Pagina 1 van 1

Tegenwind naar de finish. Deel 8.

Geplaatst: za 12 sep 2026, 05:55
door Wimmie
Sam:

Het is de eerste dag in de zomervakantie, een woensdag. Ik kan nauwelijks wachten. Het trainen gaat goed en er gebeurt ook van alles rond de sponsoractie. In een paar kranten hebben al stukjes gestaan en de regionale omroep wil me interviewen. Eerst op de radio. Ik moet Niels vragen of hij meegaat, vooral voor de technische vragen. Ook een beetje omdat hij naast mij laat zien dat dit geen wilde Sam-actie is, maar iets waar serieus voor getraind wordt. De eerste sponsortoezeggingen zijn binnen. Vooral familie. Het begin is er.

We vertrekken eerder dan anders. Om tien voor negen kom ik bij onze vaste ontmoetingsplek aan. Niels peddelt tegelijk uit de andere vaart tevoorschijn, alsof hij op de minuut gepland heeft hoe hij precies naast me uitkomt.

“Goedemorgen, coach,” roep ik. “Je hoeft geen peptalk te houden. Ik popel al.”
Niels glimlacht. “Mooi. Dan beginnen we de grote vakantie actief. Vandaag gaan we voor het eerst twee keer naar de overkant. Het is nog vroeg, dus het is rustig op het water. En de wind helpt ons: kracht drie.”
“Ik heb hier zo veel zin in,” zeg ik, iets te hard misschien.

We peddelen het meer op. Het water ligt breed en open voor ons. Ik probeer rustig te beginnen, maar mijn armen willen sneller dan Niels verstandig vindt. Terwijl we ons ritme zoeken, kijk ik opzij.

“Ik moet je even bijpraten over de pr,” zeg ik. “Er hebben al wat kranten iets gepubliceerd. En de regionale omroep wil een interview. Eerst de radio. De TV komt later. Ik zou het fijn vinden als jij erbij bent, voor de technische kant. Wil je dat?”
“Alleen als het gesprek vooral met jou is,” zegt Niels. “Ik wil best iets uitleggen over techniek, maar het blijft jouw sponsortocht. Ik help je. Als vriend.”
Dat zegt hij zo gewoon dat ik even niet meteen een grap weet. “Helemaal prima. Dan maak ik de afspraak.”

Een tijdje horen we alleen het tikken van peddels in het water. Dan komt er een vraag in me op die ik eigenlijk niet handig vind, maar die er toch uit moet.
“Hoe kijk jij eigenlijk naar mij?” vraag ik. “Ik bedoel: wat vind je van mij? We kennen elkaar nu een maand en ineens doen we veel samen. Daarvoor had je waarschijnlijk nog nooit van me gehoord.”
Niels denkt na voor hij antwoord geeft. Natuurlijk doet hij dat.
“Je bent serieuzer dan ik eerst dacht. In het begin kon ik je daardoor niet goed plaatsen. Nu merk ik dat je over veel dingen nadenkt. Over Jasper bijvoorbeeld, en over waarom je dit doet. En je bent fanatiek. Echt fanatiek. Zeker met suppen.”

“Dat klopt allebei wel,” zeg ik. “Dat serieuze zien niet zo veel mensen. Dat fanatieke wel. Ik weet alleen niet of ik daar trots op moet zijn.”
“Waarom niet?”
“Omdat je jezelf er ook achter kunt verschuilen. Als ik maar hard genoeg ga, hoef ik niet te laten zien wat eronder zit.”
Niels kijkt kort naar me en daarna weer vooruit. “Bedoel je dat?”
“Ja,” zeg ik zachter. “Ik ben best onzeker over wie ik ben. En over wie ik zou willen zijn.”
“Dat is niet niks,” zegt Niels. “Wil je iemand anders zijn? Of vooral iemand die zich anders gedraagt?”
“Dat laatste misschien. Ik lach veel weg en maak snel een grap. Dan hoef ik mezelf niet te laten zien.”
“Dat herken ik,” zegt Niels. “Maar soms laat je ook genoeg zien om erdoorheen te kunnen prikken.”
“Als ik dat toesta.”
“Precies,” zegt hij.
“En meestal sta ik het niet toe,” zeg ik.

Verder komen we niet, want recht voor ons verschijnt een jacht. Eerst lijkt het ver weg. Het blijft precies op dezelfde koers varen. Komt steeds dichterbij. Waar wij suppen.
“Zie jij dat jacht?” vraag ik. “Volgens mij hebben ze ons niet gezien.”
“Ze varen behoorlijk recht op ons af,” zegt Niels. "Wat stel je voor?"
“Dat wij naar rechts uitwijken.” beslis ik, misschien sneller dan rustig.
We buigen af. Het jacht blijft stug rechtdoor gaan. Pas als het langs ons schuift, besef ik hoe dichtbij het was geweest als wij op koers waren gebleven.
“Goed gezien,” zegt Niels. “Dit moet je ook blijven bewaken. Als je uitwijkt, doe je dat naar rechts, zoals jij deed. Zij horen dat ook te doen, tenminste als ze de regels kennen én opletten.”
Als we passeren, kijk ik naar de stuurstand. De man achter het roer kijkt niet naar het water, maar op zijn telefoon.
“Blijkbaar gebeurt dat niet alleen in auto’s of op de fiets.” zeg ik.
“Ik wil nog wel een keer verder praten over wat je net zei,” zegt Niels. “Nu kunnen we zo aanleggen.”

Na een pauze op het terras suppen we terug. Het gaat goed, vind ik zelf. Ik blijf redelijk in mijn ritme, al beginnen mijn handen op een zeurende manier aanwezig te zijn. Niet dramatisch. Wel irritant genoeg om te denken: straks even naar kijken.

Dat ‘straks’ wordt wanneer we voor de tweede keer bij het restaurant aanleggen, deze keer om te eten. De pijn is iets gezakt, maar mijn vingers voelen vreemd.
“Mijn handen doen raar,” zeg ik tegen Niels.
“Laat eens kijken.”
Hij pakt mijn handen en bekijkt ze alsof hij een technische storing onderzoekt.
“Er is niets te zien. Wat voel je?”
“Eerst deden mijn vingers pijn. Nu voelen ze meer doof.”
“Dan hou je je peddel waarschijnlijk te krampachtig vast,” zegt hij. “Probeer je handen losser te houden. Minder trekken met je armen, meer kracht uit je romp. Core is geen sierwoord, Sam.”
“Ik heb dit nog niet eerder gehad.”
“Dat kan. Vermoeidheid in spieren bouwt zich op. Daarom oefenen we dit nu, niet pas tijdens de Elfstedentocht.”
“Ik let erop,” beloof ik.

Halverwege de terugweg vraagt Niels: “Hoe gaat het nu met je handen?”
“Veel beter. Het dove gevoel is weg. Ik probeer inderdaad meer vanuit mijn romp te werken.”
“Mooi, heb je dat stukje belangrijke techniek ook geleerd. Je vordert hard!”
“Vind je?”
“Ja, ik vind dat je alles heel goed oppikt.”
“Fijn, een tevreden coach!”
“Hou dat vast,” zegt hij.
Ik grinnik.

Als we later terug zijn bij ons startpunt, ben ik moe en tevreden. “Deze dag ging goed, toch?” vraag ik. Ik probeer het luchtig te zeggen, maar ik wil het antwoord echt horen.
Niels knikt. “Zeker. Overmorgen een andere tocht? Iets langer?”
“Dolgraag.”
“Ik zoek het morgen uit en laat het je weten.”
We groeten elkaar en suppen elk onze eigen kant op.

De volgende dag appt Niels een route. Twee keer het meer was zesentwintig kilometer, plus het stuk ervoor en erna. Nu heeft hij een tocht van dertig kilometer gevonden. Na twee derde komen we bij het restaurant uit. Daarna pakken we ook een stuk van het volgende meer mee.

Niels: Wat vind je hiervan?
Sam: Ik zie 30 kilometer helemaal zitten.
Niels: Dan stel ik voor dat we die morgen gaan suppen.
Sam: Helemaal prima. Kan ik je trouwens nu even bellen? Over het interview met de regionale omroep.
Niels: Prima.

Over de telefoon leg ik Niels uit dat we overmorgen in het middagprogramma kunnen vertellen over mijn sponsortocht. “Zie je dat zitten?”
“Ja hoor, met de afspraak dat jij vooral het woord voert en ik een toelichting geef over het suppen.”
“Prima. Zullen we dan samen de bus nemen?”
“Deal.”

De tocht de volgende dag verloopt beter dan ik had durven hopen. Het andere meer is drukker; Niels houdt ons strak langs de kant en ik blijf rustig. Eén keer beginnen mijn handen te tintelen. Meteen denk ik aan zijn aanwijzing: losser vasthouden, kracht uit mijn core. Het werkt sneller dan ik verwacht. Dat voelt als winst. Niet spectaculair, maar wel precies het soort winst dat ik straks nodig heb.

Na afloop spreken we af hoe laat we de bus nemen naar de studio. Niels komt langs om me op te pikken. We zetten onze fietsen bij de halte en in de bus praten we door over wat ik wil vertellen: Jasper, de sponsoractie, de Elfstedentocht en waarom ik niet zomaar iets geks doe, maar ergens voor train.

Bij de studio melden we ons bij de receptie. Ik probeer rustig te blijven, maar mijn hoofd maakt ondertussen al drie interviews tegelijk. Even later haalt de regisseur van het middagprogramma ons op. Ze legt uit dat het korte gesprekken zijn en dat ons verhaal daar goed in past.

We krijgen een paar praktische tips en daarna moeten we wachten. Door het glas zien we de studio. De presentator praat met iemand anders. Ik kijk alsof ik kalm ben. Niels staat naast me alsof wachten ook een techniek is.
Als het gesprek klaar is, steekt de regisseur haar hoofd om de deur.
“Nog twee muziek-nummers en dan zijn jullie aan de beurt. Kom vast zitten.”
Wanneer het interview begint, stelt de presentator ons voor en vertelt waarom we in de studio zijn.
“Mijn eerste vraag is: waar komt dat woord ‘suppen’ eigenlijk vandaan?”
Ik kijk Niels aan. Blijkbaar heb ik me op alles voorbereid behalve op deze vraag. Gelukkig begrijpt Niels mijn blik meteen.
“Suppen komt uit het Engels,” zegt hij. “Van Stand Up Paddle, of Stand Up Paddleboarding. Staand peddelen dus. Je staat op een board en beweegt je voort met een peddel.”
Daarna komt het gesprek gelukkig snel bij het echte onderwerp: Jasper en de sponsoractie. Ik vertel over zijn leukemie en over het moment waarop ik dacht dat ik meer wilde doen dan alleen bijspringen en meeleven. Ik vertel dat de Elfstedentocht groot en misschien zelfs een beetje idioot voelt, maar juist daarom past. Het moet moeite kosten.

De presentator vraagt hoe ik op de Elfstedentocht kwam en of ik al lang sup. Ik geef toe dat ik nog nooit op een supplank had gestaan toen dit idee opkwam. “Niels heeft me vanaf nul moeten leren suppen,” zeg ik. “Hij traint me nog steeds.”
“Is het dan niet een gok dat je het gaat halen?”
“Nee,” zeg ik sneller dan verstandig is. Daarna adem ik in. “Ik train hard, onder begeleiding van Niels. Gisteren hebben we dertig kilometer gepaddeld en dat ging goed. Niet vanzelf, maar goed. Elke dag bouwen we iets verder op.”

Er volgen nog een paar technische vragen. Niels beantwoordt ze kort en helder, precies zoals hij vooraf beloofd heeft. Daarna mag ik de website noemen. De presentator zegt dat de link ook op de website van de omroep komt te staan.

Met de wens dat de tocht lukt en dat er veel geld binnenkomt voor het goede doel, wordt het gesprek afgesloten.

In de bus praten we na. Ik ben opgelucht en trots tegelijk. Niels is ook tevreden. Het verhaal is echt bij mij gebleven, maar het is tegelijk duidelijk geworden dat ik dit niet alleen doe. Niels begeleidt me, Jasper geeft me de reden en de Elfstedentocht blijft als een grote streep aan de horizon liggen.

Niels stelt voor om één dag over te slaan. Daarna wil hij een tocht zoeken die weer drie of vier kilometer langer is. “Misschien kunnen we dan niet bij het restaurant eten,” zegt hij. “Dan zoeken we een andere stopplek.” Hij klinkt alsof het een puzzel is die hij graag oplost.

De volgende dag krijg ik de route. Gelukkig zit het restaurant er opnieuw in. We moeten om acht uur vertrekken. Voor iemand die de Elfstedentocht wil suppen en op de radio durft te vertellen waarom, lijkt dat me geen probleem.