betekent. Dat ik in de kleedkamer naar hen kijk. Dat ik ineens niet meer gewoon Marcel ben.
De woorden staan klaar. Ik krijg ze niet over mijn lippen.
“Conclusies.” zeg ik.
Sander knikt alsof dat een echt antwoord is. “Dat begrijp ik.”
Ik kijk opzij. “Waarom?”
Hij trekt zijn voeten uit het water, blijft zitten. Druppels lopen langs zijn schenen.
“Omdat ik ook niet wil dat mensen conclusies trekken.”
Mijn hart slaat plotseling sneller dan na een sprint. Hij kijkt me aan. Geen grap, geen scheve glimlach. Alleen die open blik waarmee hij soms wacht tot ik iets durf te zeggen.
“Sander…..”
Aan de andere kant van het bad slaat een deur open.
“Heren,” roept de schoonmaker. “Ik wil vandaag nog naar huis.”
Sander knippert en staat op. “Wij ook.”
Het moment verdwijnt niet. Het verplaatst zich alleen naar ergens waar ik er niet meer bij kan.
In de kleedkamer praten we over de training. Drie tienden. De volgorde van de estafette. Of de coach ons zaterdag opnieuw zo vroeg laat komen. Alles behalve de vraag die nog tussen ons hangt.
Buiten is de lucht koud. De fietsenstalling staat leeg. Sander zet één oortje bij zichzelf in en houdt het andere naar me toe.
“Niet sneller fietsen?” vraag ik.
“Vanavond niet.”
We rijden naast elkaar. Het snoer hangt los tussen onze jassen. De muziek is zacht genoeg om onze banden op het natte asfalt te horen.
Bij een smal fietspad moet ik dichter naar hem toe. Mijn hand schuift over het stuur en raakt de zijne.
Het is nauwelijks een aanraking. De buitenkant van zijn pink tegen die van mij.
Ik verwacht dat hij zijn hand verplaatst.
Dat doet hij niet.
Ik ook niet.
We fietsen zo maar een paar seconden. Misschien minder. Lang genoeg om te weten dat het geen toeval meer is, te kort om te besluiten wat het dan wel is.
Bij de kruising waar onze routes uit elkaar gaan, remmen we tegelijk. Sanders hand glijdt van de mijne.
“Tot morgen,” zegt hij.
“Op tijd.”
“Je kunt ook gewoon zeggen dat je me wilt zien.”
Ik voel mijn gezicht warm worden. Sander glimlacht, maar niet uitdagend. Eerder onzeker.
“Niet te laat,” zeg ik.
Hij fietst achteruit de kruising op, gevaarlijk en typisch Sander. “Reken daar maar op.”
Ik kijk hem na tot hij rechtsaf slaat.
In het zwembad hebben we weken geoefend om precies te weten wanneer de ander zal aantikken. Daarbuiten zijn we nog lang niet zo ver. We wachten, twijfelen en vertrekken soms te laat.
Vannacht, met zijn hand nog voelbaar tegen de mijne, denk ik dat we dichter bij hetzelfde ritme zijn dan een van ons durft te zeggen.