Tegenwind naar de finish. Deel 11.
Geplaatst: vr 18 sep 2026, 05:42
Niels:
Donderdagmorgen rijden we opnieuw naar Leeuwarden. De route kennen we: de bochten, de stopplekken, zelfs de stukken waar de wind tussen de huizen door trekt. Dat stelt gerust, maar het maakt me ook scherper. Juist omdat we weten wat er komt, wil ik vandaag beter zijn dan de vorige keer.
Ik heb Mees gevraagd om veel foto’s en filmpjes te maken. Niet alleen voor de website, maar ook voor het beoordelen van onze techniek.
Als we bij de Prinsentuin wegvaren, wacht ik een paar slagen tot we ons ritme hebben gevonden. Dan zeg ik, sneller dan ik van plan was:
“Ik heb gisteravond een tekst gemaakt die we misschien voor de website of voor de tocht kunnen gebruiken. Er is een lange versie, die is te lang voor de website. Daarom heb ik ook een korte gemaakt. Die wil ik je straks voorlezen.”
Sam kijkt me aan alsof hij me opnieuw moet plaatsen. Verbaasd, maar ook met iets van trots in zijn blik.
“Ik wist niet dat jij een schrijver was.”
“Ik zelf ook niet. Het is Joris die in mijn hoofd blijft zitten. Jij vertelde hoe ziek hij was en toch vrolijk kon blijven. Dat vind ik bijna niet te begrijpen. Zo jong, zo ziek, en dan nog steeds vooruit willen kijken. Daardoor kwam die tekst. Niet helemaal uit het niets trouwens. De tekst is geïnspireerd op het lied 'Believe' van Chaisen Hale.”
“Ik ken geen Chaisen Hale. Is dat een Engelse artiest?”
“Chaisen Hale is geen artiest,” zeg ik. “Het is AI.”
“Wat? Werk jij met AI?”
“Ja: kijken, luisteren en geinspireerd worden door AI, waarom niet?”
“Omdat, als ze dat op school merken….”
“Ik gebruik AI niet voor school. Ik gebruik het voor mezelf als ik er iets mee kan.”
“Gelukkig, ik zag je al van school gestuurd worden. Dat kan je me niet aandoen.”
“Hoezo? Wat is je punt?”
“Laat maar. Ik wil wel graag die tekst van jou horen.”
“Ik ga hem straks voorlezen.”
We suppen verder. Het water schuift donker en glad onder onze boards door, alleen onze peddels breken het open. Het gaat goed. Daarom voelt het bijzonder: de stad achter ons, de zomer om ons heen, en tussen Sam en mij die tekst die nog uitgesproken moet worden.
Op onze eerste stopplek komt Sam op mijn tekst terug.
“Wil je mij nu die tekst laten horen?”
“Natuurlijk. Ik begin met de korte tekst.”
“ 'Ik wil leven'.
Laat me nog even het water op.
Niet om te bewijzen dat ik sterk ben,
maar om te voelen dat ik er ben.
Leukemie heeft mijn dagen kleiner gemaakt,
niet mijn verlangen naar lucht, liefde en beweging.
Mijn board wiebelt onder mijn voeten,
mijn handen zoeken de peddel,
mijn adem zoekt de ruimte boven het meer.
Zeg niet waar mijn grens ligt.
De oever is er later wel.
Nu is er water,
een horizon,
één slag vooruit.
Met leukemie ben ik niet alleen een zieke:
ik ben iemand die blijft proberen, voelen, hopen.
Ik wil blijven.
Ik wil liefhebben.
Ik wil leven.”
Daarna blijft het stil. Niet gewoon stil, maar zo stil dat ik ineens het klotsen van water tegen de steiger hoor. Sam kijkt me aan zonder meteen iets te zeggen. Mees en Silke lijken ook niet goed te weten wat ze met mij aan moeten.
“Wil je het nog een keer voorlezen?” vraagt Silke mij.
Dat doe ik.
“Dat is schitterend, hoe heb je dat voor elkaar gekregen?”
“Ik luisterde naar het lied 'Believe'. Ik vind het een prachtige tekst gericht op willen leven. Toen dacht ik aan Joris. Ineens kon ik het zo opschrijven.”
“Dat vraagt erom om gebruikt te worden.” zegt Mees.
Ik kijk Sam aan.
“Weet je, ik kon even niets zeggen. Zo mooi vind ik het” zegt Sam.
“Ik heb het gemaakt om te gebruiken” zeg ik.
“Ik stuur het op naar Joris.” rondt Sam het af.
Daarna stappen we weer op onze planken.
“Niels, ik wil het nog een keertje zeggen: wat heb jij dat knap geschreven.”
“Ik schreef het ineens. Joris zelf was mijn inspiratie. Zo jong, zo ziek, zo levenslustig. Gelukkig genezen. Het resultaat zie je als je met hem praat.”
Ik ben blij dat het gebruikt gaat worden.
Halverwege schuift er regen over het water. Geen bui om bang van te worden, meer een dun gordijn dat tegen onze armen prikt en meteen weer openscheurt. We lachen erom en suppen door. Het is warm genoeg om ons door de wind te laten drogen.
De dag volgt grotendeels dezelfde lijn als een paar dagen geleden. Dat maakt hem overzichtelijker, maar ook gevaarlijk rustig: je weet waar de pauzes komen, waar je gaat eten, waar je even mag ontspannen. Juist daarom moet ik mezelf eraan herinneren dat bekend terrein nog geen gemakkelijke tocht betekent.
Onderweg praten we over onze toekomst.
“Hoe zie jij jouw toekomst, Sam? “ vraag ik.
“Ik weet het nog niet,” zegt Sam. “Voor ons hotel-restaurant ben ik denk ik niet geschikt. Toen Joris ziek was, dacht ik dat ik arts wilde worden. Iets kunnen doen voor kinderen die zo ziek zijn, dat leek me toen het enige dat telde. Maar of ik daar geschikt voor ben? Geen idee. Gelukkig heb ik nog een jaar. En jij, Niels?”
“Ik weet het ook niet. De manege hoort bij mij, dat wel, maar of ik daar mijn hele leven rond wil lopen? Geen idee. Soms denk ik dat ik pas weet wat ik wil als iemand me vraagt wat ik absoluut niet wil. En zelfs dan twijfel ik nog. Zoals jij zegt: we hebben nog een jaar.”
“Verder: huisje, boompje, beestje?” vraagt Sam mij.
“Geen idee. Zoals je het zegt lijkt het wel een manege.”
“Dat bedoel ik niet.”
“Wat bedoel je dan wel?”
“Heb jij wel eens een vriendin gehad?”
“Neen, jij?”
“Neen, ook niet.”
“Zie je wel,” zeg ik iets te snel. “Dat is niet nodig.” Ik doe alsof ik een grap maak, maar ondertussen voel ik mijn wangen warm worden. Sam kijkt naar het water naast zijn board en glimlacht alsof hij precies hoort wat ik niet zeg.
Al pratend en suppend komen we bij Woudsend waar we in hetzelfde restaurant aan het water eten.
Silke komt nog een keer op de tekst terug.
“Is het een idee om een flyer te maken waar dit gedicht op komt te staan om sponsoren te werven?”
“Ik vraag het reclamebureau wat zij ervan vinden,” zegt Sam. “Maar eerlijk gezegd denk ik dat ze meteen ja zeggen. Dan moeten wij zorgen dat die flyers ook op de goede plek terechtkomen.”
We zijn keurig op tijd in Sloten. We pakken alles in en rijden terug naar huis. We eten vandaag bij Sam thuis, Mees zal weer laten zien wat hij allemaal leert op de hogere hotelschool.
Als ik ’s avonds in bed lig - ik ga vroeg, want morgen moeten we weer op tijd het water op
- blijf ik bij de gesprekken met Sam hangen. Hij is anders dan ik dacht. Niet die jongen met het plan, de tocht en Joris in zijn hoofd. Hij is iemand die tegelijk stoer en kwetsbaar kan zijn. Ik merk dat ik steeds vaker aan hem denk, ook als hij er niet is. Kennelijk gaat hij steeds meer voor mij betekenen. Ik weet niet hoe Sam daarin staat, en misschien wil ik het ook nog niet weten. Eerst de Elfstedentocht. Daarna zie ik wel of ik durf te kijken naar wat er tussen ons gebeurt.
Ik val snel in slaap en word vroeg wakker. Even blijf ik liggen om te voelen wat mijn lichaam zegt. Geen protest. Geen zeurende schouders, geen zware armen. Ik voel me fit. Nog voor ik uit bed stap, app ik Sam.
Niels: Goede morgen, Sam.
Er gebeurt even niets, dan kleuren de 2 v-tjes blauw.
Sam: Goede morgen.
Niels: hoe voel jij je?
Sam: Uitgerust en vol energie.
Niels: Spierpijn?
Sam: Nop.
Niels: Dat is mooi. Beginnen we aan dag 2.
Sam: Yup. Ik heb er zin in!
Niels: Ik maak me klaar, tot zo.
Ik maak me klaar en wacht. Het duurt niet lang voor ik de auto met paardentrailer om de hoek zie komen. Ik doe mijn spullen in de paardentrailer en stap naast Sam in. Mees en Silke zitten voorin.
“Jij net zo fit als onze Sam?” vraagt Silke.
“Zeker, dit dagje doen we er gewoon achteraan.”
We rijden naar Sloten waar we weer opstappen. Ik ervaar het als een groot voordeel dat we deze dag al eens gesupt hebben. De herkenning scheelt en het lijkt alsof de dagen er korter van worden.
Meteen pakken we het ritme weer op. Rustig tempo, pauzes op de plekken die we kennen, een korte regenveeg en daarna die typische Hollandse lucht waarin zon en wolken elkaar steeds afwisselen. Het is geen spectaculaire dag. Wel een belangrijke: elke kilometer die zonder probleem achter ons ligt, maakt onze kans op de Elfstedentocht groter.
Ik vraag Sam regelmatig hoe het gaat. Hij ziet er relaxt uit, antwoordt mij ook steeds dat het goed gaat.
Als we uiteindelijk in Workum afstappen, verwelkomd door Mees en Silke, kijken we elkaar tevreden aan.
“Hoe gaat het?”
“Prima, een beetje moe, niet heel erg, mijn spieren laten weten dat ze er zijn, zonder dat ik echt spierpijn heb.”
“Dan kunnen we tevreden zijn. Bewijs dat we het kunnen halen.”
“Ik heb bedacht dat het misschien handig is om die andere dagen ook nog te suppen. Wat vind je daarvan?”
“De laatste dag lijkt me wat overbodig. Die andere dagen, mag ik daar over nadenken, Sam?”
“Natuurlijk, jij bent de coach. Jij beslist.”
“Wat een eer. Wat een verantwoordelijkheid. Die rust nu zwaar op mijn schouders.”
“Beter die verantwoordelijkheid dan mijn gewicht.”
“Weet jij veel wat ik aankan?”
“Zullen we het uitproberen?”
“Ooit, niet nu. Wil je mij geblesseerd zien?”
“Nee, op mijn coach ben ik zuinig. Wat moet ik zonder jou?”
Ik wil iets terugzeggen, iets luchtigs, maar het blijft achter mijn tanden hangen. Dus zwijg ik.
“Morgen wil ik als jij nog kan staan, samen overleggen over de komende weken.”
“Goed coach, zegt maar hoe laat ik moet aantreden.”
“Om 10 uur kom ik naar je toe, ok?”
“Prima.”
-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-
"IK WIL LEVEN", lange versie:
Ik wil blijven.
Niet als een gedachte aan de kant van de dag,
niet als iemand voor wie anderen alvast zachter gaan praten,
maar echt: met mijn voeten op een board,
met wind in mijn gezicht,
met water onder mijn board
en de zon die nog één keer, nog honderd keer,
over mijn schouders valt.
Zeg me niet waar mijn grens ligt.
Trek geen lijnen voor mijn toekomst
alsof die al klaar is.
Ik ben nog hier.
Ik adem nog.
Ik wil lachen om iets kleins,
mijn handen nat maken in het water,
vallen, opstaan, proberen,
en voelen dat mijn lichaam, hoe kwetsbaar ook,
nog steeds van mij is.
Ik wil houden van,
Ik wil bang zijn en toch gaan,
Ik wil huilen zonder dat iemand meteen denkt
dat het voorbij is.
Ik wil dromen maken
die groter zijn dan mijn bloedwaarden,
groter dan de uitslagen,
groter dan de stilte in een ziekenhuiskamer.
Laat me geloven.
Niet omdat ik niet weet hoe ernstig het is,
maar juist omdat ik het wél weet.
Laat me geloven in vandaag,
in de kracht van een peddelslag,
in iemand die naast me blijft varen,
in het zachte wonder
dat ik er nog ben.
Ik wil leven.
Niet later.
Nu.
-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-
Voor wie het interesseert:
BELIEVE:
I wanna stay, I wanna love, I wanna live
So let me believe
Don't tell me limits
Don't start making plans
I wanna grow, I wanna know, I wanna give
So let me believe
I wanna sing, I wanna love, I wanna hold
So let me believe
Don't take my wind
Don't take my sail
I wanna dream, I wanna play, I wanna win
So let me believe
I wanna cry, I wanna laugh, I wanna be
So let me believe
Don't count me out
Don't give up now
I wanna dance, I wanna kiss, I wanna wish
So let me believe
I wanna fall, I wanna try, I wanna risk
So let me believe
Don't let me fade
Don't tell me how
I wanna see, I wanna wake, I wanna bloom
So let me believe
I wanna help, I wanna breathe, I wanna glow
So let me believe
Don't give up
Cuz I need you to know
I wanna stay
I wanna love
I wanna live
So let me... BELIEVE!
Writer(s): Brian Gregory, Chaisen Hale
Donderdagmorgen rijden we opnieuw naar Leeuwarden. De route kennen we: de bochten, de stopplekken, zelfs de stukken waar de wind tussen de huizen door trekt. Dat stelt gerust, maar het maakt me ook scherper. Juist omdat we weten wat er komt, wil ik vandaag beter zijn dan de vorige keer.
Ik heb Mees gevraagd om veel foto’s en filmpjes te maken. Niet alleen voor de website, maar ook voor het beoordelen van onze techniek.
Als we bij de Prinsentuin wegvaren, wacht ik een paar slagen tot we ons ritme hebben gevonden. Dan zeg ik, sneller dan ik van plan was:
“Ik heb gisteravond een tekst gemaakt die we misschien voor de website of voor de tocht kunnen gebruiken. Er is een lange versie, die is te lang voor de website. Daarom heb ik ook een korte gemaakt. Die wil ik je straks voorlezen.”
Sam kijkt me aan alsof hij me opnieuw moet plaatsen. Verbaasd, maar ook met iets van trots in zijn blik.
“Ik wist niet dat jij een schrijver was.”
“Ik zelf ook niet. Het is Joris die in mijn hoofd blijft zitten. Jij vertelde hoe ziek hij was en toch vrolijk kon blijven. Dat vind ik bijna niet te begrijpen. Zo jong, zo ziek, en dan nog steeds vooruit willen kijken. Daardoor kwam die tekst. Niet helemaal uit het niets trouwens. De tekst is geïnspireerd op het lied 'Believe' van Chaisen Hale.”
“Ik ken geen Chaisen Hale. Is dat een Engelse artiest?”
“Chaisen Hale is geen artiest,” zeg ik. “Het is AI.”
“Wat? Werk jij met AI?”
“Ja: kijken, luisteren en geinspireerd worden door AI, waarom niet?”
“Omdat, als ze dat op school merken….”
“Ik gebruik AI niet voor school. Ik gebruik het voor mezelf als ik er iets mee kan.”
“Gelukkig, ik zag je al van school gestuurd worden. Dat kan je me niet aandoen.”
“Hoezo? Wat is je punt?”
“Laat maar. Ik wil wel graag die tekst van jou horen.”
“Ik ga hem straks voorlezen.”
We suppen verder. Het water schuift donker en glad onder onze boards door, alleen onze peddels breken het open. Het gaat goed. Daarom voelt het bijzonder: de stad achter ons, de zomer om ons heen, en tussen Sam en mij die tekst die nog uitgesproken moet worden.
Op onze eerste stopplek komt Sam op mijn tekst terug.
“Wil je mij nu die tekst laten horen?”
“Natuurlijk. Ik begin met de korte tekst.”
“ 'Ik wil leven'.
Laat me nog even het water op.
Niet om te bewijzen dat ik sterk ben,
maar om te voelen dat ik er ben.
Leukemie heeft mijn dagen kleiner gemaakt,
niet mijn verlangen naar lucht, liefde en beweging.
Mijn board wiebelt onder mijn voeten,
mijn handen zoeken de peddel,
mijn adem zoekt de ruimte boven het meer.
Zeg niet waar mijn grens ligt.
De oever is er later wel.
Nu is er water,
een horizon,
één slag vooruit.
Met leukemie ben ik niet alleen een zieke:
ik ben iemand die blijft proberen, voelen, hopen.
Ik wil blijven.
Ik wil liefhebben.
Ik wil leven.”
Daarna blijft het stil. Niet gewoon stil, maar zo stil dat ik ineens het klotsen van water tegen de steiger hoor. Sam kijkt me aan zonder meteen iets te zeggen. Mees en Silke lijken ook niet goed te weten wat ze met mij aan moeten.
“Wil je het nog een keer voorlezen?” vraagt Silke mij.
Dat doe ik.
“Dat is schitterend, hoe heb je dat voor elkaar gekregen?”
“Ik luisterde naar het lied 'Believe'. Ik vind het een prachtige tekst gericht op willen leven. Toen dacht ik aan Joris. Ineens kon ik het zo opschrijven.”
“Dat vraagt erom om gebruikt te worden.” zegt Mees.
Ik kijk Sam aan.
“Weet je, ik kon even niets zeggen. Zo mooi vind ik het” zegt Sam.
“Ik heb het gemaakt om te gebruiken” zeg ik.
“Ik stuur het op naar Joris.” rondt Sam het af.
Daarna stappen we weer op onze planken.
“Niels, ik wil het nog een keertje zeggen: wat heb jij dat knap geschreven.”
“Ik schreef het ineens. Joris zelf was mijn inspiratie. Zo jong, zo ziek, zo levenslustig. Gelukkig genezen. Het resultaat zie je als je met hem praat.”
Ik ben blij dat het gebruikt gaat worden.
Halverwege schuift er regen over het water. Geen bui om bang van te worden, meer een dun gordijn dat tegen onze armen prikt en meteen weer openscheurt. We lachen erom en suppen door. Het is warm genoeg om ons door de wind te laten drogen.
De dag volgt grotendeels dezelfde lijn als een paar dagen geleden. Dat maakt hem overzichtelijker, maar ook gevaarlijk rustig: je weet waar de pauzes komen, waar je gaat eten, waar je even mag ontspannen. Juist daarom moet ik mezelf eraan herinneren dat bekend terrein nog geen gemakkelijke tocht betekent.
Onderweg praten we over onze toekomst.
“Hoe zie jij jouw toekomst, Sam? “ vraag ik.
“Ik weet het nog niet,” zegt Sam. “Voor ons hotel-restaurant ben ik denk ik niet geschikt. Toen Joris ziek was, dacht ik dat ik arts wilde worden. Iets kunnen doen voor kinderen die zo ziek zijn, dat leek me toen het enige dat telde. Maar of ik daar geschikt voor ben? Geen idee. Gelukkig heb ik nog een jaar. En jij, Niels?”
“Ik weet het ook niet. De manege hoort bij mij, dat wel, maar of ik daar mijn hele leven rond wil lopen? Geen idee. Soms denk ik dat ik pas weet wat ik wil als iemand me vraagt wat ik absoluut niet wil. En zelfs dan twijfel ik nog. Zoals jij zegt: we hebben nog een jaar.”
“Verder: huisje, boompje, beestje?” vraagt Sam mij.
“Geen idee. Zoals je het zegt lijkt het wel een manege.”
“Dat bedoel ik niet.”
“Wat bedoel je dan wel?”
“Heb jij wel eens een vriendin gehad?”
“Neen, jij?”
“Neen, ook niet.”
“Zie je wel,” zeg ik iets te snel. “Dat is niet nodig.” Ik doe alsof ik een grap maak, maar ondertussen voel ik mijn wangen warm worden. Sam kijkt naar het water naast zijn board en glimlacht alsof hij precies hoort wat ik niet zeg.
Al pratend en suppend komen we bij Woudsend waar we in hetzelfde restaurant aan het water eten.
Silke komt nog een keer op de tekst terug.
“Is het een idee om een flyer te maken waar dit gedicht op komt te staan om sponsoren te werven?”
“Ik vraag het reclamebureau wat zij ervan vinden,” zegt Sam. “Maar eerlijk gezegd denk ik dat ze meteen ja zeggen. Dan moeten wij zorgen dat die flyers ook op de goede plek terechtkomen.”
We zijn keurig op tijd in Sloten. We pakken alles in en rijden terug naar huis. We eten vandaag bij Sam thuis, Mees zal weer laten zien wat hij allemaal leert op de hogere hotelschool.
Als ik ’s avonds in bed lig - ik ga vroeg, want morgen moeten we weer op tijd het water op
- blijf ik bij de gesprekken met Sam hangen. Hij is anders dan ik dacht. Niet die jongen met het plan, de tocht en Joris in zijn hoofd. Hij is iemand die tegelijk stoer en kwetsbaar kan zijn. Ik merk dat ik steeds vaker aan hem denk, ook als hij er niet is. Kennelijk gaat hij steeds meer voor mij betekenen. Ik weet niet hoe Sam daarin staat, en misschien wil ik het ook nog niet weten. Eerst de Elfstedentocht. Daarna zie ik wel of ik durf te kijken naar wat er tussen ons gebeurt.
Ik val snel in slaap en word vroeg wakker. Even blijf ik liggen om te voelen wat mijn lichaam zegt. Geen protest. Geen zeurende schouders, geen zware armen. Ik voel me fit. Nog voor ik uit bed stap, app ik Sam.
Niels: Goede morgen, Sam.
Er gebeurt even niets, dan kleuren de 2 v-tjes blauw.
Sam: Goede morgen.
Niels: hoe voel jij je?
Sam: Uitgerust en vol energie.
Niels: Spierpijn?
Sam: Nop.
Niels: Dat is mooi. Beginnen we aan dag 2.
Sam: Yup. Ik heb er zin in!
Niels: Ik maak me klaar, tot zo.
Ik maak me klaar en wacht. Het duurt niet lang voor ik de auto met paardentrailer om de hoek zie komen. Ik doe mijn spullen in de paardentrailer en stap naast Sam in. Mees en Silke zitten voorin.
“Jij net zo fit als onze Sam?” vraagt Silke.
“Zeker, dit dagje doen we er gewoon achteraan.”
We rijden naar Sloten waar we weer opstappen. Ik ervaar het als een groot voordeel dat we deze dag al eens gesupt hebben. De herkenning scheelt en het lijkt alsof de dagen er korter van worden.
Meteen pakken we het ritme weer op. Rustig tempo, pauzes op de plekken die we kennen, een korte regenveeg en daarna die typische Hollandse lucht waarin zon en wolken elkaar steeds afwisselen. Het is geen spectaculaire dag. Wel een belangrijke: elke kilometer die zonder probleem achter ons ligt, maakt onze kans op de Elfstedentocht groter.
Ik vraag Sam regelmatig hoe het gaat. Hij ziet er relaxt uit, antwoordt mij ook steeds dat het goed gaat.
Als we uiteindelijk in Workum afstappen, verwelkomd door Mees en Silke, kijken we elkaar tevreden aan.
“Hoe gaat het?”
“Prima, een beetje moe, niet heel erg, mijn spieren laten weten dat ze er zijn, zonder dat ik echt spierpijn heb.”
“Dan kunnen we tevreden zijn. Bewijs dat we het kunnen halen.”
“Ik heb bedacht dat het misschien handig is om die andere dagen ook nog te suppen. Wat vind je daarvan?”
“De laatste dag lijkt me wat overbodig. Die andere dagen, mag ik daar over nadenken, Sam?”
“Natuurlijk, jij bent de coach. Jij beslist.”
“Wat een eer. Wat een verantwoordelijkheid. Die rust nu zwaar op mijn schouders.”
“Beter die verantwoordelijkheid dan mijn gewicht.”
“Weet jij veel wat ik aankan?”
“Zullen we het uitproberen?”
“Ooit, niet nu. Wil je mij geblesseerd zien?”
“Nee, op mijn coach ben ik zuinig. Wat moet ik zonder jou?”
Ik wil iets terugzeggen, iets luchtigs, maar het blijft achter mijn tanden hangen. Dus zwijg ik.
“Morgen wil ik als jij nog kan staan, samen overleggen over de komende weken.”
“Goed coach, zegt maar hoe laat ik moet aantreden.”
“Om 10 uur kom ik naar je toe, ok?”
“Prima.”
-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-
"IK WIL LEVEN", lange versie:
Ik wil blijven.
Niet als een gedachte aan de kant van de dag,
niet als iemand voor wie anderen alvast zachter gaan praten,
maar echt: met mijn voeten op een board,
met wind in mijn gezicht,
met water onder mijn board
en de zon die nog één keer, nog honderd keer,
over mijn schouders valt.
Zeg me niet waar mijn grens ligt.
Trek geen lijnen voor mijn toekomst
alsof die al klaar is.
Ik ben nog hier.
Ik adem nog.
Ik wil lachen om iets kleins,
mijn handen nat maken in het water,
vallen, opstaan, proberen,
en voelen dat mijn lichaam, hoe kwetsbaar ook,
nog steeds van mij is.
Ik wil houden van,
Ik wil bang zijn en toch gaan,
Ik wil huilen zonder dat iemand meteen denkt
dat het voorbij is.
Ik wil dromen maken
die groter zijn dan mijn bloedwaarden,
groter dan de uitslagen,
groter dan de stilte in een ziekenhuiskamer.
Laat me geloven.
Niet omdat ik niet weet hoe ernstig het is,
maar juist omdat ik het wél weet.
Laat me geloven in vandaag,
in de kracht van een peddelslag,
in iemand die naast me blijft varen,
in het zachte wonder
dat ik er nog ben.
Ik wil leven.
Niet later.
Nu.
-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-
Voor wie het interesseert:
BELIEVE:
I wanna stay, I wanna love, I wanna live
So let me believe
Don't tell me limits
Don't start making plans
I wanna grow, I wanna know, I wanna give
So let me believe
I wanna sing, I wanna love, I wanna hold
So let me believe
Don't take my wind
Don't take my sail
I wanna dream, I wanna play, I wanna win
So let me believe
I wanna cry, I wanna laugh, I wanna be
So let me believe
Don't count me out
Don't give up now
I wanna dance, I wanna kiss, I wanna wish
So let me believe
I wanna fall, I wanna try, I wanna risk
So let me believe
Don't let me fade
Don't tell me how
I wanna see, I wanna wake, I wanna bloom
So let me believe
I wanna help, I wanna breathe, I wanna glow
So let me believe
Don't give up
Cuz I need you to know
I wanna stay
I wanna love
I wanna live
So let me... BELIEVE!
Writer(s): Brian Gregory, Chaisen Hale