Tegenwind naar de finish. Deel 6.
Geplaatst: di 08 sep 2026, 05:38
Sam:
Het plan ligt op tafel. Tot aan de vakantie weten Niels en ik wat we gaan doen. Op papier lijkt het eenvoudig: vijf dagen elke dag ongeveer vijfenveertig kilometer suppen. In het echt is dat een afstand waar mijn armen nu al een beetje bang van worden. Daar gaan we naartoe werken.
Toch voel ik vooral zin. Niels blijft rustig onder alles. Hij praat niet groot, hij belooft niets wat hij niet waar kan maken, maar juist daardoor geloof ik hem als hij zegt dat we het kunnen opbouwen. Als iemand mij naar de finish kan trainen, is hij het.
Er moeten meteen twee dingen geregeld worden. Eerst school: ik moet vrij krijgen voor woensdag, donderdag en vrijdag. ’s Avonds bespreek ik het met mijn ouders. Ze vinden het uiteraard goed. Ik ga zelf een nette conceptmail maken. Zij sturen hem daarna op.
Het tweede punt is mijn oom. Hij helpt met de publiciteit. Niet alleen hij moet tijd hebben: Niels moet ook kunnen. Ik geef mijn oom onze schooltijden door. Een dag later stuurt hij terug wanneer we na school langs kunnen komen.
Het gesprek wordt veel groter dan ik had verwacht. Mijn oom zit klaar, naast hem zit nog iemand van het bureau die de website gaat verfraaien. Niels krijgt eerst een spervuur aan vragen over suppen: afstanden, veiligheid, training, materiaal. Hij antwoordt kort en precies. Geen opschepperij, geen grapjes om op te vallen. Gewoon Niels.
Daarna gaat het over mij. Waarom wil ik dit doen? Ik vertel over Joris. Over kinderleukemie. Over hoe hij acht jaar is als hij ziek wordt en nu twaalf is, weliswaar een heel jaar kwijt is geraakt aan behandelingen, angst en wachten. Terwijl ik praat, merk ik dat iedereen stiller wordt.
Mijn oom vraagt of hij ook met Joris mag praten en of er foto’s gemaakt mogen worden. Van mij mag het, maar ik weet dat Joris daar zelf iets van moet vinden. Niels zegt meteen dat hij niet op de foto wil. Hij wil best genoemd worden als mijn trainer, maar daar houdt het op. Dat past bij hem Eigenlijk vind ik dat sterk.
Aan het eind van het gesprek is er ineens van alles concreet: een website, een voorbeeldbrief voor de regionale omroep en kranten, een lijst met dingen die ik zelf moet aanleveren. Als we buiten staan, voelt het alsof het plan niet meer alleen in mijn hoofd bestaat. Het is nu iets wat andere mensen ook kunnen zien.
Daarna begint het echte werk weer: trainen.
Het eerste weekend is het bijna windstil. Niels stelt voor om het meer over te steken naar de kant van ons restaurant. Zes en een halve kilometer heen, zes en een half terug. Dertien kilometer in totaal. Als ik het hardop zeg, klinkt het best stoer. Als ik bedenk dat één dag van de Elfstedentocht ruim drie keer zo lang is, klinkt het vooral alsof ik nog heel veel moet leren.
We spreken af om tien uur te vertrekken. Ik ben natuurlijk te vroeg. Niels komt een paar minuten later aanpeddelen en valt meteen op door een geel hesje.
“Goedemorgen,” roep ik. “Ik heb er zin in.”
“Anders ik wel,” zegt Niels. “Prima weer. Weinig wind, dus weinig zeilers. Dat maakt het veiliger.”
“Waarom dat hesje?”
“Zichtbaarheid,” zegt Niels. “Op open water wil ik gezien worden. Ik heb er ook een voor jou bij me. Een reddingsvest hoeft vandaag niet, maar als het veel harder waait soms wel.”
“Ik heb er voor de zekerheid eentje bij me.”
Niels knikt goedkeurend. “Mooi. Als je ergens last van krijgt, zeg je het meteen.”
We glijden naast elkaar het meer op. Het water ligt er glad bij, met alleen kleine ribbels die tegen de punt van mijn board tikken. In het begin praten we over school, docenten en wie altijd te laat komt. Niels vertelt weinig over zichzelf, maar als hij iets zegt, is het raak. Hij is op school vast stiller dan ik, bepaald niet onzeker. Hij hoeft niet steeds gezien te worden. Ik wel. Misschien iets te vaak.
Na een half uur zijn we echt midden op het meer. De oever achter ons is klein geworden. Voor ons schuift de overkant langzaam dichterbij. Een zeilboot dobbert met slappe zeilen alsof hij ook niet weet waar hij heen wil.
“Alles goed, Sam?” vraagt Niels.
“Ja,” zeg ik. “Gewoon doorgaan.”
Dat klinkt stoerder dan ik me voel, maar het gaat goed. Mijn armen worden warm, mijn rug voelt het werk, maar ik blijf rechtop en ik val niet.
Twintig minuten later ligt de steiger van het restaurant voor ons.
Niels trekt zijn board naast het mijne. “Halverwege je eerste echte tocht. Hoe voelt dat?”
“Heerlijk,” zeg ik. “Ik ben nog heel.”
“Dan houden we dat zo. Minstens een uur pauze.”
We trekken de boards op de steiger en leggen ze op een rustige plek. Met onze spullen onder de arm loop ik met Niels door naar de receptie. De receptioniste kijkt op en glimlacht.
“Hé Sam, wat zie jij er sportief uit.”
“Ik ben hierheen komen suppen,” zeg ik, en ik hoor zelf hoe trots dat klinkt.
Mijn moeder komt uit het kantoortje. “Zonder plons?”
“Zonder plons.”
“Welkom, Niels,” zegt ze. “Jullie krijgen zo iets te eten. Eerst even zitten?”
“Mag ik Niels eerst rondleiden?” vraag ik.
Dat mag uiteraard. Ik laat Niels het restaurant zien, de keuken en één verdieping met hotelkamers. Mijn vader legt net iets uit aan iemand van de keuken, maar maakt daarna tijd voor ons. Niels vraagt meer dan ik verwacht. Over voorraad, planning, kamers, gasten. Hij kijkt alsof hij alles opslaat.
Op het terras krijgen we de kaart. Niels kijkt eerst verbaasd naar de kaart.
“Dat is bijzonder,” zegt hij. “Dat jij hier gewoon kunt eten.”
“Jij kunt toch ook in de kantine van de manege eten?”
“Ik eet daar nooit. Ik woon ernaast.”
“Mijn ouders wilden dat juist niet,” zeg ik. “Ze willen afstand tot hun werk houden. Anders blijf je altijd werken.”
Niels denkt daar even over na. “Mijn moeder kan dat niet. Die ziet overal werk. Mijn vader wel. Als hij vrij is, is hij vrij.”
Na het eten halen we onze spullen op. Ik trek het oranje hesje aan dat Niels voor me heeft meegenomen.
“Ik vind het nog steeds raar dat ik wegloop zonder te betalen,” zegt hij.
“Voordeel van ouders met een restaurant,” zeg ik. “Over de nadelen vertel ik je nog wel eens.”
De terugtocht begint soepel, maar halverwege voel ik mijn armen protesteren. Eerst zacht, dan steeds duidelijker. Alsof er iemand zand in mijn schouders giet.
“Niels,” zeg ik, “ik krijg spierpijn. Niet erg, maar ik voel het wel.”
“Dat hoort erbij,” zegt hij. “Je hebt nog nooit zo lang dezelfde beweging gemaakt. Maar je kunt afwisselen. Niet alleen links-rechts-links-rechts. Kijk.”
Hij peddelt vier slagen links en daarna vier rechts. Zijn board blijft recht vooruit gaan. Bij mij slingert het de eerste keer meteen.
“Niet vechten tegen je board,” zegt Niels. “Rustig corrigeren. Jij wilt altijd meteen harder. Soms moet je juist slimmer.”
Dat irriteert me een beetje, vooral omdat hij gelijk heeft. Ik haal adem, vertraag mijn slagen en probeer opnieuw. Deze keer blijft mijn koers beter. Niet perfect, wel beter.
Het laatste stuk doen we rustig aan. Wanneer we weer bij het punt komen waar onze vaarten in het meer uit elkaar gaan, blijft Niels nog even naast me stil liggen.
“Morgen niet suppen,” zegt Niels. “Je lichaam moet dit verwerken. Maandag pak je de training weer op. En volgend weekend doen we dit nog een keer, als het weer meewerkt. Misschien met iets meer wind.”
“Dank je,” zeg ik. “Echt. Ik merk dat ik beter word. Wil je volgende week ook meer op mijn techniek letten?”
“Daar ben je nu aan toe,” zegt hij.
We peddelen ieder onze kant op. Thuis berg ik mijn board op en blijf nog even staan. Mijn armen voelen zwaar, mijn rug ook, maar van binnen ben ik lichter dan vanochtend. Dertien kilometer. Mijn eerste echte tocht.
Na het douchen start ik mijn laptop. In mijn mailbox staat een bericht van het reclamebureau van mijn oom. Mijn verbeterde website is online.
"SAMSUPTVOORLEUKEMIE".
Ik lees de mail twee keer. Er staat dat ik vanaf het begin moet laten zien dat het project leeft: trainingen, successen, ook problemen zolang ik laat zien dat ze opgelost worden. Mensen moeten vertrouwen krijgen. Niet alleen in de tocht, ook in mij.
Ik open de website. Hij ziet er strak uit. Bovenaan staat mijn foto suppend op een board en mijn naam, daaronder het doel van de tocht en een knop om te sponsoren. Ineens wordt het echt. Iedereen kan dit zien. Iedereen kan straks ook zien of ik het red.
Ik schrijf meteen een kort bericht over de tocht van vandaag. Niet te lang, niet opschepperig, maar wel positief. Daarna app ik Niels de link van de website en mijn tekst.
“Wil jij hier ook even naar kijken? Dan plaats ik hem daarna. Opmerkingen zijn welkom!”
Het plan ligt op tafel. Tot aan de vakantie weten Niels en ik wat we gaan doen. Op papier lijkt het eenvoudig: vijf dagen elke dag ongeveer vijfenveertig kilometer suppen. In het echt is dat een afstand waar mijn armen nu al een beetje bang van worden. Daar gaan we naartoe werken.
Toch voel ik vooral zin. Niels blijft rustig onder alles. Hij praat niet groot, hij belooft niets wat hij niet waar kan maken, maar juist daardoor geloof ik hem als hij zegt dat we het kunnen opbouwen. Als iemand mij naar de finish kan trainen, is hij het.
Er moeten meteen twee dingen geregeld worden. Eerst school: ik moet vrij krijgen voor woensdag, donderdag en vrijdag. ’s Avonds bespreek ik het met mijn ouders. Ze vinden het uiteraard goed. Ik ga zelf een nette conceptmail maken. Zij sturen hem daarna op.
Het tweede punt is mijn oom. Hij helpt met de publiciteit. Niet alleen hij moet tijd hebben: Niels moet ook kunnen. Ik geef mijn oom onze schooltijden door. Een dag later stuurt hij terug wanneer we na school langs kunnen komen.
Het gesprek wordt veel groter dan ik had verwacht. Mijn oom zit klaar, naast hem zit nog iemand van het bureau die de website gaat verfraaien. Niels krijgt eerst een spervuur aan vragen over suppen: afstanden, veiligheid, training, materiaal. Hij antwoordt kort en precies. Geen opschepperij, geen grapjes om op te vallen. Gewoon Niels.
Daarna gaat het over mij. Waarom wil ik dit doen? Ik vertel over Joris. Over kinderleukemie. Over hoe hij acht jaar is als hij ziek wordt en nu twaalf is, weliswaar een heel jaar kwijt is geraakt aan behandelingen, angst en wachten. Terwijl ik praat, merk ik dat iedereen stiller wordt.
Mijn oom vraagt of hij ook met Joris mag praten en of er foto’s gemaakt mogen worden. Van mij mag het, maar ik weet dat Joris daar zelf iets van moet vinden. Niels zegt meteen dat hij niet op de foto wil. Hij wil best genoemd worden als mijn trainer, maar daar houdt het op. Dat past bij hem Eigenlijk vind ik dat sterk.
Aan het eind van het gesprek is er ineens van alles concreet: een website, een voorbeeldbrief voor de regionale omroep en kranten, een lijst met dingen die ik zelf moet aanleveren. Als we buiten staan, voelt het alsof het plan niet meer alleen in mijn hoofd bestaat. Het is nu iets wat andere mensen ook kunnen zien.
Daarna begint het echte werk weer: trainen.
Het eerste weekend is het bijna windstil. Niels stelt voor om het meer over te steken naar de kant van ons restaurant. Zes en een halve kilometer heen, zes en een half terug. Dertien kilometer in totaal. Als ik het hardop zeg, klinkt het best stoer. Als ik bedenk dat één dag van de Elfstedentocht ruim drie keer zo lang is, klinkt het vooral alsof ik nog heel veel moet leren.
We spreken af om tien uur te vertrekken. Ik ben natuurlijk te vroeg. Niels komt een paar minuten later aanpeddelen en valt meteen op door een geel hesje.
“Goedemorgen,” roep ik. “Ik heb er zin in.”
“Anders ik wel,” zegt Niels. “Prima weer. Weinig wind, dus weinig zeilers. Dat maakt het veiliger.”
“Waarom dat hesje?”
“Zichtbaarheid,” zegt Niels. “Op open water wil ik gezien worden. Ik heb er ook een voor jou bij me. Een reddingsvest hoeft vandaag niet, maar als het veel harder waait soms wel.”
“Ik heb er voor de zekerheid eentje bij me.”
Niels knikt goedkeurend. “Mooi. Als je ergens last van krijgt, zeg je het meteen.”
We glijden naast elkaar het meer op. Het water ligt er glad bij, met alleen kleine ribbels die tegen de punt van mijn board tikken. In het begin praten we over school, docenten en wie altijd te laat komt. Niels vertelt weinig over zichzelf, maar als hij iets zegt, is het raak. Hij is op school vast stiller dan ik, bepaald niet onzeker. Hij hoeft niet steeds gezien te worden. Ik wel. Misschien iets te vaak.
Na een half uur zijn we echt midden op het meer. De oever achter ons is klein geworden. Voor ons schuift de overkant langzaam dichterbij. Een zeilboot dobbert met slappe zeilen alsof hij ook niet weet waar hij heen wil.
“Alles goed, Sam?” vraagt Niels.
“Ja,” zeg ik. “Gewoon doorgaan.”
Dat klinkt stoerder dan ik me voel, maar het gaat goed. Mijn armen worden warm, mijn rug voelt het werk, maar ik blijf rechtop en ik val niet.
Twintig minuten later ligt de steiger van het restaurant voor ons.
Niels trekt zijn board naast het mijne. “Halverwege je eerste echte tocht. Hoe voelt dat?”
“Heerlijk,” zeg ik. “Ik ben nog heel.”
“Dan houden we dat zo. Minstens een uur pauze.”
We trekken de boards op de steiger en leggen ze op een rustige plek. Met onze spullen onder de arm loop ik met Niels door naar de receptie. De receptioniste kijkt op en glimlacht.
“Hé Sam, wat zie jij er sportief uit.”
“Ik ben hierheen komen suppen,” zeg ik, en ik hoor zelf hoe trots dat klinkt.
Mijn moeder komt uit het kantoortje. “Zonder plons?”
“Zonder plons.”
“Welkom, Niels,” zegt ze. “Jullie krijgen zo iets te eten. Eerst even zitten?”
“Mag ik Niels eerst rondleiden?” vraag ik.
Dat mag uiteraard. Ik laat Niels het restaurant zien, de keuken en één verdieping met hotelkamers. Mijn vader legt net iets uit aan iemand van de keuken, maar maakt daarna tijd voor ons. Niels vraagt meer dan ik verwacht. Over voorraad, planning, kamers, gasten. Hij kijkt alsof hij alles opslaat.
Op het terras krijgen we de kaart. Niels kijkt eerst verbaasd naar de kaart.
“Dat is bijzonder,” zegt hij. “Dat jij hier gewoon kunt eten.”
“Jij kunt toch ook in de kantine van de manege eten?”
“Ik eet daar nooit. Ik woon ernaast.”
“Mijn ouders wilden dat juist niet,” zeg ik. “Ze willen afstand tot hun werk houden. Anders blijf je altijd werken.”
Niels denkt daar even over na. “Mijn moeder kan dat niet. Die ziet overal werk. Mijn vader wel. Als hij vrij is, is hij vrij.”
Na het eten halen we onze spullen op. Ik trek het oranje hesje aan dat Niels voor me heeft meegenomen.
“Ik vind het nog steeds raar dat ik wegloop zonder te betalen,” zegt hij.
“Voordeel van ouders met een restaurant,” zeg ik. “Over de nadelen vertel ik je nog wel eens.”
De terugtocht begint soepel, maar halverwege voel ik mijn armen protesteren. Eerst zacht, dan steeds duidelijker. Alsof er iemand zand in mijn schouders giet.
“Niels,” zeg ik, “ik krijg spierpijn. Niet erg, maar ik voel het wel.”
“Dat hoort erbij,” zegt hij. “Je hebt nog nooit zo lang dezelfde beweging gemaakt. Maar je kunt afwisselen. Niet alleen links-rechts-links-rechts. Kijk.”
Hij peddelt vier slagen links en daarna vier rechts. Zijn board blijft recht vooruit gaan. Bij mij slingert het de eerste keer meteen.
“Niet vechten tegen je board,” zegt Niels. “Rustig corrigeren. Jij wilt altijd meteen harder. Soms moet je juist slimmer.”
Dat irriteert me een beetje, vooral omdat hij gelijk heeft. Ik haal adem, vertraag mijn slagen en probeer opnieuw. Deze keer blijft mijn koers beter. Niet perfect, wel beter.
Het laatste stuk doen we rustig aan. Wanneer we weer bij het punt komen waar onze vaarten in het meer uit elkaar gaan, blijft Niels nog even naast me stil liggen.
“Morgen niet suppen,” zegt Niels. “Je lichaam moet dit verwerken. Maandag pak je de training weer op. En volgend weekend doen we dit nog een keer, als het weer meewerkt. Misschien met iets meer wind.”
“Dank je,” zeg ik. “Echt. Ik merk dat ik beter word. Wil je volgende week ook meer op mijn techniek letten?”
“Daar ben je nu aan toe,” zegt hij.
We peddelen ieder onze kant op. Thuis berg ik mijn board op en blijf nog even staan. Mijn armen voelen zwaar, mijn rug ook, maar van binnen ben ik lichter dan vanochtend. Dertien kilometer. Mijn eerste echte tocht.
Na het douchen start ik mijn laptop. In mijn mailbox staat een bericht van het reclamebureau van mijn oom. Mijn verbeterde website is online.
"SAMSUPTVOORLEUKEMIE".
Ik lees de mail twee keer. Er staat dat ik vanaf het begin moet laten zien dat het project leeft: trainingen, successen, ook problemen zolang ik laat zien dat ze opgelost worden. Mensen moeten vertrouwen krijgen. Niet alleen in de tocht, ook in mij.
Ik open de website. Hij ziet er strak uit. Bovenaan staat mijn foto suppend op een board en mijn naam, daaronder het doel van de tocht en een knop om te sponsoren. Ineens wordt het echt. Iedereen kan dit zien. Iedereen kan straks ook zien of ik het red.
Ik schrijf meteen een kort bericht over de tocht van vandaag. Niet te lang, niet opschepperig, maar wel positief. Daarna app ik Niels de link van de website en mijn tekst.
“Wil jij hier ook even naar kijken? Dan plaats ik hem daarna. Opmerkingen zijn welkom!”