Tegenwind naar de finish. Deel 10.
Geplaatst: wo 16 sep 2026, 05:46
Sam:
Het gaat goed. Meer dan goed. De trainingen lopen ineens alsof mijn lijf eindelijk begrijpt wat mijn hoofd al weken roept: vooruit, doorgaan, niet zeuren. Natuurlijk voel ik spieren waarvan ik niet wist dat ik ze had. Natuurlijk lig ik nog wel eens in het water voordat ik er erg in heb. Het voelt anders. Minder stuntelen, meer sturen.
Niels ziet het ook. Hij zegt het niet groot of overdreven, zo is hij niet, maar als hij knikt na een tocht, of simpel zegt 'goed zo', dan weet ik genoeg. Dat kleine knikje van hem werkt beter dan een heel stadion vol applaus.
Ook de sponsoractie komt op gang. De website wordt goed bekeken, de giften komen binnen en dat allemaal nog voordat ik één kilometer van de SUP 11 City Tour heb gesupt. Bedrijven geven vooral eenmalig, particulieren beloven juist bedragen per kilometer. De foto’s met het Statenjacht blijken een schot in de roos. Soms helpt geluk gewoon even mee.
Joris stuurt een berichtje dat hij trots is op hoe de actie groeit. Dat doet meer met me dan ik hardop toegeef. Zijn naam blijft als een rode draad door alles heen lopen: trainen, geld ophalen, doorzetten. Als ik moe word, denk ik aan hem. Dan kan ik moeilijk ophouden.
Dan is er Niels. Niels is een goede coach. Een irritant goede coach. Hij weet precies wanneer hij iets moet uitleggen, wanneer hij moet zwijgen en wanneer hij mij met één rustige zin weer recht op mijn plank zet. Alleen is Niels ook een probleem. Ik ben inmiddels verliefd op hem. Niet een beetje. Smoorverliefd. Niet handig. Niet overheen te lachen met een grap, zoals bij anderen lukte. Bij Niels blijft het hangen. Dus stop ik het weg. Ver weg. Dat is moeilijker dan vijfenveertig kilometer suppen.
De volgende stap wordt een complete dag van de Elfstedentocht suppen. Niet zomaar een trainingsrondje, maar een echte etappe. Daar is meer voor nodig dan een plank, een peddel en mijn veel te grote enthousiasme. Dus zitten Niels en ik aan tafel met kaarten, telefoons en een lijstje waar Niels gelukkig wél rustig van wordt.
“Welke dagtocht vind jij het meest geschikt?” vraag ik.
Terwijl ik dat zeg, besef ik hoe fijn ik het vindt dat ik het samen met hem kan doen. Niet alleen als mijn coach, niet alleen als iemand die precies weet hoeveel water, eten en droge kleding er mee moet, maar gewoon als Niels. Naast mij. De hele dag.
Niels schuift de kaart naar zich toe en strijkt hem glad met zijn hand. “Als je één dag wilt testen, zou ik niet meteen de zwaarste kiezen.”
“Dus wel de zwaarste,” zeg ik automatisch.
Hij kijkt op. Rustig. Veel te rustig. “Sam?”
“Wat? Ik zeg wat jij eigenlijk denkt.”
“Ik denk juist dat je moet leren doseren.” Hij tikt met zijn vinger op de route. “Dit is geen sprint naar de finish. Dit is een lange tocht. Je moet na veertig kilometer nog net zo alert zijn als bij kilometer één.”
Ik wil zeggen dat alert zijn niet mijn grootste probleem is, maar zijn blik houdt me tegen. Niels heeft die blik vaker. Alsof hij al weet welke opmerking ik ga maken en alvast geduld oefent.
“Welke dan?” vraag ik. “Welke etappe is volgens jou slim?”
Hij wijst een stuk op de kaart aan.
“Dag 2. Van Sloten via Stavoren, Hindelopen naar Workum.”
Meren, waterwegen, bruggen, stukken waar de wind vrij spel heeft. Zodra hij begint uit te leggen, wordt alles overzichtelijker. Hij noemt afstanden, rustpunten, plekken waar iemand ons kan opwachten om samen te eten. Ik luister. Echt. Bijna de hele tijd.
Soms dwaal ik af naar zijn handen op de kaart, naar de manier waarop hij fronst als hij rekent, naar de rust in zijn stem. Dan hoor ik alleen nog klanken, geen woorden meer. Dat is onhandig, vooral als hij mij iets vraagt.
“Sam?”
“Ja. Helemaal mee eens.”
Niels leunt achterover. “Waarmee?”
Ik knipper. “Met… het verstandige stuk.”
Er verschijnt iets in zijn gezicht dat bijna een lach is. “Je luisterde niet.”
“Jawel.”
“Dan kun je vast herhalen waar we beginnen.”
Ik kijk naar de kaart alsof die mij spontaan gaat helpen. Dat doet hij niet. Kaarten zijn laf.
“Bij het water,” zeg ik.
Niels sluit heel even zijn ogen. Niet lang, precies lang genoeg om te laten merken dat hij zichzelf toespreekt. “Dat is technisch gezien niet fout.”
“Zie je wel.” Ik prik met mijn vinger op een willekeurige plek op de kaart. “Ik ben gewoon ruimdenkend in geografische zaken.”
“Je prikt nu in een weiland.”
Ik trek mijn hand terug. “Strategisch weiland.”
Nu lacht hij. Kort, echt. Het is zo’n lach die meteen weer verdwijnt, alsof hij hem per ongeluk heeft laten ontsnappen. Ik doe alsof ik niets merk, want als ik er iets over zeg, wordt mijn gezicht waarschijnlijk rood en dat is nergens voor nodig. Mijn gezicht heeft in de buurt van Niels al genoeg werk. Net als de rest van mijn lichaam.
Niels buigt zich opnieuw over de kaart. “Hier vlak bij Sloten beginnen we. Niet te ver van de route, genoeg ruimte om rustig op te stappen en iemand kan ons makkelijk afzetten. Dan varen we tot dit punt. Galamadammen. Daar nemen we pauze. Echt pauze, Sam. Niet twee happen en weer weg.”
“Ik weet wat pauze betekent.”
“Dat betwijfel ik. Eten voordat je honger krijgt. Drinken voordat je dorst krijgt. Niet wachten met droge kleren tot je staat te bibberen.”
Ik zucht overdreven hard. “Je klinkt als een handleiding met benen.”
“Goed. Dan lees je me tenminste.”
Daar heb ik geen antwoord op. Of eigenlijk wel, maar geen antwoord dat verstandig is om hardop te geven. Dus pak ik mijn glas, neem een slok en kijk alsof drinken ineens mijn volledige aandacht vraagt.
“En de sponsoractie?” vraag ik. “Kunnen we deze etappe daarvoor gebruiken? Een update, foto’s, misschien een kort filmpje? Iets waardoor mensen zien dat het niet alleen een leuk plan op een website is, maar dat ik het echt doe?”
Niels knikt meteen. “Ja. Dan plannen we dat in."
Hij schrijft alweer. Filmpje. Update voor Joris. Zijn letters zijn klein en regelmatig, alsof zelfs zijn handschrift weet wat doseren is. Mijn eigen aantekening bestaat uit vijf woorden:
niet doodgaan,
inhouden,
lachen,
Joris.
Ik kijk naar die laatste naam. Joris. Ineens wordt de grap in mijn hoofd zachter. Dit is groter dan ik ben. Groter dan mijn zenuwen om Niels, groter dan mijn neiging om alles meteen en veel te hard te willen doen. Dit is voor iemand die zelf niet zomaar kon zeggen: kom op, ik stap wel even op een plank en vaar door Friesland.
Niels merkt dat ik stil ben. Natuurlijk merkt hij dat. “Gaat het?”
Ik knik. “Ja. Ik wil gewoon dat dit lukt.” zeg ik zacht.
“We zorgen dat het lukt!” zegt hij. Niet groots, niet dramatisch. Gewoon Niels. Precies daardoor geloof ik hem. En nog meer…..
De avond voor de tocht zet ik alles klaar in de gang. Peddel. Drybag. Bidon. Extra kleding, twee sets. Handdoeken. Telefoon in een waterdicht hoesje. Ik controleer het drie keer en daarna nog een keer omdat drie keer ineens verdacht weinig voelt.
Op de website plaats ik een korte update. Morgen varen we een volledige oefenetappe. Dag 2 van de SUP 11 City Tour. Niet de hele Elfstedentocht, nog lang niet, maar wel een echte dag. Ik voeg een foto toe van mijn spullen in de gang en schrijf dat elke kilometer telt voor Joris. Daarna lees ik de zin vijf keer terug. Elke kilometer telt. Het klinkt simpel, maar het klopt precies.
Mijn telefoon trilt bijna meteen. Een bericht van Joris.
‘Sam, zet ’m op morgen. Niet stoer doen. Gewoon blijven peddelen.’
Ik grijns. Zelfs Joris klinkt nu als Niels. Of misschien klinkt Niels als iedereen die mij langer dan tien minuten kent.
Ik typ terug dat ik absoluut niet stoer zal doen. Dat is natuurlijk gelogen, met goede bedoelingen.
Die nacht slaap ik onrustig. In mijn droom sup ik over een kanaal dat steeds smaller wordt, terwijl mensen langs de kant geld in een grote collectebus voorop het supboard gooien en Niels roept dat ik mijn techniek moet bewaren. Als ik wakker word, is mijn hartslag klaar voor de start.
Mees en Silke maakten er bijna een wedstrijd van wie ons die eerste dag mag begeleiden. Voor mij is de keuze snel gemaakt.
“Ik wil graag dat jullie allebei meegaan,” zeg ik.
Zo gebeurt het. Met de auto van mijn vader rijden we naar de manege. De paardentrailer is schoongemaakt en Niels’ spullen liggen keurig in de trailer en zijn plank is vastgezet, alsof hij dit allemaal al tien keer eerder heeft gedaan. We koppelen de trailer aan en rijden terug naar huis om ook mijn spullen erbij te leggen. Daarna vertrekken we echt. Tegen acht uur komen we aan in Sloten.
We laden uit, maken de supboarden klaar en schuiven ze het water in. Wanneer we afzetten en nog één keer naar Mees en Silke zwaaien, voel ik het meteen: dit is anders dan alle tochten die we tot nu toe hebben gemaakt.
“Dit voelt anders,” zeg ik tegen Niels. “Tot nu toe waren het trainingen. Nu varen we een echte officiële dag. Daar ben ik trots op.”
“Daar heb je ook alle reden voor,” zegt Niels. “Toen we begonnen, had jij nog geen meter gesupt. Twee maanden later staan we hier en varen we dit soort afstanden. Ook ik ben echt trots op je.” Hij kijkt even naar zijn board en dan weer naar mij. “En eerlijk gezegd ook een beetje op mezelf. Voor mij was het makkelijker, ik kon al suppen. Voor jou was echt alles nieuw.”
Ik kijk opzij. Niels zegt het zonder grapje, zonder omweg. Hij meent het. Daardoor krijg ik het warm, veel te warm voor iemand die midden op een meer hoort af te koelen.
We vinden al snel ons ritme. Links, rechts, links, rechts. De ruimte om ons heen maakt het makkelijk om vrijuit te peddelen. Bij Balk sturen we de Luts op die dwars door het dorp loopt.
“Straks komen we langs het huis waar mijn ouders vroeger woonden en waar ik ben geboren.” zegt Niels. “Ik wijs het je aan.”
Na de brug in het centrum glijden we tussen oude, mooi gerestaureerde huizen door. Niels knikt naar een gevel. “Kijk, dat huis uit 1793. Toen ik twee was, zijn we naar onze huidige manege verhuisd. Daarvoor hadden mijn ouders hier in de buurt een manege.”
“Weet je daar nog iets van?” vraag ik. “Van dat huis?”
“Niets,” zegt hij. “Ik ben er vorig jaar met mijn moeder nog eens geweest. We hebben gevraagd of we binnen mochten kijken. Ik weet nu zelfs welke kamer mijn babykamer was.”
Na Balk verandert de Luts van karakter. Eerst kademuren en lindebomen langs het water, daarna een smalle vaart door het bos, met hoge oevers links en rechts. Het voelt alsof we langzaam een andere wereld in peddelen.
“Hoe is die vaart hier eigenlijk gekomen?” vraag ik. “Weet jij dat?”
Niels kijkt even naar de hoge oevers. “Dit bos is aangelegd,” zegt hij. “De vaart was vroeger een riviertje dat zich in de grond heeft uitgesleten. Daarom ligt het hier zo diep. Later is de Luts wat rechter gemaakt, maar uniek blijft hij wel. De echte Elfstedentocht op de schaats komt hier ook langs, als hij tenminste ooit nog gereden wordt. De laatste keer was helaas van vóór mijn tijd.”
“Kan jij eigenlijk schaatsen?” vraag ik.
“Alleen rondjes op de kunstijsbaan,” zegt hij. “Als mijn ouders vertellen over lange tochten op natuurijs, word ik jaloers. Geen idee of wij dat ooit nog meemaken.” Hij kijkt opzij. “En jij?”
“Nooit gedaan,” zeg ik. “Net als paardrijden. Jij wel, ik niet.”
“Daar gaan we dan iets aan doen,” zegt Niels, alsof hij net een afspraak in zijn hoofd zet.
Pratend glijden we verder naar het begin van de Fluessen. Bij de pauzeplek staan Mees en Silke al klaar met de auto. We eten, drinken en laten onze schouders even zakken, terwijl de rest van onze spullen veilig in de paardentrailer ligt.
Het is gezellig met zijn vieren. Mees maakt foto’s voor de website, Silke deelt repen uit alsof ze een professioneel verzorgingsteam is en Niels lijkt zich bij ons thuis te voelen.
Als we weer opstappen, varen we richting Stavoren. Het kanaal erheen wordt drukker naarmate we dichter bij de stad komen. Omdat Stavoren een sluis naar het IJsselmeer heeft, komen er voortdurend boten voorbij. Zeilend ken ik dit water, maar op een plank sta je lager, ben je kleiner en veel kwetsbaarder. Ik ben blij met onze gele hesjes. Niels gaat voorop en ik volg zo dicht mogelijk langs de kant. De golven tikken tegen mijn board, maar ik merk dat ik niet meer verstijf. Mijn balans is veel beter geworden. En vooruit, het helpt ook dat Niels voor me uit peddelt met van die krachtige, veel te keurige slagen.
In Stavoren is het druk genoeg om geen seconde te blijven. We nemen zo snel mogelijk de vaart richting Hindeloopen, waar we later willen eten. Tot mijn eigen verbazing voel ik me nog steeds goed. Een beetje moe, ja. Maar niet leeg.
“Ik ben verbaasd hoe goed dit gaat,” zeg ik. “Komt dat echt door al dat trainen?”
“Ja, Sam,” zegt Niels. “Trainen helpt echt. Zomaar beginnen klinkt avontuurlijk, maar het is vooral dom. Dan krijg je blessures, tintelende handen of andere ellende waar je onderweg niets aan hebt. Het verschil is dat jij nu weet wat je moet doen als er iets opspeelt.”
In Hindeloopen stoppen we om te eten. Alleen al het idee dat we onze spullen veilig in de paardentrailer kunnen laten, voelt als luxe. Geen gesleep, geen paniek om bidons of droge kleren. Gewoon zitten, eten en even doen alsof mijn schouders niet van mij zijn.
Voor het laatste stuk, van Hindeloopen naar Workum, nemen we bewust ruim de tijd. Niels zegt minstens drie keer dat het geen wedstrijd is, dus blijkbaar kijk ik nog steeds alsof ik de finish wil aanvallen. Rond half vijf stappen we van onze planken. Onze eerste officiële Elfsteden-trainingsdag zit erop. Ik ben moe, mijn armen voelen langer dan vanochtend en mijn benen hebben weinig zin in traplopen, maar ergens onder die vermoeidheid zit trots. Geen heftige spierpijn. Geen drama. We hebben het gedaan.
Daarna eten we met zijn allen in ons restaurant. Mees en Silke vertellen over de tocht alsof ze er zelf minstens de helft van hebben meegepeddeld, inclusief foto’s, filmpjes en commentaar vanaf de kant. Daarna brengen we Niels naar huis. De paardentrailer met de planken nemen wij weer mee; voorlopig is die voor ons trainingsproject.
We besluiten om vrijdag opnieuw een oefentocht te doen die we al hebben gedaan en de zondag daarna nog een officiële Elfstedendag te proberen. Niels stelt voor om met dag één te beginnen: van Leeuwarden via Sneek en IJLst naar Sloten. Als we die ook afgelegd hebben, kunnen we daarna dag één en twee achter elkaar plannen. Twee dagen na elkaar. Volgens Niels hebben we dan genoeg Elfsteden-ervaring om de hele tocht straks aan te kunnen. Volgens mijn buik is dat nieuws waar uitgebreid over vergaderd moet worden.
Die zondag brengt Mees ons naar Leeuwarden. Om acht uur starten we in de Prinsentuin, midden in de stad. De grachten liggen er stil bij, alsof Leeuwarden nog niet helemaal besloten heeft wakker te worden.
“Wij kwamen hier wel met onze boot,” zeg ik, terwijl ik om me heen kijk. “Maar zo heb ik Leeuwarden nog nooit gezien.”
“Ik kom hier eigenlijk alleen voor familiebezoek of om te shoppen,” zegt Niels. “Vanaf het water is het ineens een heel andere stad.”
“Hoe vind je het?” vraag ik.
“Het is dat we vandaag een tocht moeten suppen,” zegt hij, “anders zou ik zo door de grachten willen gaan suppen.”
“Dat kunnen we toch altijd nog een keer doen?” zeg ik. “Later.”
Terwijl ik het zeg, besef ik dat ik dat eigenlijk maar wat graag zou willen.
Daarna volgen we kanalen en vaarten richting Sneek. Rond tien uur komen we bij de Waterpoort aan, waar Mees precies op het goede moment klaarstaat met drinken en iets lekkers. Ik doe alsof ik vooral pauzeer voor de gezelligheid, maar mijn handen pakken de reep alsof ze al uren zelfstandig plannen maken.
Van Sneek peddelen we door naar IJlst en daarna verder richting Sloten. Het middageten vraagt wat meer improvisatie, uiteindelijk belanden we later dan normaal in Woudsend bij een restaurantje aan het water. Daarna steken we het Slotermeer over. De wind is vriendelijker dan ik had gevreesd en rond half vier glijden we Sloten binnen.
De moeder van Niels heeft geregeld dat we bij hen kunnen eten. Dat voelt bijna alsof de tocht een vaste plek in ons leven krijgt: varen, eten, spullen drogen, plannen maken. Na afloop laten we Mees de manege zien. Niels vertelt rustig, Mees stelt duizend vragen en ik probeer niet te opvallend te kijken naar hoe vanzelfsprekend Niels hier tussen stallen, zadels en voeremmers thuishoort.
Voor dinsdag kiezen we opnieuw een vertrouwde route. Donderdag en vrijdag willen we dag één en dag twee achter elkaar suppen. Alleen al bij die gedachte trekt er spanning door mijn buik. De twee dagen los van elkaar gingen goed, maar telkens hadden we daarna tijd om te herstellen. Nu moeten we door. Meteen weer opstaan, weer eten, weer het water op. En als we straks de echte tocht varen, wachten daarna nog drie dagen.
Niels zegt dat hij er alle vertrouwen in heeft. Dat helpt. Niet omdat vertrouwen van hem magisch werkt, al begint het daar verdacht veel op te lijken, maar omdat hij voorzichtig is met zulke uitspraken. Hij zegt niet zomaar dat ik iets kan. Als hij het zegt, heeft hij het gewogen, berekend en waarschijnlijk in drie scenario’s getest.
Woensdagavond app ik hem toch nog. Gewoon omdat mijn hoofd heel graag nog even officieel in paniek wil zijn.
Sam: Morgen gaan we het doen. Twee dagen achter elkaar.
Niels: Maak je je daar druk over?
Sam: Een beetje wel.
Niels: Niet doen. Je kunt dit. Honderd procent zeker.
Sam: Hoe weet je dat zo zeker?
Niels: Omdat ik inmiddels weet wat jij kunt en wat je nog lastig vindt als het op suppen aankomt.
Niels: Dit kun jij. Net als over twee weken de hele tocht.
Sam: Ik wou dat ik daar net zo zeker van was.
Niels: Geloof me nou maar. Dit wordt geen probleem.
Sam: Dank je wel. Dit had ik even nodig.
Niels: Je bent een stoere twijfelaar.
Sam: Daar heb je helemaal gelijk in.
Niels: Laat dat twijfelaar morgen thuis. Dan blijft stoer over.
Morgen zullen Mees en Silke allebei meegaan. Voor het eerst gaan we twee dagen achter elkaar suppen.
Het gaat goed. Meer dan goed. De trainingen lopen ineens alsof mijn lijf eindelijk begrijpt wat mijn hoofd al weken roept: vooruit, doorgaan, niet zeuren. Natuurlijk voel ik spieren waarvan ik niet wist dat ik ze had. Natuurlijk lig ik nog wel eens in het water voordat ik er erg in heb. Het voelt anders. Minder stuntelen, meer sturen.
Niels ziet het ook. Hij zegt het niet groot of overdreven, zo is hij niet, maar als hij knikt na een tocht, of simpel zegt 'goed zo', dan weet ik genoeg. Dat kleine knikje van hem werkt beter dan een heel stadion vol applaus.
Ook de sponsoractie komt op gang. De website wordt goed bekeken, de giften komen binnen en dat allemaal nog voordat ik één kilometer van de SUP 11 City Tour heb gesupt. Bedrijven geven vooral eenmalig, particulieren beloven juist bedragen per kilometer. De foto’s met het Statenjacht blijken een schot in de roos. Soms helpt geluk gewoon even mee.
Joris stuurt een berichtje dat hij trots is op hoe de actie groeit. Dat doet meer met me dan ik hardop toegeef. Zijn naam blijft als een rode draad door alles heen lopen: trainen, geld ophalen, doorzetten. Als ik moe word, denk ik aan hem. Dan kan ik moeilijk ophouden.
Dan is er Niels. Niels is een goede coach. Een irritant goede coach. Hij weet precies wanneer hij iets moet uitleggen, wanneer hij moet zwijgen en wanneer hij mij met één rustige zin weer recht op mijn plank zet. Alleen is Niels ook een probleem. Ik ben inmiddels verliefd op hem. Niet een beetje. Smoorverliefd. Niet handig. Niet overheen te lachen met een grap, zoals bij anderen lukte. Bij Niels blijft het hangen. Dus stop ik het weg. Ver weg. Dat is moeilijker dan vijfenveertig kilometer suppen.
De volgende stap wordt een complete dag van de Elfstedentocht suppen. Niet zomaar een trainingsrondje, maar een echte etappe. Daar is meer voor nodig dan een plank, een peddel en mijn veel te grote enthousiasme. Dus zitten Niels en ik aan tafel met kaarten, telefoons en een lijstje waar Niels gelukkig wél rustig van wordt.
“Welke dagtocht vind jij het meest geschikt?” vraag ik.
Terwijl ik dat zeg, besef ik hoe fijn ik het vindt dat ik het samen met hem kan doen. Niet alleen als mijn coach, niet alleen als iemand die precies weet hoeveel water, eten en droge kleding er mee moet, maar gewoon als Niels. Naast mij. De hele dag.
Niels schuift de kaart naar zich toe en strijkt hem glad met zijn hand. “Als je één dag wilt testen, zou ik niet meteen de zwaarste kiezen.”
“Dus wel de zwaarste,” zeg ik automatisch.
Hij kijkt op. Rustig. Veel te rustig. “Sam?”
“Wat? Ik zeg wat jij eigenlijk denkt.”
“Ik denk juist dat je moet leren doseren.” Hij tikt met zijn vinger op de route. “Dit is geen sprint naar de finish. Dit is een lange tocht. Je moet na veertig kilometer nog net zo alert zijn als bij kilometer één.”
Ik wil zeggen dat alert zijn niet mijn grootste probleem is, maar zijn blik houdt me tegen. Niels heeft die blik vaker. Alsof hij al weet welke opmerking ik ga maken en alvast geduld oefent.
“Welke dan?” vraag ik. “Welke etappe is volgens jou slim?”
Hij wijst een stuk op de kaart aan.
“Dag 2. Van Sloten via Stavoren, Hindelopen naar Workum.”
Meren, waterwegen, bruggen, stukken waar de wind vrij spel heeft. Zodra hij begint uit te leggen, wordt alles overzichtelijker. Hij noemt afstanden, rustpunten, plekken waar iemand ons kan opwachten om samen te eten. Ik luister. Echt. Bijna de hele tijd.
Soms dwaal ik af naar zijn handen op de kaart, naar de manier waarop hij fronst als hij rekent, naar de rust in zijn stem. Dan hoor ik alleen nog klanken, geen woorden meer. Dat is onhandig, vooral als hij mij iets vraagt.
“Sam?”
“Ja. Helemaal mee eens.”
Niels leunt achterover. “Waarmee?”
Ik knipper. “Met… het verstandige stuk.”
Er verschijnt iets in zijn gezicht dat bijna een lach is. “Je luisterde niet.”
“Jawel.”
“Dan kun je vast herhalen waar we beginnen.”
Ik kijk naar de kaart alsof die mij spontaan gaat helpen. Dat doet hij niet. Kaarten zijn laf.
“Bij het water,” zeg ik.
Niels sluit heel even zijn ogen. Niet lang, precies lang genoeg om te laten merken dat hij zichzelf toespreekt. “Dat is technisch gezien niet fout.”
“Zie je wel.” Ik prik met mijn vinger op een willekeurige plek op de kaart. “Ik ben gewoon ruimdenkend in geografische zaken.”
“Je prikt nu in een weiland.”
Ik trek mijn hand terug. “Strategisch weiland.”
Nu lacht hij. Kort, echt. Het is zo’n lach die meteen weer verdwijnt, alsof hij hem per ongeluk heeft laten ontsnappen. Ik doe alsof ik niets merk, want als ik er iets over zeg, wordt mijn gezicht waarschijnlijk rood en dat is nergens voor nodig. Mijn gezicht heeft in de buurt van Niels al genoeg werk. Net als de rest van mijn lichaam.
Niels buigt zich opnieuw over de kaart. “Hier vlak bij Sloten beginnen we. Niet te ver van de route, genoeg ruimte om rustig op te stappen en iemand kan ons makkelijk afzetten. Dan varen we tot dit punt. Galamadammen. Daar nemen we pauze. Echt pauze, Sam. Niet twee happen en weer weg.”
“Ik weet wat pauze betekent.”
“Dat betwijfel ik. Eten voordat je honger krijgt. Drinken voordat je dorst krijgt. Niet wachten met droge kleren tot je staat te bibberen.”
Ik zucht overdreven hard. “Je klinkt als een handleiding met benen.”
“Goed. Dan lees je me tenminste.”
Daar heb ik geen antwoord op. Of eigenlijk wel, maar geen antwoord dat verstandig is om hardop te geven. Dus pak ik mijn glas, neem een slok en kijk alsof drinken ineens mijn volledige aandacht vraagt.
“En de sponsoractie?” vraag ik. “Kunnen we deze etappe daarvoor gebruiken? Een update, foto’s, misschien een kort filmpje? Iets waardoor mensen zien dat het niet alleen een leuk plan op een website is, maar dat ik het echt doe?”
Niels knikt meteen. “Ja. Dan plannen we dat in."
Hij schrijft alweer. Filmpje. Update voor Joris. Zijn letters zijn klein en regelmatig, alsof zelfs zijn handschrift weet wat doseren is. Mijn eigen aantekening bestaat uit vijf woorden:
niet doodgaan,
inhouden,
lachen,
Joris.
Ik kijk naar die laatste naam. Joris. Ineens wordt de grap in mijn hoofd zachter. Dit is groter dan ik ben. Groter dan mijn zenuwen om Niels, groter dan mijn neiging om alles meteen en veel te hard te willen doen. Dit is voor iemand die zelf niet zomaar kon zeggen: kom op, ik stap wel even op een plank en vaar door Friesland.
Niels merkt dat ik stil ben. Natuurlijk merkt hij dat. “Gaat het?”
Ik knik. “Ja. Ik wil gewoon dat dit lukt.” zeg ik zacht.
“We zorgen dat het lukt!” zegt hij. Niet groots, niet dramatisch. Gewoon Niels. Precies daardoor geloof ik hem. En nog meer…..
De avond voor de tocht zet ik alles klaar in de gang. Peddel. Drybag. Bidon. Extra kleding, twee sets. Handdoeken. Telefoon in een waterdicht hoesje. Ik controleer het drie keer en daarna nog een keer omdat drie keer ineens verdacht weinig voelt.
Op de website plaats ik een korte update. Morgen varen we een volledige oefenetappe. Dag 2 van de SUP 11 City Tour. Niet de hele Elfstedentocht, nog lang niet, maar wel een echte dag. Ik voeg een foto toe van mijn spullen in de gang en schrijf dat elke kilometer telt voor Joris. Daarna lees ik de zin vijf keer terug. Elke kilometer telt. Het klinkt simpel, maar het klopt precies.
Mijn telefoon trilt bijna meteen. Een bericht van Joris.
‘Sam, zet ’m op morgen. Niet stoer doen. Gewoon blijven peddelen.’
Ik grijns. Zelfs Joris klinkt nu als Niels. Of misschien klinkt Niels als iedereen die mij langer dan tien minuten kent.
Ik typ terug dat ik absoluut niet stoer zal doen. Dat is natuurlijk gelogen, met goede bedoelingen.
Die nacht slaap ik onrustig. In mijn droom sup ik over een kanaal dat steeds smaller wordt, terwijl mensen langs de kant geld in een grote collectebus voorop het supboard gooien en Niels roept dat ik mijn techniek moet bewaren. Als ik wakker word, is mijn hartslag klaar voor de start.
Mees en Silke maakten er bijna een wedstrijd van wie ons die eerste dag mag begeleiden. Voor mij is de keuze snel gemaakt.
“Ik wil graag dat jullie allebei meegaan,” zeg ik.
Zo gebeurt het. Met de auto van mijn vader rijden we naar de manege. De paardentrailer is schoongemaakt en Niels’ spullen liggen keurig in de trailer en zijn plank is vastgezet, alsof hij dit allemaal al tien keer eerder heeft gedaan. We koppelen de trailer aan en rijden terug naar huis om ook mijn spullen erbij te leggen. Daarna vertrekken we echt. Tegen acht uur komen we aan in Sloten.
We laden uit, maken de supboarden klaar en schuiven ze het water in. Wanneer we afzetten en nog één keer naar Mees en Silke zwaaien, voel ik het meteen: dit is anders dan alle tochten die we tot nu toe hebben gemaakt.
“Dit voelt anders,” zeg ik tegen Niels. “Tot nu toe waren het trainingen. Nu varen we een echte officiële dag. Daar ben ik trots op.”
“Daar heb je ook alle reden voor,” zegt Niels. “Toen we begonnen, had jij nog geen meter gesupt. Twee maanden later staan we hier en varen we dit soort afstanden. Ook ik ben echt trots op je.” Hij kijkt even naar zijn board en dan weer naar mij. “En eerlijk gezegd ook een beetje op mezelf. Voor mij was het makkelijker, ik kon al suppen. Voor jou was echt alles nieuw.”
Ik kijk opzij. Niels zegt het zonder grapje, zonder omweg. Hij meent het. Daardoor krijg ik het warm, veel te warm voor iemand die midden op een meer hoort af te koelen.
We vinden al snel ons ritme. Links, rechts, links, rechts. De ruimte om ons heen maakt het makkelijk om vrijuit te peddelen. Bij Balk sturen we de Luts op die dwars door het dorp loopt.
“Straks komen we langs het huis waar mijn ouders vroeger woonden en waar ik ben geboren.” zegt Niels. “Ik wijs het je aan.”
Na de brug in het centrum glijden we tussen oude, mooi gerestaureerde huizen door. Niels knikt naar een gevel. “Kijk, dat huis uit 1793. Toen ik twee was, zijn we naar onze huidige manege verhuisd. Daarvoor hadden mijn ouders hier in de buurt een manege.”
“Weet je daar nog iets van?” vraag ik. “Van dat huis?”
“Niets,” zegt hij. “Ik ben er vorig jaar met mijn moeder nog eens geweest. We hebben gevraagd of we binnen mochten kijken. Ik weet nu zelfs welke kamer mijn babykamer was.”
Na Balk verandert de Luts van karakter. Eerst kademuren en lindebomen langs het water, daarna een smalle vaart door het bos, met hoge oevers links en rechts. Het voelt alsof we langzaam een andere wereld in peddelen.
“Hoe is die vaart hier eigenlijk gekomen?” vraag ik. “Weet jij dat?”
Niels kijkt even naar de hoge oevers. “Dit bos is aangelegd,” zegt hij. “De vaart was vroeger een riviertje dat zich in de grond heeft uitgesleten. Daarom ligt het hier zo diep. Later is de Luts wat rechter gemaakt, maar uniek blijft hij wel. De echte Elfstedentocht op de schaats komt hier ook langs, als hij tenminste ooit nog gereden wordt. De laatste keer was helaas van vóór mijn tijd.”
“Kan jij eigenlijk schaatsen?” vraag ik.
“Alleen rondjes op de kunstijsbaan,” zegt hij. “Als mijn ouders vertellen over lange tochten op natuurijs, word ik jaloers. Geen idee of wij dat ooit nog meemaken.” Hij kijkt opzij. “En jij?”
“Nooit gedaan,” zeg ik. “Net als paardrijden. Jij wel, ik niet.”
“Daar gaan we dan iets aan doen,” zegt Niels, alsof hij net een afspraak in zijn hoofd zet.
Pratend glijden we verder naar het begin van de Fluessen. Bij de pauzeplek staan Mees en Silke al klaar met de auto. We eten, drinken en laten onze schouders even zakken, terwijl de rest van onze spullen veilig in de paardentrailer ligt.
Het is gezellig met zijn vieren. Mees maakt foto’s voor de website, Silke deelt repen uit alsof ze een professioneel verzorgingsteam is en Niels lijkt zich bij ons thuis te voelen.
Als we weer opstappen, varen we richting Stavoren. Het kanaal erheen wordt drukker naarmate we dichter bij de stad komen. Omdat Stavoren een sluis naar het IJsselmeer heeft, komen er voortdurend boten voorbij. Zeilend ken ik dit water, maar op een plank sta je lager, ben je kleiner en veel kwetsbaarder. Ik ben blij met onze gele hesjes. Niels gaat voorop en ik volg zo dicht mogelijk langs de kant. De golven tikken tegen mijn board, maar ik merk dat ik niet meer verstijf. Mijn balans is veel beter geworden. En vooruit, het helpt ook dat Niels voor me uit peddelt met van die krachtige, veel te keurige slagen.
In Stavoren is het druk genoeg om geen seconde te blijven. We nemen zo snel mogelijk de vaart richting Hindeloopen, waar we later willen eten. Tot mijn eigen verbazing voel ik me nog steeds goed. Een beetje moe, ja. Maar niet leeg.
“Ik ben verbaasd hoe goed dit gaat,” zeg ik. “Komt dat echt door al dat trainen?”
“Ja, Sam,” zegt Niels. “Trainen helpt echt. Zomaar beginnen klinkt avontuurlijk, maar het is vooral dom. Dan krijg je blessures, tintelende handen of andere ellende waar je onderweg niets aan hebt. Het verschil is dat jij nu weet wat je moet doen als er iets opspeelt.”
In Hindeloopen stoppen we om te eten. Alleen al het idee dat we onze spullen veilig in de paardentrailer kunnen laten, voelt als luxe. Geen gesleep, geen paniek om bidons of droge kleren. Gewoon zitten, eten en even doen alsof mijn schouders niet van mij zijn.
Voor het laatste stuk, van Hindeloopen naar Workum, nemen we bewust ruim de tijd. Niels zegt minstens drie keer dat het geen wedstrijd is, dus blijkbaar kijk ik nog steeds alsof ik de finish wil aanvallen. Rond half vijf stappen we van onze planken. Onze eerste officiële Elfsteden-trainingsdag zit erop. Ik ben moe, mijn armen voelen langer dan vanochtend en mijn benen hebben weinig zin in traplopen, maar ergens onder die vermoeidheid zit trots. Geen heftige spierpijn. Geen drama. We hebben het gedaan.
Daarna eten we met zijn allen in ons restaurant. Mees en Silke vertellen over de tocht alsof ze er zelf minstens de helft van hebben meegepeddeld, inclusief foto’s, filmpjes en commentaar vanaf de kant. Daarna brengen we Niels naar huis. De paardentrailer met de planken nemen wij weer mee; voorlopig is die voor ons trainingsproject.
We besluiten om vrijdag opnieuw een oefentocht te doen die we al hebben gedaan en de zondag daarna nog een officiële Elfstedendag te proberen. Niels stelt voor om met dag één te beginnen: van Leeuwarden via Sneek en IJLst naar Sloten. Als we die ook afgelegd hebben, kunnen we daarna dag één en twee achter elkaar plannen. Twee dagen na elkaar. Volgens Niels hebben we dan genoeg Elfsteden-ervaring om de hele tocht straks aan te kunnen. Volgens mijn buik is dat nieuws waar uitgebreid over vergaderd moet worden.
Die zondag brengt Mees ons naar Leeuwarden. Om acht uur starten we in de Prinsentuin, midden in de stad. De grachten liggen er stil bij, alsof Leeuwarden nog niet helemaal besloten heeft wakker te worden.
“Wij kwamen hier wel met onze boot,” zeg ik, terwijl ik om me heen kijk. “Maar zo heb ik Leeuwarden nog nooit gezien.”
“Ik kom hier eigenlijk alleen voor familiebezoek of om te shoppen,” zegt Niels. “Vanaf het water is het ineens een heel andere stad.”
“Hoe vind je het?” vraag ik.
“Het is dat we vandaag een tocht moeten suppen,” zegt hij, “anders zou ik zo door de grachten willen gaan suppen.”
“Dat kunnen we toch altijd nog een keer doen?” zeg ik. “Later.”
Terwijl ik het zeg, besef ik dat ik dat eigenlijk maar wat graag zou willen.
Daarna volgen we kanalen en vaarten richting Sneek. Rond tien uur komen we bij de Waterpoort aan, waar Mees precies op het goede moment klaarstaat met drinken en iets lekkers. Ik doe alsof ik vooral pauzeer voor de gezelligheid, maar mijn handen pakken de reep alsof ze al uren zelfstandig plannen maken.
Van Sneek peddelen we door naar IJlst en daarna verder richting Sloten. Het middageten vraagt wat meer improvisatie, uiteindelijk belanden we later dan normaal in Woudsend bij een restaurantje aan het water. Daarna steken we het Slotermeer over. De wind is vriendelijker dan ik had gevreesd en rond half vier glijden we Sloten binnen.
De moeder van Niels heeft geregeld dat we bij hen kunnen eten. Dat voelt bijna alsof de tocht een vaste plek in ons leven krijgt: varen, eten, spullen drogen, plannen maken. Na afloop laten we Mees de manege zien. Niels vertelt rustig, Mees stelt duizend vragen en ik probeer niet te opvallend te kijken naar hoe vanzelfsprekend Niels hier tussen stallen, zadels en voeremmers thuishoort.
Voor dinsdag kiezen we opnieuw een vertrouwde route. Donderdag en vrijdag willen we dag één en dag twee achter elkaar suppen. Alleen al bij die gedachte trekt er spanning door mijn buik. De twee dagen los van elkaar gingen goed, maar telkens hadden we daarna tijd om te herstellen. Nu moeten we door. Meteen weer opstaan, weer eten, weer het water op. En als we straks de echte tocht varen, wachten daarna nog drie dagen.
Niels zegt dat hij er alle vertrouwen in heeft. Dat helpt. Niet omdat vertrouwen van hem magisch werkt, al begint het daar verdacht veel op te lijken, maar omdat hij voorzichtig is met zulke uitspraken. Hij zegt niet zomaar dat ik iets kan. Als hij het zegt, heeft hij het gewogen, berekend en waarschijnlijk in drie scenario’s getest.
Woensdagavond app ik hem toch nog. Gewoon omdat mijn hoofd heel graag nog even officieel in paniek wil zijn.
Sam: Morgen gaan we het doen. Twee dagen achter elkaar.
Niels: Maak je je daar druk over?
Sam: Een beetje wel.
Niels: Niet doen. Je kunt dit. Honderd procent zeker.
Sam: Hoe weet je dat zo zeker?
Niels: Omdat ik inmiddels weet wat jij kunt en wat je nog lastig vindt als het op suppen aankomt.
Niels: Dit kun jij. Net als over twee weken de hele tocht.
Sam: Ik wou dat ik daar net zo zeker van was.
Niels: Geloof me nou maar. Dit wordt geen probleem.
Sam: Dank je wel. Dit had ik even nodig.
Niels: Je bent een stoere twijfelaar.
Sam: Daar heb je helemaal gelijk in.
Niels: Laat dat twijfelaar morgen thuis. Dan blijft stoer over.
Morgen zullen Mees en Silke allebei meegaan. Voor het eerst gaan we twee dagen achter elkaar suppen.