De reünie (deel 5)
De echte Ludwig was in het verleden verborgen gebleven achter de stempels die anderen op hem hadden gedrukt en die ik ook veel te makkelijk op hem had gekleefd. Nu hij zichzelf zo openlijk liet zien, zag ik hoe mooi hij was. Ook zijn lichaam. Het was het krachtige lichaam van een volwassen man die zichzelf durfde zijn, niet dat van een beschadigd slachtoffer.
In die periode begon ook onze sociale wereld vorm te krijgen, al zag die er voor ons allebei aanvankelijk heel anders uit. Mijn eigen netwerk was overzichtelijk en onbekommerd. Ik speelde volleybal en bewoog me vanzelfsprekend binnen een sportieve, dynamische bende waar de omgang gemakkelijk en licht was. Ludwig bracht op dat vlak een pijnlijk contrast mee. Hij had geen vrienden, eigenlijk had hij die nooit gehad. De isolatie van zijn schooltijd was naadloos doorgelopen in zijn studentenjaren en zijn jongvolwassen leven.
Ik nam het bewuste besluit om de deuren van mijn wereld voor hem open te zetten.
"Ga vrijdag mee naar de sporthal," zei ik tegen hem. "En daarna mee naar het café."
Ludwig twijfelde even, de oude schroom zichtbaar op zijn gezicht. "Weet je dat wel zeker? Ik ben geen sporter. Ik ben ook niet zo'n held in een groep."
"Je hoeft niet te volleyballen," antwoordde ik. "Dat zal ik wel doen. En je hoeft je voor niemand te bewijzen. Ik introduceer je niet als een drenkeling die gered moet worden. Je bent mijn partner, je bent Ludwig. Dat is genoeg."
De introductie ging verrassend vlot. Er waren geen ingehouden stiltes, geen vreemde blikken of gekunsteld gedrag. Mijn vrienden namen hem zonder enig voorbehoud op in de aanhang van de ploeg en de cafébezoeken na de wedstrijd.
"Schuif bij, Ludwig. Wat drink je?" klonk het al de eerste avond aan de tafel en de gesprekken gingen evengoed over de actualiteit of dagelijkse dingen als over de wedstrijd die net gespeeld was.
Voor Ludwig was die vanzelfsprekendheid een openbaring. De schrik dat hij niet in een groep zou passen, viel snel van hem af. Het bleef dan ook niet bij 'de vrienden van Geert'. Mijn vrienden werden na verloop van tijd ook oprecht de zijne, een eigen sociaal netwerk dat hij voor het eerst in zijn leven mocht ervaren.
Ludwig was intellectueel scherp, veel scherper dan de meeste van mijn sportvrienden gewend waren. Zodra hij voelde dat de omgeving veilig was en hij zich goed voelde, kwam die kant van hem naar buiten. Zijn belangrijke troef bleek zijn humor te zijn: een heel eigen, surrealistische en soms vlijmscherpe humor die niemand zag aankomen.
Hij was niet de luidruchtige gangmaker van het gezelschap, maar de man die vanaf de zijlijn luisterde en precies op het juiste moment een droge, briljante opmerking plaatste waarmee hij de hele bende plat kreeg. Dat intellectuele vuurwerk maakte hem snel geliefd. Mijn vrienden zagen al gauw dat hij absoluut geen kwetsbaar 'aanhangsel' was dat ontzien moest worden, maar een man met een ijzersterke geest en een unieke blik op de wereld. Voor mij was het fantastisch om te zien: de jongen die op het college ooit het etiket van zondebok kreeg opgekleefd, claimde hier met zijn eigen, geestige insteek zijn volwaardige plek in een groep.
Het werden geen wittebroodsweken, maar wittebroodsmaanden. Een intense, haast onwerkelijke tijd waarin we ontdekten dat gedeelde interesses ons nog niet identiek maakten.
"Jij dendert altijd maar door," merkte Ludwig op een avond op, terwijl hij me observeerde. "Je wilt alleen maar vooruit. Alsof je bang bent om stil te staan."
Ik lachte het weg, maar zijn vaststelling was raak. Het verschil in ons tempo tekende zich al snel af in alles wat we deden, in de eerste plaats achter gesloten deuren.
Wanneer we bij elkaar afspraken, veranderde de vertrouwde 'volgorde van bewerkingen' drastisch. De opgespaarde lust kende geen rem meer zodra de voordeur in het slot viel. Gedreven door mijn verlangens wilde ik stormen. Ludwig weigerde daarin mee te gaan.
"Rustig," fluisterde hij dan, terwijl hij mijn polsen beet pakte en de vaart er resoluut uithaalde. Hij keek me aan, zijn blik donker en onverstoorbaar. "Niet zo. Waar ben je naar op weg? Je gaat voor de communie de kerk uit als je niet oplet."
Hij bleek verrassend passioneel, maar op een wezenlijk andere, veel diepere manier dan ik gewend was. Hij werd de vertragende factor. Hij hield me in toom. In de stilte die viel wanneer hij me afremde, kon ik hem pas echt goed zien. Hij was een prachtige man. Hij was altijd al bleek geweest, ook vroeger op het college, maar nu viel het me op hoe volkomen gaaf zijn huid was, hoe verfijnd en ongeschonden de trekken van zijn gezicht waren. Die dwingende vertraging van hem was precies wat ik nodig had; het dwong me uit mijn hoofd en in het moment.
Onze levens vloeiden in die maanden geruisloos in elkaar over door kleine, alledaagse vanzelfsprekendheden. We bleven elk weekend bij elkaar slapen. Als ik in het weekend moest werken, bleef hij.
"Ik ben er nog als je thuiskomt," zei hij simpelweg. "Ik blijf hier en zal voor je koken."
Toen ik dan uren later de sleutel in het slot stak, en zijn stem vanuit mijn eigen woonkamer klonk, voelde het appartement daadwerkelijk als een thuis.
"Heb je honger?" vroeg hij toen ik thuiskwam.
"Natuurlijk heb ik honger, de hele dag al," antwoordde ik.
Het was de natuurlijke, onstuitbare drang om te vrijen die alles overnam. Zodra we bij elkaar waren, veranderde de volgorde van wat we deden vanzelf. Waar we eerder eerst uren kletsten en rustig koffie dronken voordat we elkaar aanraakten, sloeg de vonk meteen over. De prangende honger naar elkaars nabijheid was zo groot dat al het andere moest wachten.
Dat ging zelfs zo ver dat we een keer een wandeling van Natuurwijzer volledig misten. We hadden onze wandelschoenen aan de deur klaargezet, maar toen we elkaar vasthielden, verdween de buitenwereld en verloren we elk besef van tijd. Toen ik geruime tijd later terloops op de klok keek, bleek de gids met de groep al lang in het bos te lopen.
"We zijn veel te laat," zei ik, terwijl ik overeind wilde komen en naar de klok wees. "De wandeling is al een uur bezig."
Ludwig trok me aan mijn arm weer naast zich op het kussen. "Laat die gids maar alleen wandelen," zei hij droogjes, met die kenmerkende, verfijnde glimlach om zijn lippen. "Ik denk dat we hier op dit moment nuttiger werk verrichten."
Ik liet me lachend terugvallen. Hij had gelijk. Dat vrijen met hem was nooit vluchtig; het was intens en vol overgave. Ludwig was op een heel eigen manier passioneel. Hij hield de vaart er niet uit om me tegen te houden, maar om het moment op te rekken, om elke aanraking bewuster te maken. Het was een lichte, prachtige tijd waarin we de klokken in huis niet meer hoorden tikken en we toegaven aan wat er tussen ons leefde.
Ludwig zei nooit nee. Als ik het initiatief nam, was hij er altijd, maar geleidelijk aan verschoof het patroon opnieuw. Het overrompelende duiken op elkaar bij het binnenkomen maakte plaats voor een veel verfijnder en rustiger ritme.
Hij had zo zijn eigen voorkeuren. Ludwig vrijde het liefst na een avonddouche, wanneer de hectiek van de dag volledig van ons afgespoeld was en zijn warme huid nog rook naar zeep. Of juist 's morgens vroeg, wanneer de kamer nog half in het duister lag en we vanuit een lome, luie knuffel heel langzaam wakker werden in elkaars armen.
"Geert, niet alles hoeft meteen," zei hij op een namiddag op een moment dat ik uit gewoonte weer te snel wilde schakelen, terwijl hij zijn hand rustig op mijn borst legde. "Laten we nog even wachten. Straks, als we gedoucht zijn."
Ludwig leerde me het uitstellen. Niet alleen tijdens het vrijen zelf, het vertragen van de bewegingen om het moment te verdiepen, maar ook het schuiven met de tijdstippen. Hij leerde me de kunst van het verlangen opbouwen over een hele dag. Seks werd daardoor geen ontlading meer om een onstilbare honger te stillen, maar een bewuste, ingewijde ontmoeting waar een hele avond van stille verheuging aan vooraf kon gaan. Dat gaf een andere lading aan de beleving.
"Ruw" was het trouwens nooit. Ik had weliswaar altijd zin, maar intimiteit was tussen ons nooit een kwestie van onbeheerste drang. Ik verstond de kunst van geven en nemen al te goed om me ooit op te dringen; van dwang is tussen ons nooit enige sprake geweest.
Dat we onze werkelijke verschillen pas later echt leerden kennen, kwam doordat we in die beginfase zo vurig wensten gelijk te zijn. We zochten zo graag naar herkenning dat we ons spiegelden aan elkaars gevoelens en dachten dat we op exact dezelfde frequentie zaten. Het was de illusie van de prille liefde: het idee dat we twee identieke kanten van dezelfde medaille waren.
"Denk je dat wij hetzelfde zijn?" vroeg ik hem eens op een luie zondagmiddag, toen we weer eens uren hadden liggen praten en dromen.
Ludwig keek me aan, glimlachte veelbetekenend en schudde langzaam zijn hoofd. "Nee, Geert," zei hij kalm. "Gelukkig maar. Want als we kopieën van elkaar waren, wie zou me dan kunnen tegenspreken?"
Pas later begreep ik de diepte van die eenvoudige vaststelling. Gelijkwaardigheid betekent niet dat we identiek moeten zijn, maar dat onze verschillen elkaar aanvullen zonder dat er sprake is van een machtsstrijd. Mijn constante verlangen en zijn afgewogen, vertraagde ritme stonden niet haaks op elkaar; ze vormden een dialoog waarin we de kunst van het afstemmen verfijnden. We mochten verschillen, juist omdat de onderbouw van respect en vrijwilligheid zo rotsvast was.