Pagina 1 van 1

Tegenwind naar de finish. Deel 5.

Geplaatst: zo 06 sep 2026, 05:56
door Wimmie
Niels:

Uiteindelijk maken Sam en ik een afspraak om samen naar de komende maanden te kijken. We zijn maar één dag per week tegelijk vroeg uit school; dat is onze vaste trainingsdag geworden. Voor extra overleg zoeken we een ander moment. Ik ben die middag als eerste thuis. Sam fietst later naar mij toe.

Ik zit op mijn kamer huiswerk te maken als mijn telefoon gaat. Sam. Ik neem op, verbaasd dat hij belt.
“Ik sta bij jullie voor de deur. Ik heb aangebeld, maar niemand doet open!”
“Hoe kan dat nou? Ik zit gewoon op mijn kamer. Ik kom eraan!”
Ik loop naar beneden en open de voordeur. Sam staat op de stoep met een brede grijns.
“Ben ik wel welkom?” vraagt hij.
“Natuurlijk ben je welkom. Misschien doet de bel het niet.” Ik druk zelf op de knop. Er gebeurt niets. Dan schiet me iets te binnen.
“Mijn moeder heeft de ontvanger waarschijnlijk meegenomen naar het kantoor. Dan gaat de bel daar af. Als zij er niet is, hoort niemand hem.”

“Wil je eerst de manege zien?” vraag ik.
“Ik ben nog nooit in een manege geweest,” zegt Sam. “Dus ja, graag.”

We lopen over het grasveld naar de manege. Dat gebouw staat los van ons huis. In de weilanden eromheen staan paarden rustig te grazen.
De manege heeft een binnenbak en een kantine. De paardenverblijven staan in een apart gebouw en daarnaast hebben we ook nog een buitenbak. Voor mij is het allemaal gewoon, maar ik merk aan Sam dat hij alles opneemt.

Ik kijk eerst in het kantoortje. Mijn moeder is er niet, maar de ontvanger van de bel staat er wel.
“Zie je,” zeg ik. “Hier ging de bel dus af toen jij aanbelde. Niet echt handig.”
We lopen door naar de binnenbak. Er is net een les bezig.
Een groep kinderen van een jaar of tien, twaalf rijdt rondjes. De meeste zijn meisjes. Sam kijkt ernaar alsof hij probeert te begrijpen hoe je zo ontspannen op zo’n groot dier kunt zitten.
“Zijn het altijd vooral meisjes?” vraagt hij.
“Recreatief vaak wel,” leg ik uit. “Meisjes blijven meestal langer fanatiek met paarden bezig dan jongens. Bij de professionele jockeys zie je juist meer mannen. Dat is best bijzonder, want de vrouwen die op topniveau rijden zijn ontzettend goed.”
Sam fronst. “Hoe komt dat dan?”
“Jockeys moeten extreem licht zijn en tegelijk sterk genoeg om een renpaard van vijfhonderd kilo onder controle te houden. Het is zwaar werk. Mij lijkt het eerlijk gezegd helemaal niets.”

We bekijken de kantine en daarna de paardenverblijven. Ik laat Sam alles zien en loop met hem via de weilanden terug naar huis.
“Je hebt verteld dat je paardrijdt. Kan je dat goed?” vraagt hij onderweg.
“Ja. Best goed. Regelmatig rijd ik nog en af en toe neem ik een les over. Tot mijn twaalfde reed ik veel. Niet omdat het mijn grote passie was, maar omdat het er nu eenmaal bij hoorde. Toch heb ik er veel van geleerd.”
“Ik heb nog nooit op een paard gezeten,” zegt Sam. “Het lijkt me vooral hoog.”
“Als je stevig zit en je voeten goed in de stijgbeugels hebt, is een paard stabieler dan een supboard,” zeg ik lachend.

Binnen pak ik een fles drinken, twee glazen en een pak stroopwafels. Daarmee gaan we naar mijn kamer. Daar begint het echte werk: rekenen, plannen en eerlijk zijn over wat ons te wachten staat.
“We hebben nog drie weken tot de schoolvakantie,” zeg ik. “Daarna zes weken vakantie en dan nog één week tot de SUP 11 City Tour.”
Sam telt snel mee. “Dus in totaal nog tien weken.”
“Heb jij school al vrij gevraagd voor de woensdag, donderdag en vrijdag?” vraag ik. “Dan zijn de lessen alweer begonnen.”
“Nee,” zegt Sam. “Jij wel?”
“Ja. Ik heb toestemming gekregen, na een brief van mijn ouders. Als jij uitlegt dat het om een sponsoractie gaat en dat je bij de publiciteit noemt dat je op onze school zit, denk ik niet dat ze moeilijk doen.”
“Goed dat je het zegt,” zegt Sam. “Daar had ik nog helemaal niet aan gedacht.”

“En wanneer gaan jullie op vakantie?” vraag ik.
“Niet in de zomer. Mijn ouders hebben het hotel-restaurant aan de andere kant van het meer. De zomer is topdrukte. Vroeger kon ik in de vakantie veel met mijn broer en zus zeilen, maar echt op vakantie gaan we meestal in de winter. Soms een weekend met de boot, maar nu zij uit huis zijn gebeurt dat minder.”

“Is dat restaurant van jullie?” vraag ik. “Wij eten daar weleens. Grappig. Bij ons is het ongeveer hetzelfde. In de zomer zijn hier paardrijkampen voor kinderen en jongeren, dus dan kunnen wij ook niet weg. Dat betekent dat we de hele zomervakantie kunnen trainen.”
Sam knikt. “Dan hebben we ineens veel meer mogelijkheden.”
“Precies. We kunnen vaker een langere tocht maken, zonder dat we meteen hoeven te puzzelen met school.”
“Zullen we eerst de drie weken tot de zomervakantie plannen?” vraagt Sam.

Dat doen we. We houden vast aan de ene middag waarop we allebei vroeg uit zijn. Daarnaast reserveren we op zaterdag en zondag de ochtend voor een tocht, met ruimte om uit te lopen naar de middag als het goed gaat.
“Nu ik weet dat jullie restaurant aan de andere kant van het meer ligt,” zeg ik, “vraag ik me af of we daarheen kunnen suppen, pauze houden en dan weer terug.”
“Dat kan,” zegt Sam meteen. “We kunnen er ook eten. In de keuken, of op het terras als het niet te druk is. Er is een aanlegsteiger. Daar liggen vaak boten, maar het uiteinde moet vrij blijven. Daar kunnen we makkelijk op- en afstappen.”

“Dat is perfect om te oefenen,” zeg ik. “Dan moeten we wel zeker weten dat jij stabiel genoeg bent op open water. Langs de kant is veiliger, dwars over het meer is korter. Tijdens de Elfstedentocht willen we die meren zo efficiënt mogelijk oversteken. Daar zit straks het verschil tussen volhouden en kapotgaan.”

“Ken jij eigenlijk de dagroutes?” vraagt Sam.
“Niet uit mijn hoofd. Waarom?”
“Omdat we misschien een paar stukken al in de vakantie kunnen suppen. Dan weten we tenminste waar we aan beginnen.”
“Dan hebben we wel vervoer nodig naar het beginpunt en terug vanaf het eindpunt.”
“Mijn broer of zus wil vast wel rijden als ze thuis zijn,” zegt Sam. “Ze hebben allebei hun rijbewijs en in de zomer staat de auto van mijn moeder vaak stil.”
“Dat maakt het ineens een stuk realistischer. Ik zoek de routes erbij.”

Ik open mijn laptop en zoek de website van de SUP 11 City Tour. De verdeling over de dagen staat er overzichtelijk op. Terwijl ik lees, wordt het getal achter elke dag zwaarder.
“Hier heb ik hem,” zeg ik.

Ik lees hardop: startplaats, (rustplaatsen en) steden en eindplaats.
Dag 1: Leeuwarden – Sneek – (Woudsend) - IJlst – Sloten: 44,8 kilometer.
Dag 2: Sloten – Stavoren – Hindelopen - Workum: 45,5 kilometer.
Dag 3: Workum – Bolsward -(Witmarsum) – Harlingen – Franeker: 41,3 kilometer.
Dag 4: Franeker – (Birdaard) – (Oude Leije) – Dokkum: 42,6 kilometer.
Dag 5: Dokkum – (Oudkerk) – Leeuwarden: 27,2 kilometer.

Sam fluit zacht. “Dat lijstje print ik uit. Als we de eerste vier dagen aankunnen, dan moet dag vijf lukken.”
“Dat is wel de kortste dag,” zeg ik. “Na vier dagen ben je niet meer helemaal fris. We mogen die laatste dag niet onderschatten.”
“Ik vraag Mees en Silke alvast of ze ons in de vakantie kunnen brengen en ophalen.”
“Dat zou fijn zijn. Tijdens de officiële tocht brengt mijn vader mij. Jij kunt dan mee. We maken gewoon één van de paardentrailers schoon; daar passen onze planken makkelijk in.”
Sam grijnst. “We hebben meer geluk dan ik dacht. Dankzij het werk van onze ouders en misschien de hulp van mijn broer en zus kunnen we dit echt serieus aanpakken.”

“Dan spreken we af dat we ons de komende drie weken richten op het meer,” zeg ik. “Eén keer na school samen trainen. In het weekend minstens één langere tocht, als het kan twee. Ik blijf ’s morgens vroeg trainen; jij sluit aan wanneer je wilt. En over twee weken wil ik een paar trainingen helemaal aan jouw techniek besteden.”

“Dat klinkt als een plan,” zegt Sam. “Nu weet ik precies waar ik aan toe ben.”
“Dan nog iets,” zeg ik. “Hoe ga je sponsors vinden?”
“Daar begin ik binnenkort mee. Er is een website en ik wil contact opnemen met de regionale omroep, regionale kranten en lokale kranten in Friesland. Mijn oom heeft een PR- en reclamebureau en heeft beloofd te helpen. Misschien is het handig als jij meegaat naar dat gesprek?”
Ik aarzel even. “Dat wil ik wel, zolang ik niet op de voorgrond kom. Jij doet deze tocht voor een goed doel. Ik help je graag, maar liever in de schaduw.”
“Dat snap ik,” zegt Sam. “Maar jij kunt veel beter uitleggen wat suppen inhoudt en wat vijf dagen achter elkaar betekent. Daar weet ik nog te weinig van.”
“Dan ga ik mee,” zeg ik. “Maar als ondersteuning. Niet als verhaal.”

Als we alles hebben doorgenomen, staat Sam op om naar huis te fietsen. De lijst met kilometers blijft nog open op mijn scherm staan. Ik kijk ernaar en voel opnieuw hoe groot dit is.
“We wonen gelukkig niet ver van elkaar,” zegt Sam. “Waar stap jij ’s morgens eigenlijk op?”
“Ik fiets wel even mee. Dan laat ik het je zien.”

In de schuur wijs ik naar de mijn board op de trolley. “Daarop neem ik mijn board mee achter de fiets. Zo rijd ik naar de trailerhelling.”

We fietsen het stuk zoals Sam naar huis doet. Halverwege sla ik af. Na een kleine driehonderd meter ligt er bij een brug een trailerhelling aan de vaart.
“Hier ga ik het water op,” zeg ik. “Als ik deze vaart afsup, kom ik bij het meer. De vaart bij jouw huis komt daar iets verderop ook op het meer uit. Ik kan deze kant op, naar jouw huis, of juist de andere kant op naar een ander meer. Als ik verder doorvaar, kom ik uiteindelijk bij het grote kanaal.”

Dan nemen we afscheid. Sam zegt dat hij het laat weten als hij een keer vroeg mee wil trainen. Verder zien we elkaar op onze vaste supmiddag en in het weekend voor een langere tocht. Terwijl ik terugfiets, denk ik aan het lijstje met kilometers. Tien weken klinkt ineens kort.