Dezelfde baan. Deel 2. De nieuwkomer.

Plaats hier je eigen verhalen.
Gesloten
Wimmie
Berichten: 338
Lid geworden op: wo 01 jan 2020, 23:09
Vul het getal in: 123

Dezelfde baan. Deel 2. De nieuwkomer.

Bericht door Wimmie » vr 23 okt 2026, 09:14

Sander:

Toen mijn vader vertelde dat hij directeur kon worden van een bank in Noord-Nederland, zei ik dat ik blij voor hem was. Dat meende ik ook. Alleen betekende zijn promotie dat wij naar de andere kant van het land moesten verhuizen.

Mijn school achterlaten vond ik vervelend. Mijn zwemclub achterlaten voelde erger. Daar wist ik wie ik was, hoe snel ik was en waar ik thuishoorde. Hier moet ik dat allemaal opnieuw uitzoeken.

Mijn broer maakte het kleiner dan het voor mij voelde. Hij is een jaar ouder, doet dit jaar eindexamen en gaat daarna studeren. Misschien keert hij terug naar onze oude woonplaats. “Dat kun jij volgend jaar ook doen,” zei hij.

Alsof één jaar kort is wanneer je zeventien bent.

Wat ik na mijn diploma wil studeren, weet ik trouwens niet. Op dit moment weet ik vooral wat ik niet wil: opnieuw ergens beginnen waar niemand mij kent.

Mijn vader vond snel een huis. Mijn ouders vonden ook meteen een school voor me: een topsporttalentschool. Eén klas per leerjaar, gevuld met leerlingen die soms trainen op uren waarop gewone scholieren in een lokaal zitten. Lessen worden om trainingen heen gepland en gemiste stof kun je inhalen. Mijn ouders zagen vooral de mogelijkheden. Ik zag een onbekend gebouw vol onbekende mensen.

Er is nog iets wat nieuwe mensen ingewikkeld maakt. Ik val op jongens. Dat weet ik sinds de eerste klas middelbare school, toen andere jongens eindeloos bespraken welke meisjes ze aantrekkelijk vonden en ik vooral naar hén keek. Mijn broer was de eerste en enige aan wie ik het vertelde.

“Dan ben je homo,” zei hij, alsof hij de uitkomst van een rekensom voorlas.

Mijn ouders weten het nog niet. Na mijn broer had ik de moed niet meer het hen te vertellen. Ben ik er bang voor? Ik weet het niet. Het is er nog niet van gekomen, zal ik maar zeggen.

Gisteravond maakte ik kennis met mijn nieuwe zwemclub. De coach had me naar de training in het vijftigmeterbad laten komen om mijn niveau te bepalen. Nog voor ik goed en wel wist waar ik mijn tas moest neerzetten, liet hij me tweehonderd meter tegen Marcel, de beste zwemmer van de groep, zwemmen.

Ik tikte één seconde eerder aan.

Marcel feliciteerde me meteen. Zijn stem klonk sportief, maar zijn glimlach bleef niet helemaal staan. Ik begreep het. Als een onbekende op mijn eerste avond mijn plek bedreigde, zou ik daar ook niet vrolijk van worden.

Toch hoop ik dat hij me niet alleen als concurrent ziet. Onze tijden liggen zo dicht bij elkaar dat we elkaar beter kunnen maken. Bovendien is hij knap. Die gedachte heb ik zorgvuldig genegeerd tot ik thuis in bed lag.

Vanmorgen liep ik achter mijn mentor door de school. In elke gang hangen foto’s van leerlingen met medailles, bekers of nationale tenues. Blijkbaar is uitzonderlijk zijn hier de gewoonste zaak van de wereld.

Toen de mentor de klas binnenstapte, verstomden de gesprekken. Ik ging naast hem staan en voelde vijfentwintig ogen op me gericht.

“Dit is Sander,” zei hij. “Hij is net verhuisd en komt onze klas versterken. Vertel zelf maar even welke sport je doet.”
“Zwemmen,” zei ik. “Vooral borstcrawl.”
Bijna iedereen keek tegelijk naar één plek achter in het lokaal.
Waar Marcel zit.
Hij keek even verrast als ik, maar herstelde zich sneller. Hij knikte. Meer niet.
“Dat komt mooi uit,” zei de mentor. “Marcel, jij maakt Sander vandaag wegwijs. Er is nog plaats naast je.”
Ik ging naast hem zitten. “Toeval,” fluisterde ik.
“Blijkbaar.”

Hij schoof zijn boeken opzij om ruimte te maken, keurig in één stapel. “Eén ding: op school heb ik het liever niet de hele tijd over zwemmen.”
“Omdat je hier geen seconde wilt verliezen?”
Hij keek me aan. Een fractie te lang. “Omdat school school is.”
Ik stak mijn handen op. “Begrepen.”

Na het eerste uur stroomde de klas de gang in. Binnen een paar tellen stond ik alleen met een rooster waarop lokaalnummers stonden die mij niets zeiden. Mijn volgende les was Duits. Ik volgde twee leerlingen die zelfverzekerd linksaf sloegen, tot ik zag dat zij de trap naar beneden namen en mijn lokaal op de derde verdieping moest liggen.
“Verdwaald?”
Marcel stond achter me met zijn tas over zijn schouder.
“Ik noem het liever verkennen.”
Zijn mondhoek bewoog. “Welk lokaal?”
Ik liet hem mijn rooster zien.
“Dat is aan de andere kant. Loop maar mee.”
“Kom jij dan niet te laat?”
“Waarschijnlijk wel.” Hij draaide zich al om. “Ik leg het wel uit.”

Gisteravond had hij gekeken alsof ik iets van hem kwam afpakken. Nu bracht hij me dwars door het gebouw naar mijn lokaal. Ik weet niet welke Marcel de echte is.

In de grote pauze zie ik hem alleen aan een tafel in de aula zitten. Hij heeft een broodtrommel open en een schrift er naast gelegd. Eten en huiswerk tegelijk. Zelfs zijn pauze lijkt gepland.
“Is deze plaats vrij?” vraag ik.
“Nu niet meer.”
Ik ga zitten. “Ik wil nog vragen: vond je het gisteren erg dat ik won?”
Marcel legt zijn pen neer. “Je draait er niet omheen.”
“Dat scheelt tijd.”
Hij denkt even na. “Ik vond het niet leuk. Ik ben niet gewend dat iemand binnenkomt en meteen sneller is.”
“Eén seconde.”
“Eén seconde is ook sneller.”
Het antwoord klinkt scherp, maar niet vijandig. Eerlijk vooral.

“Bij mijn vorige club stond ik meestal bij de beste drie. Ik had nog nooit in een vijftigmeterbad gezwommen. Ik dacht na de laatste keerlijn dat mijn armen eraf zouden vallen.”
Marcel lacht. Voor het eerst zonder zich meteen weer in te houden. “Dat was niet te zien.”
“Mooi. Dan heb ik goed toneelgespeeld.”

Hij schuift zijn schrift dicht. “Bij wedstrijden zwemmen we meestal voor dezelfde club, niet tegen elkaar. De coach heeft ons met opzet naast elkaar gezet. Hij wil weten wat er gebeurt als we elkaar opjagen.”
“En? Wat gebeurt er?”
“Dat zien we vanavond.”

Buiten het zwembad is hij anders. Minder luid, zorgvuldiger. Hij lijkt ieder antwoord eerst te wegen. Ik praat juist wanneer ik zenuwachtig ben; stilte maakt ruimte voor gedachten waar ik liever niet naar luister.

Ik vraag hem hoe de school in de praktijk werkt. Hij vertelt over verplaatste proefwerken, inhaallessen en docenten die weten dat herstel soms belangrijker is dan een extra lesuur.

“School en sport zijn hier even belangrijk,” zegt hij. “Dat betekent niet dat alles mag. Je moet juist zorgen dat beide blijven lopen.”
Dat klinkt precies zoals hij eruitziet: beheerst, voorbereid en een beetje streng voor zichzelf.
“En wat wil jij bereiken met zwemmen?” vraag ik.
Hij kijkt naar zijn handen. “Ik wil winnen. Maar of ik goed genoeg ben voor nationaal of internationaal niveau weet ik niet. Zolang ik beter word, ga ik door.”
“Dat klinkt toch als een plan.”
“Het is eerder uitstel van een beslissing.”
“Dan hebben we hetzelfde plan.”

Hij wil waarschijnlijk vragen wat ik na school wil doen, maar de bel gaat. Voor het eerst die dag komt het geluid precies op tijd. Mijn toekomst voelt sinds de verhuizing als een doos waarvan iemand de inhoud door elkaar heeft geschud.

Na de laatste les wacht Marcel bij de fietsenstalling. Niet opvallend, alsof hij daar toevallig staat; hij heeft zijn fiets nog niet van het slot gehaald.
“Welke kant moet jij op?” vraagt hij.
Ik noem mijn wijk.
“Daar woon ik ook.”
“Dan kunnen we samen fietsen. Ook naar de trainingen, als je wilt.” Ik probeerde het achteloos te laten klinken. “Praktisch.”
“Heel praktisch,” zegt hij.

Op weg naar huis rijdt hij eerst een halve fietslengte voor me. Als ik naast hem fiets, versnelt hij. Ik versnel mee.
“Is dit ook trainen?” vraag ik.
“Jij begon.”
“Ik kwam alleen naast je fietsen.”
“Precies.”

Bij de kruising waar onze routes uit elkaar lopen, remmen we tegelijk.
“Tot vanavond,” zegt Marcel.
“Naast elkaar?”
“Reken daar maar op.”
Hij slaat rechtsaf. Ik kijk hem na tot hij achter een rij huizen verdwijnt.

Marcel houdt van duidelijke lijnen: school aan de ene, zwemmen aan de andere kant. Ik ben nog geen dag in zijn klas en heb nu al het gevoel dat ik precies op de grens ertussen ben beland.
Of ik zijn trainingspartner, zijn concurrent of iets anders zal worden, weet ik niet. Wel dat ik vanavond graag weer in de baan naast hem wil liggen.

Gesloten