Pagina 1 van 1

Tegenwind naar de finish. Deel 7.

Geplaatst: do 10 sep 2026, 05:48
door Wimmie
Niels:

De eerste tocht zit erop. En eerlijk gezegd: het valt me niets tegen.
Sam klaagt achteraf over zijn armen en een beetje over zijn benen, maar dat hoort erbij. Hij doet alsof hij bijna uit elkaar valt, maar ondertussen glimmen zijn ogen. Dat is Sam: als iets zwaar is, vindt hij het echt interessant.

Zelf heb ik nergens last van. Dat stelt me gerust. Niet omdat ik wil bewijzen dat ik beter ben, maar omdat ik straks, als we grotere afstanden gaan maken, degene moet zijn die overzicht houdt. Sam kan enthousiasme leveren voor twee. Iemand moet de rem zijn.

Bij onze wekelijkse trainingen neem ik technische punten met hem door. Niet alles tegelijk, want dan luistert Sam twee minuten aandachtig en gaat hij daarna toch weer op gevoel verder. Dus kies ik per keer een paar dingen: rustiger insteken, verder naar voren reiken, rechtop blijven, niet te veel met zijn armen trekken maar zijn core gebruiken.

Tot mijn geruststelling pakt hij het snel op. Sam heeft gevoel voor suppen. Hij beweegt soms te haastig, maar hij leert snel. Als hij alleen traint, doet hij dat fanatiek. Dat is goed, zolang hij zichzelf niet over de kop jaagt.

Voor het volgende weekend wil ik dezelfde tocht nog een keer doen. Om te kijken of de eerste keer geen toeval was. Alleen moet het weer meewerken. Met windkracht vier ga ik niet met Sam het meer op. Windkracht drie kan. Bij vijf blijf ik zelf ook liever aan wal.

Zaterdagmorgen is het rustig. Bijna té rustig. De verwachting is dat de wind later aantrekt, maar niet boven drieënhalf of vier uitkomt. Dat is te doen. Het is niet zo’n stralende dag als de vorige keer, maar met tweeëntwintig graden is het warm genoeg.

We starten om tien uur. Voor we wegvaren zeg ik:
“Vandaag oefenen we vooral op meer slagen aan één kant. Niet na elke twee halen wisselen. Rustiger. Efficiënter.”
Sam knikt meteen.
“Daar heb ik al op geoefend. Maar in een vaart is dat anders dan op een meer. Op het meer lijkt alles groter. En wiebeliger.”
“Klopt,” zeg ik. “Daarom doen we het hier.”

We glijden weg van de kant. In het begin gaat het zoals de vorige keer. Sam praat veel, ik antwoord kort, en ondertussen let ik op zijn houding. Af en toe geef ik een aanwijzing.
“Niet zo trekken met je armen.”
“Ik trek niet, ik help het water alleen een beetje.”

Dan verandert het water.
Ik hoor hem eerder dan ik de boot zie: een hard, scherp motorgeluid dat niet past bij dit stuk water. Een speedboot komt met veel te hoge snelheid onze kant op. Hij hoort hier rustig te varen, maar hij snijdt recht over het meer alsof hij alleen op de wereld is.
“Sam,” zeg ik meteen, “blijven staan. Knieën los. Niet verstijven. Die golven komen zo.”
“Welke gol….” begint Sam.
Verder komt hij niet. De boot raast voor ons langs en trekt een rij rommelige hoge golven achter zich aan. De eerste klap vangen we nog op. De tweede komt scheef. Mijn board draait half weg. Naast me hoor ik Sam vloeken. Een tel later lig ik zelf ook in het water.
Het water is niet koud, maar de schrik is erger dan de plons. Ik pak mijn board, trek mezelf erop en kijk meteen naar Sam. Hij komt al omhoog, druipend en boos.
“Serieus?” roept hij. “We deden niks verkeerd!”
“Nee,” zeg ik, terwijl ik mijn peddel dichterbij haal. “Dat maakt het zo irritant.”

De boot is alweer in de verte verdwenen. Niet voordat ik het registratienummer op de zijkant goed heb gezien. Ik zeg het een paar keer zacht voor mezelf, tot ik zeker weet dat het blijft hangen.
“Ik heb zijn registratienummer,” zeg ik.
Sam veegt water uit zijn gezicht. “Wat kun je daarmee?”
“Doorgeven aan de waterpolitie. Dit is niet zomaar onhandig varen. Dit was bewust. Hij vaart te hard en brengt anderen bewust in de problemen.”
“Mooi,” zegt Sam. “Dan heeft hij straks misschien net zo’n slecht moment als wij nu.”

Druipend landen we bij de steiger en trekken onze boards erop. De waterdichte tassen hebben hun werk gedaan: onze droge spullen zijn echt droog.
“Waar kunnen we ons omkleden zonder dat het halve hotel achter ons aan gedweild moet worden?” vraag ik.
Sam hoeft daar niet lang over na te denken. “De garage. Daar wordt het vaker nat. Ik vraag aan de bediening op het terras wel even om handdoeken. Voordeel van een hotel.”

Even later lopen we met hotelhanddoeken naar de garage. Sam vindt het alweer half grappig. Ik nog niet helemaal. Terwijl we droge kleren aantrekken, merk ik dat mijn irritatie langzaam zakt. We zijn veilig. De spullen zijn droog. En we hebben een registratienummer.

Mijn natte kleding gaat in de plastic zak die ik heb meegenomen. Sam kijkt naar zijn stapel druipende spullen en trekt een gezicht.
“Dat had je er niet bij gezegd,” zegt hij.
“Klopt,” zeg ik. “Mijn fout. Sorry. Vuilniszakken tellen ook als noodplan.”
Sam grijnst. “Jij noemt alles een plan, hè?”

Daarna lopen we naar zijn moeder. We vertellen wat er is gebeurd. Zodra ik het registratienummer noem, kijkt ze alsof ze de man al kent.
“O ja, die,” zegt ze. “Die maakt vaker problemen. Schrijf datum, tijd, plek en wat er precies gebeurde even op. Dan geef ik het meteen aan de waterpolitie door. Hard varen mag hier helemaal niet.”
Ik schrijf alles netjes op een A4’tje. Registratienummer, tijd, snelheid, golven, twee suppers in het water. Feiten. Daar houd ik van.
Sam kijkt over mijn schouder mee. “Je schrijft zelfs boos nog precies.”
“Boos met bewijs werkt beter dan boos zonder bewijs,” zeg ik.

Daarna schuiven we het incident aan de kant. Niet omdat het onbelangrijk is, maar omdat we onze training niet door één idioot laten verpesten. Op het terras komt de zon door. We bestellen wat te drinken en iets te eten.
Ik leun achterover zodra mijn glas op tafel staat.
“Ik blijf het bijzonder vinden dat ik hier iets kan bestellen zonder te hoeven betalen.”
“Dat geldt alleen voor jou en mij,” zegt Sam. “Iedereen om ons heen moet gewoon afrekenen. Vergeet dat niet, anders krijg je straks rare verwachtingen.”
Ik kijk overdreven plechtig naar mijn bord. “Dan zal ik mijn privileges met waardigheid in ontvangst nemen.”

We eten rustig, blijven nog even zitten en suppen daarna terug naar ons startpunt. De wind is iets aangetrokken, niet vervelend. Sam beweegt soepeler dan de vorige keer. Hij wisselt minder vaak van kant en zijn slagen zijn rustiger.

Bij de steiger vraag ik: “En? Tweede keer dezelfde tocht. Hoe voelen je armen?”
Sam buigt demonstratief zijn ellebogen. “Tot mijn grote vreugde: veel minder dramatisch dan vorige week.”
“Dat komt door die langere series links en rechts,” zeg ik. “Je verdeelt de belasting beter. Minder paniekpeddelen, meer ritme.”
“Paniekpeddelen klinkt als een officiële sport,” zegt Sam. “Goed, ik snap je punt. Wat mij betreft maken we de volgende keer een grotere tocht.”
Ik knik, maar niet meteen te enthousiast. “Dat wil ik ook. Alleen moeten we slim uitbreiden. Als we blijven pauzeren bij het restaurant, houden we een veilige rustplek. En voor de Elfstedentocht hebben we niet alleen een meer nodig, maar ook stukken vaart. Daar sup je anders dan op het meer.”
“Jij gaat nu dus een route uitrekenen,” zegt Sam.
“Natuurlijk,” zeg ik. “Iemand moet voorkomen dat jouw enthousiasme ons rechtstreeks naar blessures peddelt.”

De week daarna hebben we nog één gezamenlijke training doordeweeks en één weekend voor de vakantie begint. Gelukkig zijn Sams schoolresultaten goed, net als die van mij. Daar hoeven we ons geen zorgen over te maken.

Thuis teken ik de route uit. Het meer is ongeveer zes en een halve kilometer. Als we daar een stuk vaart voor en na aan toevoegen, kunnen we langzaam opbouwen. Eén stuk vaart is anderhalve kilometer. Heen en terug is drie kilometer. Doen we dat erbij, dan komen we per helft op negen en een halve kilometer. Samen is dat negentien kilometer. Dat gaat richting de helft van één Elfstedentochtdag.
Als dat goed gaat, kunnen we later telkens drie kilometer toevoegen. Of zes, als we een extra heen-en-weerstuk pakken. Rustig uitbreiden. Meetbaar. Controleerbaar. Precies zoals ik het graag heb.

Ik stel Sam voor om zaterdag die eerste drie kilometer toe te voegen. Hij reageert alsof ik hem een cadeau geef.
“Helemaal mee eens,” zegt hij. “Als we toch trainen, kunnen we net zo goed echt trainen.”

Die zaterdag is het prachtig weer. Ik sup in een zwembroek, met alleen mijn hesje eroverheen. In mijn tas zitten een korte broek en een shirt voor het restaurant. Zonnebrand gaat er ruim op, ook al ben ik inmiddels behoorlijk bijgekleurd. Sam verschijnt net zo luchtig gekleed, ook met hesje. Op drukker water moeten we zichtbaar zijn.

We starten met de vaart: heen en terug, twee keer anderhalve kilometer. Daarna steken we het meer over. Het gaat goed. Beter dan goed eigenlijk. Sam praat onderweg over rondtochten, twee meren, verbindende kanalen en hoe gaaf het zou zijn als Joris straks eens langs de kant staat om ons aan te moedigen.

Het is drukker op het water dan eerder die ochtend. Nu merk ik pas goed waarom ik die gele hesjes wil. Motorbootjes, zeilbootjes, kano’s: alles beweegt door elkaar. We krijgen een paar nieuwsgierige blikken, maar vooral ruimte. Met een stevig, gelijkmatig tempo bereiken we het restaurant.

Bij de receptie komt Sams moeder direct naar ons toe. “De waterpolitie was blij met jullie melding,” zegt ze. “Ze kennen de speedbootbezitter met dat registratienummer. Ze gaan hem aanspreken en er volgt waarschijnlijk een flinke bekeuring. Als hij zo doorgaat, wordt het de volgende keer nog duurder.”
Sam kijkt tevreden. “Mooi. Dan heeft jouw boze A4’tje gewerkt.”
“Precieze A4,” verbeter ik hem. “Boosheid was alleen de brandstof.”

We eten wat, drinken genoeg en vertrekken daarna weer. De terugweg gaat verrassend soepel. Zelfs het stuk vaart, waar ik verwacht dat Sam onrustiger wordt, houdt hij strak vol.
Bij het einde van de vaart kijkt hij om, alsof het water hem persoonlijk uitdaagt.
“Ik voel mijn armen en benen nog helemaal niet, ze zijn prima,” zegt hij. “Kunnen we de vaart nog één keer heen en weer doen?”
Ik kijk hem aan. “Je wilt er nu dus nog drie kilometer bij optellen?”
“Ja,” zegt Sam meteen. “Het kan. Dus waarom niet?”

Dit is precies het punt waarop ik normaal op de rem trap. Maar ik zie geen vermoeid gezicht, geen ingezakte houding, geen slordige slagen. Alleen Sam, fanatiek en wakker, met nog genoeg energie in zijn lijf.
“Goed,” zeg ik. “Rustig. Geen finale alsof er een beker op ons wacht.”
“Er wacht altijd ergens een beker,” zegt Sam. “Desnoods verzin ik hem zelf.”

We suppen de vaart nog een keer heen en terug. Daarmee komen we op ruim tweeëntwintig kilometer. Als we aanleggen, voel ik mijn schouders duidelijker dan aan het begin van de dag, maar niet verkeerd. Dit is trainingsvermoeidheid. Geen waarschuwing.

“We hebben nu ongeveer de helft van één Elfstedentochtdag gesupt,” zeg ik. “En jij hebt echt geen spierpijn?”
Sam draait zijn schouders rond. “Nu begin ik het te voelen. Morgen is dat weg.”
“Misschien,” zeg ik. “En misschien ook niet. Daarom bouwen we op. Niet omdat ik je wil tegenhouden, maar omdat we dit straks dagen achter elkaar moeten kunnen.”
“Volgende week begint de vakantie na dinsdag,” zegt Sam. “Zullen we woensdag meteen iets groters plannen?”

“Ja,” zeg ik. “Met regels. Elke dag drie tot vijf kilometer erbij als het goed voelt. Als het niet goed voelt, zakken we terug. Twee keer soepel halen, dan pas weer uitbreiden.”
Sam zucht, maar hij lacht erbij. “Vind je me te enthousiast?”
“Fanatiek,” zeg ik. “Gedreven. En af en toe gevaarlijk dicht bij ongeduldig.”
Hij knikt. Voor Sam is dat al bijna een lange stilte. “Ik wil dit gewoon heel graag doen.”
“Dat weet ik,” zeg ik. “En juist daarom moeten we zorgen dat je het kunt blijven doen. De Elfstedentocht halen we niet door nu alles eruit te persen. We halen hem door heel te blijven.”
Sam steekt zijn peddel omhoog alsof hij een eed aflegt. “Oké, oké. Jij bent de baas. Rem me af als ik weer te hard wil.”
“Dat is precies mijn taak,” zeg ik. “En jouw taak is zorgen dat ik plezier heb.”

Thuis zoek ik opnieuw naar een grotere route. Ik wil het meer verdubbelen: twee keer heen en weer. Dan zitten we al rond de zesentwintig kilometer. Met de vaart erbij kunnen we daarna telkens drie kilometer toevoegen, zonder dat de route onoverzichtelijk wordt.
Ik bel Sam.
“Ik heb een voorstel,” zeg ik.
“Vertel,” zegt Sam meteen. “Ik hou van voorstellen die met kilometers te maken hebben.”
“Wat denk je ervan om het meer twee keer op en neer te suppen?”
Aan de andere kant van de lijn blijft het heel even stil. Daarna zegt Sam: “Simpel. Effectief. En vooral: één keer zo veel meer er bij.”
“Precies,” zeg ik. “En als we de vaart erbij blijven gebruiken, kunnen we daarna steeds met drie kilometer uitbreiden. Overzichtelijk, zonder rare sprongen.”
“Wanneer doen we dat?” vraagt Sam. Natuurlijk vraagt hij niet óf we het doen. Bij Sam is het plan in zijn hoofd al half uitgevoerd zodra ik het voorstel hardop zeg.
“Woensdag kan,” zeg ik. “Eerste vrije dag. Maar dan wil ik wel twee pauzes. Niet één lange stop tussendoor, maar echt twee maal tussendoor herstel.”
Sam maakt een geluid dat precies tussen zuchten en lachen in zit. “Ik wilde net heldhaftig één pauze voorstellen, maar ik hoorde jouw stem al in mijn hoofd. Dus: twee pauzes. Verstandig. Saai, maar verstandig.”
“Niet saai,” zeg ik. “Strategisch. We drinken eerst wat bij het restaurant met wat koolhydraten er bij, doen daarna nog een heen-en-weerstuk, en eten dan rustig. Als jouw moeder ons tenminste niet alsnog een rekening presenteert.”

“Zie het als betaling in natura voor mijn trainer,” zegt Sam. “En anders regel ik wel iets. We serveren de lunch tot vier uur, dus dat moet lukken.”
“Dan spreken we dat af,” zeg ik. “Woensdag: dubbele meerroute, twee pauzes, de nodige keren de vaart en als het niet goed voelt, korten we in.”
“Afgesproken,” zegt Sam. “Maar als het wél goed voelt, mag ik dan enthousiast zijn?”
Ik glimlach, ook al kan hij dat niet zien. “Dat mag. Zolang je maar naar mijn rem luistert.”
“Deal,” zegt Sam. “Maar dan beloof jij dat je af en toe ook naar mijn gaspedaal luistert.”

Ik glimlach weer. Daar kan ik weinig tegenin brengen. Misschien hebben we elkaar precies nodig: Sam om vooruit te blijven kijken, ik om te zorgen dat we de finish ook echt halen.