Dezelfde baan. Deel 4. Buiten het water.
Geplaatst: zo 25 okt 2026, 08:52
Sander:
Na een trainingskamp verwacht ik spierpijn. Niet dat Marcel op maandagochtend naast me neerploft alsof iemand de stekker uit hem heeft getrokken.
Hij legt zijn voorhoofd op zijn armen. Zijn schrift ligt open bij een halve bladzijde aantekeningen, allemaal even recht. Alleen de laatste regel helt omlaag.
“Als je gaat slapen,” zeg ik, “zal ik tegen de docent zeggen dat dit hersteltraining is.”
Marcel tilt zijn hoofd op. “Woensdag hebben we die toets.”
“Dat klopt.”
“Ik heb nog niets gedaan.”
Dat past zo slecht bij hem dat ik eerst denk dat hij een grap maakt. Marcel werkt normaal vooruit. Zijn huiswerk is af voordat ik goed en wel weet dat we het hebben.
“Wanneer wilde je beginnen?” vraag ik.
“Vrijdag. Toen vertrokken we op trainingskamp. Daarna zaterdag. Toen hadden we drie trainingen. Gisteren heb ik twee uur naar hoofdstuk zes gekeken zonder iets te begrijpen.” Hij tikt met zijn pen op het papier. “Dus vanmiddag. Meteen.”
Hij zegt het alsof harder plannen hetzelfde is als beter begrijpen.
“Ik heb het vorige week al geleerd,” zeg ik.
Marcel kijkt op. “Natuurlijk.”
“Dat klonk niet als een compliment.”
“Het was afgunst.”
“Ik help je wel. Vanmiddag bij mij?”
Hij aarzelt. Hulp aannemen vindt hij duidelijk moeilijker dan een tweehonderd meter voluit zwemmen.
“Alleen als jij zegt wanneer ik irritant word.”
“Dat had je drie weken geleden moeten afspreken.”
Zijn mondhoek trekt omhoog. “Vier weken.”
Natuurlijk heeft hij het bijgehouden.
Die middag fietsen we naar mijn huis. Marcel rijdt sneller dan nodig, alsof hij de verloren studietijd onderweg kan inhalen. In mijn kamer zet hij zijn boeken in een keurige rij op het bureau. Ik schuif ze expres een centimeter scheef.
Hij zet ze terug zonder iets te zeggen.
“Dat wilde ik even testen,” zeg ik.
“Je hebt gefaald.”
We beginnen bij het onderdeel waar hij gisteren is vastgelopen. Marcel probeert iedere regel uit zijn hoofd te leren. Ik laat hem het boek dichtdoen en vraag hem uit te leggen wat er gebeurt alsof hij het aan iemand uit de brugklas vertelt.
“Dat kan ik niet.”
“Dan weet je precies waar het misgaat.”
Hij werpt me een blik toe die in het zwembad meestal betekent dat hij bij de volgende baan versnelt. Toch probeert hij het. De eerste uitleg loopt vast. De tweede is te ingewikkeld. Bij de derde gebruikt hij een voorbeeld uit een zwemwedstrijd en ineens begrijpt hij het.
“Waarom stond dat niet gewoon zo in het boek?” vraagt hij.
“Omdat de schrijver geen borstcrawl zwemt.”
Na een uur kan Marcel de hele stof zonder hulp navertellen. Hij leunt achterover en kijkt naar de samenvatting die we samen hebben gemaakt.
“Jij bent hier echt goed in,” zegt hij. “Niet alleen in de stof. Ook in uitleggen.”
Het compliment komt onverwacht. Ik kijk naar mijn schrift om niet te laten merken hoeveel het met me doet.
“Ik praat gewoon veel.”
“Nee. Je merkt waar ik afhaak en probeert dan iets anders.”
“Dat klinkt bijna nuttig.”
“Bijna.”
Wanneer hij zijn tas inpakt, blijft zijn blik hangen op een stapel losse vellen naast mijn laptop.
“Is dat die schoolopdracht waar je vorige week over klaagde?”
“Ik klaagde niet.”
“Je noemde het een vorm van georganiseerde wreedheid.”
“Dat was een zakelijke analyse.”
Op mijn oude school hoefde ik nooit een onderzoek te presenteren. Hier moet ik bronnen vergelijken, conclusies trekken en het resultaat mondeling verdedigen. Ik heb genoeg materiaal, maar geen lijn. Iedere keer als ik eraan begin, maak ik een nieuw schema en wordt het geheel groter.
Marcel bladert erdoorheen. “Je hebt drie inleidingen.”
“Ik kon niet kiezen.”
“En vijf hoofdvragen.”
“Ze zijn allemaal belangrijk.”
Hij gaat weer zitten. “Nee. Ze willen allemaal belangrijk zijn. Dat is iets anders.”
Ik wil protesteren, maar hij schuift de vellen in groepjes over mijn bureau. Binnen vijf minuten ligt er een volgorde. Marcel praat minder dan ik, maar zodra hij structuur ziet, klinkt hij zeker. Hij schrapt zonder medelijden een alinea waar ik een hele avond aan heb gewerkt.
“Die is goed,” zeg ik.
“Daarom kun je hem bewaren voor een andere opdracht.”
“Je geniet hiervan.”
“Een beetje.”
Woensdag werken we bij Marcel verder. Zijn kamer is precies zoals ik had verwacht: weinig spullen, niets op de vloer en trainingsschema’s boven zijn bureau. Toch staat er scheef op de vensterbank een geboetseerd visje met één oog. Wanneer ik ernaar wijs, wordt hij rood.
“Van mijn zus,” zegt hij. “Ze was acht.”
“Ik wilde al zeggen dat je talent ergens anders ligt.”
Hij gooit een prop papier naar me. Hij mist. Ik zet het visje voorzichtig recht.
We oefenen de presentatie. Ik praat te snel. Marcel laat me opnieuw beginnen, eerst zonder aantekeningen en daarna met maar drie trefwoorden per onderdeel. Zodra ik afdwaal, tikt hij met zijn pen op tafel.
“Je bent erger dan de coach,” zeg ik. “De coach laat je tenminste uitzwemmen.”
Na de derde poging blijf ik onder de afgesproken tijd. Marcel steekt zijn stopwatch omhoog. “Zie je wel.”
“Ik heb nog nooit iemand zo tevreden zien kijken omdat ik minder heb gezegd.”
“Ik wel.”
In een pauze haalt hij drinken. Op zijn bureau ligt ons trainingsschema naast mijn presentatie. Twee kolommen met tijden, doelen en opmerkingen. Sinds de coach ons heeft gewaarschuwd, schrijven we voor iedere estafettetraining op wat we afspreken. Niet omdat we elkaar niet vertrouwen, maar omdat vertrouwen blijkbaar makkelijker wordt wanneer Marcel het in een tabel kan zetten.
Wanneer hij terugkomt, vraag ik: “Denk je dat we die twee plaatsen krijgen?”
Hij zet mijn glas neer. “Als we blijven zwemmen zoals vorige week wel.”
“Dat was bijna optimistisch.”
“Ik werk eraan.”
We vergelijken onze beste tijden. Op sommige afstanden is hij sneller, op andere ben ik dat. Het verschil is nooit groot. Een maand geleden zou ik ieder honderdste hebben onthouden. Nu denk ik vooral aan hoe vanzelfsprekend het is geworden dat we onze resultaten naast elkaar leggen in plaats van tegenover elkaar.
Donderdag werken we weer bij mij. Buiten tikt regen tegen het raam. Beneden hoor ik mijn vader telefoneren over de bank; hij gebruikt de opgewekte stem die hij sinds zijn promotie vaker heeft. Mijn moeder schuift dozen door de gang. Een maand na de verhuizing staan er nog steeds dingen ingepakt.
Marcel kijkt naar een doos met het logo van mijn oude zwemclub.
“Mis je ze?” vraagt hij.
Ik wil automatisch ‘valt mee’ zeggen. Dat antwoord gebruik ik voor mijn ouders, mijn broer en iedereen die vraagt hoe het hier gaat.
“Ja,” zeg ik.
Marcel wacht. Hij vult stiltes nooit voor me in. Eerst vond ik dat ongemakkelijk. Nu voelt het alsof hij ruimte vrijhoudt.
“Daar wist ik wie ik was,” ga ik verder. “Op school, bij de club, zelfs in de kleedkamer. Hier ben ik steeds de nieuwe jongen. Thuis voelt ook nog niet als thuis. Soms denk ik dat iedereen al verder is met deze verhuizing dan ik.”
“Je ouders ook?”
“Mijn vader heeft zijn nieuwe baan. Mijn moeder richt het huis in. Mijn broer praat vooral over teruggaan zodra hij gaat studeren.” Ik haal mijn schouders op. “Ik weet niet waar ik volgend jaar wil zijn. Op sommige dagen weet ik niet eens waar ik nu hoor.”
Marcel draait zijn glas tussen zijn handen. “Ik weet altijd waar ik hoor. Misschien te precies.”
“Is dat een klacht?”
“Niet echt. Maar soms denk ik dat ik alles zo vol plan dat ik nooit hoef na te denken over wat er gebeurt als zwemmen wegvalt.”
Het is de eerste keer dat hij daar iets over zegt. In mijn hoofd is Marcel degene met een route: school, training, wedstrijden, sneller worden. Blijkbaar kun je ook verdwalen op een rechte weg.
“Dan zoeken we het allebei nog uit,” zeg ik.
Hij knikt.
“Alleen jij praat er eerder over.”
“Iemand moet het gesprek doen.”
“Dat doe je uitstekend.”
“Wat?” vraagt Marcel.
“Niets.”
Hij trekt een wenkbrauw op.
“Niet alles tegelijk,” zeg ik.
Tot mijn opluchting knikt hij alleen. “Goed.”
Woensdag maken we de toets. Marcel zit twee rijen voor me. Halverwege draait hij zijn pen één keer tussen zijn vingers, ons afgesproken teken dat hij bij een lastige vraag niet in paniek raakt maar eerst het voorbeeld zoekt. Ik moet glimlachen en buig me weer over mijn eigen blad.
Na afloop wachten we bij de deur.
“Vraag zeven?” zegt hij.
Ik noem mijn antwoord.
“Ik ook.”
“Vraag negen?”
We hebben opnieuw hetzelfde. Bij de derde vraag steekt Marcel zijn hand op.
“Stop. Anders ontdek ik straks nog dat ik iets fout heb.”
Een week later liggen er twee achten op tafel. Marcel bekijkt zijn cijfer alsof het een onverwachte medaille is.
“Deze is van ons samen,” zegt hij.
“Dan wil ik de helft van je cijfer.”
“Je hebt zelf al een acht.”
“Dan heb ik er twaalf.”
“Zo werkt het niet.”
“Daarom leg jij de moeilijke dingen uit.”
De avond voor de presentatie leggen we bij Marcel de laatste hand aan mijn opdracht. We hebben eerst getraind. Mijn haar is nog vochtig en zijn wekker staat al op kwart voor vijf.
“Nog één keer de conclusie,” zegt hij.
“Nog één keer en ik verander mijn conclusie in: onderzoek is slecht voor de gezondheid.”
“Dat kun je onderbouwen met jezelf als bron.”
Ik begin toch. Halverwege verschuiven de letters op het scherm. Ik knipper, lees dezelfde zin opnieuw en word pas weer helder wanneer iemand mijn naam zegt.
“Sander.”
Marcels hand ligt op mijn onderarm. Niet stevig, alleen warm. Zijn duim beweegt één keer over mijn mouw voordat hij zijn hand terugtrekt.
“Je viel in slaap,” zegt hij zacht.
“Dat was een denkpauze.”
“Met je ogen dicht?”
“Ik denk grondig.”
Hij lacht, maar kijkt bezorgd. “We stoppen. Je kent het. En als je morgen vastloopt, kijk je naar je drie woorden.”
“Jij bent degene die altijd doorgaat tot iets af is.”
“Daarom herken ik het wanneer iemand te ver doorgaat.”
Ik sluit mijn laptop. De plek op mijn arm waar hij me aanraakte voelt nog steeds warmer dan de rest.
“Bedankt,” zeg ik.
“Voor het wakker maken?”
“Voor alles.”
Marcel kijkt naar het trainingsschema, naar mijn laptop en pas daarna naar mij. “In het begin dacht ik dat jij mijn plaats kwam innemen.”
Ik houd mijn adem in.
“Nu niet meer,” gaat hij verder. “Als jij er niet was, zou ik nog precies hetzelfde zwemmen als een maand geleden. En waarschijnlijk woensdag een onvoldoende hebben gehaald.”
“Dat laatste is natuurlijk het belangrijkst.”
“Natuurlijk.”
Hij glimlacht, maar wijkt niet uit. Een paar tellen zeggen we niets. Het is geen ongemakkelijke stilte. Eerder een stilte waarin iets had kunnen gebeuren als één van ons dapperder was geweest.
Dan klinkt beneden een deur en haalt Marcel zijn hand door zijn haar. “Ik fiets nog even met je mee.”
“Het regent.”
“Daarom.”
Buiten rijden we langzaam. Voor het eerst maakt geen van ons er een wedstrijd van. Bij mijn huis blijven we onder de lantaarn staan terwijl de regen langs onze jassen loopt.
“Tot morgen,” zegt Marcel.
“Naast elkaar?”
Hij herkent zijn eigen woorden van mijn eerste schooldag. “Reken daar maar op.”
Ik kijk hem na tot hij de hoek om is.
Sinds de verhuizing heb ik gedacht dat thuis een plaats was die ik kwijtgeraakt was. Misschien is dat niet helemaal waar. Misschien begint ergens thuishoren ook bij iemand die weet wanneer hij je moet laten praten, wanneer hij je moet wakker maken en wanneer hij gewoon naast je moet blijven.
Ik ben nog niet klaar om Marcel alles te vertellen.
Maar voor het eerst voelt zwijgen niet alleen als afstand. Het voelt ook als iets waarvoor ik binnenkort misschien de moed vind.
Na een trainingskamp verwacht ik spierpijn. Niet dat Marcel op maandagochtend naast me neerploft alsof iemand de stekker uit hem heeft getrokken.
Hij legt zijn voorhoofd op zijn armen. Zijn schrift ligt open bij een halve bladzijde aantekeningen, allemaal even recht. Alleen de laatste regel helt omlaag.
“Als je gaat slapen,” zeg ik, “zal ik tegen de docent zeggen dat dit hersteltraining is.”
Marcel tilt zijn hoofd op. “Woensdag hebben we die toets.”
“Dat klopt.”
“Ik heb nog niets gedaan.”
Dat past zo slecht bij hem dat ik eerst denk dat hij een grap maakt. Marcel werkt normaal vooruit. Zijn huiswerk is af voordat ik goed en wel weet dat we het hebben.
“Wanneer wilde je beginnen?” vraag ik.
“Vrijdag. Toen vertrokken we op trainingskamp. Daarna zaterdag. Toen hadden we drie trainingen. Gisteren heb ik twee uur naar hoofdstuk zes gekeken zonder iets te begrijpen.” Hij tikt met zijn pen op het papier. “Dus vanmiddag. Meteen.”
Hij zegt het alsof harder plannen hetzelfde is als beter begrijpen.
“Ik heb het vorige week al geleerd,” zeg ik.
Marcel kijkt op. “Natuurlijk.”
“Dat klonk niet als een compliment.”
“Het was afgunst.”
“Ik help je wel. Vanmiddag bij mij?”
Hij aarzelt. Hulp aannemen vindt hij duidelijk moeilijker dan een tweehonderd meter voluit zwemmen.
“Alleen als jij zegt wanneer ik irritant word.”
“Dat had je drie weken geleden moeten afspreken.”
Zijn mondhoek trekt omhoog. “Vier weken.”
Natuurlijk heeft hij het bijgehouden.
Die middag fietsen we naar mijn huis. Marcel rijdt sneller dan nodig, alsof hij de verloren studietijd onderweg kan inhalen. In mijn kamer zet hij zijn boeken in een keurige rij op het bureau. Ik schuif ze expres een centimeter scheef.
Hij zet ze terug zonder iets te zeggen.
“Dat wilde ik even testen,” zeg ik.
“Je hebt gefaald.”
We beginnen bij het onderdeel waar hij gisteren is vastgelopen. Marcel probeert iedere regel uit zijn hoofd te leren. Ik laat hem het boek dichtdoen en vraag hem uit te leggen wat er gebeurt alsof hij het aan iemand uit de brugklas vertelt.
“Dat kan ik niet.”
“Dan weet je precies waar het misgaat.”
Hij werpt me een blik toe die in het zwembad meestal betekent dat hij bij de volgende baan versnelt. Toch probeert hij het. De eerste uitleg loopt vast. De tweede is te ingewikkeld. Bij de derde gebruikt hij een voorbeeld uit een zwemwedstrijd en ineens begrijpt hij het.
“Waarom stond dat niet gewoon zo in het boek?” vraagt hij.
“Omdat de schrijver geen borstcrawl zwemt.”
Na een uur kan Marcel de hele stof zonder hulp navertellen. Hij leunt achterover en kijkt naar de samenvatting die we samen hebben gemaakt.
“Jij bent hier echt goed in,” zegt hij. “Niet alleen in de stof. Ook in uitleggen.”
Het compliment komt onverwacht. Ik kijk naar mijn schrift om niet te laten merken hoeveel het met me doet.
“Ik praat gewoon veel.”
“Nee. Je merkt waar ik afhaak en probeert dan iets anders.”
“Dat klinkt bijna nuttig.”
“Bijna.”
Wanneer hij zijn tas inpakt, blijft zijn blik hangen op een stapel losse vellen naast mijn laptop.
“Is dat die schoolopdracht waar je vorige week over klaagde?”
“Ik klaagde niet.”
“Je noemde het een vorm van georganiseerde wreedheid.”
“Dat was een zakelijke analyse.”
Op mijn oude school hoefde ik nooit een onderzoek te presenteren. Hier moet ik bronnen vergelijken, conclusies trekken en het resultaat mondeling verdedigen. Ik heb genoeg materiaal, maar geen lijn. Iedere keer als ik eraan begin, maak ik een nieuw schema en wordt het geheel groter.
Marcel bladert erdoorheen. “Je hebt drie inleidingen.”
“Ik kon niet kiezen.”
“En vijf hoofdvragen.”
“Ze zijn allemaal belangrijk.”
Hij gaat weer zitten. “Nee. Ze willen allemaal belangrijk zijn. Dat is iets anders.”
Ik wil protesteren, maar hij schuift de vellen in groepjes over mijn bureau. Binnen vijf minuten ligt er een volgorde. Marcel praat minder dan ik, maar zodra hij structuur ziet, klinkt hij zeker. Hij schrapt zonder medelijden een alinea waar ik een hele avond aan heb gewerkt.
“Die is goed,” zeg ik.
“Daarom kun je hem bewaren voor een andere opdracht.”
“Je geniet hiervan.”
“Een beetje.”
Woensdag werken we bij Marcel verder. Zijn kamer is precies zoals ik had verwacht: weinig spullen, niets op de vloer en trainingsschema’s boven zijn bureau. Toch staat er scheef op de vensterbank een geboetseerd visje met één oog. Wanneer ik ernaar wijs, wordt hij rood.
“Van mijn zus,” zegt hij. “Ze was acht.”
“Ik wilde al zeggen dat je talent ergens anders ligt.”
Hij gooit een prop papier naar me. Hij mist. Ik zet het visje voorzichtig recht.
We oefenen de presentatie. Ik praat te snel. Marcel laat me opnieuw beginnen, eerst zonder aantekeningen en daarna met maar drie trefwoorden per onderdeel. Zodra ik afdwaal, tikt hij met zijn pen op tafel.
“Je bent erger dan de coach,” zeg ik. “De coach laat je tenminste uitzwemmen.”
Na de derde poging blijf ik onder de afgesproken tijd. Marcel steekt zijn stopwatch omhoog. “Zie je wel.”
“Ik heb nog nooit iemand zo tevreden zien kijken omdat ik minder heb gezegd.”
“Ik wel.”
In een pauze haalt hij drinken. Op zijn bureau ligt ons trainingsschema naast mijn presentatie. Twee kolommen met tijden, doelen en opmerkingen. Sinds de coach ons heeft gewaarschuwd, schrijven we voor iedere estafettetraining op wat we afspreken. Niet omdat we elkaar niet vertrouwen, maar omdat vertrouwen blijkbaar makkelijker wordt wanneer Marcel het in een tabel kan zetten.
Wanneer hij terugkomt, vraag ik: “Denk je dat we die twee plaatsen krijgen?”
Hij zet mijn glas neer. “Als we blijven zwemmen zoals vorige week wel.”
“Dat was bijna optimistisch.”
“Ik werk eraan.”
We vergelijken onze beste tijden. Op sommige afstanden is hij sneller, op andere ben ik dat. Het verschil is nooit groot. Een maand geleden zou ik ieder honderdste hebben onthouden. Nu denk ik vooral aan hoe vanzelfsprekend het is geworden dat we onze resultaten naast elkaar leggen in plaats van tegenover elkaar.
Donderdag werken we weer bij mij. Buiten tikt regen tegen het raam. Beneden hoor ik mijn vader telefoneren over de bank; hij gebruikt de opgewekte stem die hij sinds zijn promotie vaker heeft. Mijn moeder schuift dozen door de gang. Een maand na de verhuizing staan er nog steeds dingen ingepakt.
Marcel kijkt naar een doos met het logo van mijn oude zwemclub.
“Mis je ze?” vraagt hij.
Ik wil automatisch ‘valt mee’ zeggen. Dat antwoord gebruik ik voor mijn ouders, mijn broer en iedereen die vraagt hoe het hier gaat.
“Ja,” zeg ik.
Marcel wacht. Hij vult stiltes nooit voor me in. Eerst vond ik dat ongemakkelijk. Nu voelt het alsof hij ruimte vrijhoudt.
“Daar wist ik wie ik was,” ga ik verder. “Op school, bij de club, zelfs in de kleedkamer. Hier ben ik steeds de nieuwe jongen. Thuis voelt ook nog niet als thuis. Soms denk ik dat iedereen al verder is met deze verhuizing dan ik.”
“Je ouders ook?”
“Mijn vader heeft zijn nieuwe baan. Mijn moeder richt het huis in. Mijn broer praat vooral over teruggaan zodra hij gaat studeren.” Ik haal mijn schouders op. “Ik weet niet waar ik volgend jaar wil zijn. Op sommige dagen weet ik niet eens waar ik nu hoor.”
Marcel draait zijn glas tussen zijn handen. “Ik weet altijd waar ik hoor. Misschien te precies.”
“Is dat een klacht?”
“Niet echt. Maar soms denk ik dat ik alles zo vol plan dat ik nooit hoef na te denken over wat er gebeurt als zwemmen wegvalt.”
Het is de eerste keer dat hij daar iets over zegt. In mijn hoofd is Marcel degene met een route: school, training, wedstrijden, sneller worden. Blijkbaar kun je ook verdwalen op een rechte weg.
“Dan zoeken we het allebei nog uit,” zeg ik.
Hij knikt.
“Alleen jij praat er eerder over.”
“Iemand moet het gesprek doen.”
“Dat doe je uitstekend.”
“Wat?” vraagt Marcel.
“Niets.”
Hij trekt een wenkbrauw op.
“Niet alles tegelijk,” zeg ik.
Tot mijn opluchting knikt hij alleen. “Goed.”
Woensdag maken we de toets. Marcel zit twee rijen voor me. Halverwege draait hij zijn pen één keer tussen zijn vingers, ons afgesproken teken dat hij bij een lastige vraag niet in paniek raakt maar eerst het voorbeeld zoekt. Ik moet glimlachen en buig me weer over mijn eigen blad.
Na afloop wachten we bij de deur.
“Vraag zeven?” zegt hij.
Ik noem mijn antwoord.
“Ik ook.”
“Vraag negen?”
We hebben opnieuw hetzelfde. Bij de derde vraag steekt Marcel zijn hand op.
“Stop. Anders ontdek ik straks nog dat ik iets fout heb.”
Een week later liggen er twee achten op tafel. Marcel bekijkt zijn cijfer alsof het een onverwachte medaille is.
“Deze is van ons samen,” zegt hij.
“Dan wil ik de helft van je cijfer.”
“Je hebt zelf al een acht.”
“Dan heb ik er twaalf.”
“Zo werkt het niet.”
“Daarom leg jij de moeilijke dingen uit.”
De avond voor de presentatie leggen we bij Marcel de laatste hand aan mijn opdracht. We hebben eerst getraind. Mijn haar is nog vochtig en zijn wekker staat al op kwart voor vijf.
“Nog één keer de conclusie,” zegt hij.
“Nog één keer en ik verander mijn conclusie in: onderzoek is slecht voor de gezondheid.”
“Dat kun je onderbouwen met jezelf als bron.”
Ik begin toch. Halverwege verschuiven de letters op het scherm. Ik knipper, lees dezelfde zin opnieuw en word pas weer helder wanneer iemand mijn naam zegt.
“Sander.”
Marcels hand ligt op mijn onderarm. Niet stevig, alleen warm. Zijn duim beweegt één keer over mijn mouw voordat hij zijn hand terugtrekt.
“Je viel in slaap,” zegt hij zacht.
“Dat was een denkpauze.”
“Met je ogen dicht?”
“Ik denk grondig.”
Hij lacht, maar kijkt bezorgd. “We stoppen. Je kent het. En als je morgen vastloopt, kijk je naar je drie woorden.”
“Jij bent degene die altijd doorgaat tot iets af is.”
“Daarom herken ik het wanneer iemand te ver doorgaat.”
Ik sluit mijn laptop. De plek op mijn arm waar hij me aanraakte voelt nog steeds warmer dan de rest.
“Bedankt,” zeg ik.
“Voor het wakker maken?”
“Voor alles.”
Marcel kijkt naar het trainingsschema, naar mijn laptop en pas daarna naar mij. “In het begin dacht ik dat jij mijn plaats kwam innemen.”
Ik houd mijn adem in.
“Nu niet meer,” gaat hij verder. “Als jij er niet was, zou ik nog precies hetzelfde zwemmen als een maand geleden. En waarschijnlijk woensdag een onvoldoende hebben gehaald.”
“Dat laatste is natuurlijk het belangrijkst.”
“Natuurlijk.”
Hij glimlacht, maar wijkt niet uit. Een paar tellen zeggen we niets. Het is geen ongemakkelijke stilte. Eerder een stilte waarin iets had kunnen gebeuren als één van ons dapperder was geweest.
Dan klinkt beneden een deur en haalt Marcel zijn hand door zijn haar. “Ik fiets nog even met je mee.”
“Het regent.”
“Daarom.”
Buiten rijden we langzaam. Voor het eerst maakt geen van ons er een wedstrijd van. Bij mijn huis blijven we onder de lantaarn staan terwijl de regen langs onze jassen loopt.
“Tot morgen,” zegt Marcel.
“Naast elkaar?”
Hij herkent zijn eigen woorden van mijn eerste schooldag. “Reken daar maar op.”
Ik kijk hem na tot hij de hoek om is.
Sinds de verhuizing heb ik gedacht dat thuis een plaats was die ik kwijtgeraakt was. Misschien is dat niet helemaal waar. Misschien begint ergens thuishoren ook bij iemand die weet wanneer hij je moet laten praten, wanneer hij je moet wakker maken en wanneer hij gewoon naast je moet blijven.
Ik ben nog niet klaar om Marcel alles te vertellen.
Maar voor het eerst voelt zwijgen niet alleen als afstand. Het voelt ook als iets waarvoor ik binnenkort misschien de moed vind.