Pagina 1 van 1

Tegenwind naar de finish. Deel 4.

Geplaatst: vr 04 sep 2026, 05:55
door Wimmie
Niels:

Het is een week geleden dat ik voor het laatst met Sam heb geoefend. Voor iemand die pas voor de tweede keer op een plank stond, deed hij het opvallend goed. Toch ben ik benieuwd wat er van die eerste vooruitgang over is. Vanmiddag, na school, ga ik weer naar hem toe. Heeft hij echt doorgezet? Of was vorige week vooral enthousiasme?

Als ik vanaf het meer de vaart in peddel, zie ik hem al. Verder dan de vorige keer. En deze keer staat hij. Hij draait zelfs een rondje, voorzichtig maar gecontroleerd. Ik voel mijn twijfel van zojuist kleiner worden.

Ik peddel naar hem toe. “Hoe is het gegaan?”
“Ik heb elke dag geoefend,” zegt Sam. Zijn stem klinkt trots, maar ook alsof hij zichzelf nog niet helemaal durft te geloven. “De laatste twee dagen heb ik deze tocht gemaakt zonder in het water te vallen. Ik ben na afloop nog kapot, maar het gaat steeds beter.”

“Dat is echt knap,” zeg ik. “Dan kunnen we vandaag misschien een stap verder. Zullen we een klein stukje het meer op gaan?”
Sam fronst meteen. Ik zie zijn blik naar het open water gaan. “Het hoeft niet,” zeg ik. “Alleen als jij het wilt. Een meer voelt anders dan een vaart. Er is meer ruimte, meer beweging. Juist daarom is het goed om er rustig aan te wennen.”
Hij blijft even stil. Dan knikt hij. “Jij kunt beoordelen wat ik aankan.”
“Dan doen we een klein rondje. Niet verder dan nodig.”

We peddelen naast elkaar de vaart uit. Op het meer staat windkracht drie. De wind komt vanaf de wal vlak achter ons, waardoor de golven nog laag zijn. Toch merk ik dat Sam rechter gaat staan zodra het water onder zijn plank onrustiger wordt.
“Zie het als een beloning voor al dat oefenen,” zeg ik.

We maken een bescheiden rondje. Ik wil hem vooral laten voelen wat open water met zijn board doet. Later komen de echte golven wel. Als je de Elfstedentocht wilt suppen, kun je die niet ontwijken.

Bij de vaart laat ik mijn peddel even rusten. “Wat zit er nog in, Sam? Wil je stoppen, of durf je nog iets meer?”
Hij kijkt over zijn schouder naar het meer. Daar ligt ineens niet alleen water, maar ook uitdaging. “Nog een rondje,” zegt hij. “Iets groter. Ik vind het juist mooi op dat wijde water. Sinds kind zeil ik hier met onze Schakel. Ik ken dit meer van binnen en van buiten. Maar op een supboard voelt hetzelfde water ineens heel anders.”
“Dan bepaal jij de afstand,” zeg ik. “Maar denk eraan dat we ook nog terug moeten. Je hebt vast gemerkt hoe snel suppen zwaar wordt als je het langer volhoudt. Daarom bouwen we langzaam op.”

Sam knikt. “Ik geef het aan. Is er nu nog iets wat je me moet leren, of is het vooral een kwestie van veel doen?”
“Er valt nog genoeg te verbeteren,” zeg ik terwijl we weer tempo maken. “Maar eerst heb je conditie nodig. Als je langere tochten aankunt, gaan we aan techniek werken. Met een betere slag word je niet alleen sneller, maar vooral zuiniger op je energie. En eerlijk? Je begint niet verkeerd. Je hoeft weinig af te leren. We hoeven alleen te schaven.”

Sam kiest verrassend dapper voor een groter rondje. Ik houd hem ongemerkt in de gaten: zijn knieën, zijn schouders, de manier waarop hij corrigeert als de plank beweegt. Hij is moe, dat zie ik, maar hij breekt niet. Mijn vertrouwen groeit met elke slag. Als hij dit volhoudt, als hij blijft trainen en we in de vakantie kilometers kunnen maken, dan wordt die SUP-Elfstedentocht geen droom meer maar een doel.

Terug bij de steiger stapt Sam als eerste af. Niet meer voorzichtig via zijn knieën, maar rechtstreeks op het hout. Ik volg hem en zie aan zijn gezicht dat hij het zelf ook merkt. “Ik ben meer dan tevreden,” zeg ik. “Vanaf nu wordt het meters maken.”

Sam straalt. “Ik hoopte dat het zou lukken, maar ik wist het echt niet. Die eerste lessen hebben enorm geholpen. Ik ben Marjolijn dankbaar dat ze jou heeft gevraagd. Zonder jou had ik misschien nog steeds vooral in het water gelegen. Nu sta ik. Nu sup ik echt.”

“Daarom moeten we een plan maken,” zeg ik. “Als je blijft oefenen, kunnen we volgende week misschien een eerste echte tocht proberen. Daarna bouwen we met een schema verder op. In het weekend kunnen we langere routes doen: ergens heen suppen, pauzeren, eten, drinken en terug. Ik ken genoeg routes en ik weet ongeveer hoe lang ze zijn. Zo maken we stap voor stap afstand.”
“Train jij zelf eigenlijk ook nog?” vraagt Sam.
“Ik sta meestal om vijf uur op,” zeg ik. “Dan ga ik een uur het water op, soms iets langer. Daarna douche ik, eet ik snel wat en ga ik naar school. ’s Avonds lig ik wel vroeg in bed, anders houd ik het niet vol.”

Sam trekt een gezicht. “Ik zou willen dat ik dat kon. Ik kom vaak al amper mijn bed uit als ik normaal opsta.”
“Juist daarom is het mooi,” zeg ik. “Zo vroeg is het water stil. Geen boten, geen stemmen, alleen je peddel en het geluid van je board. Je begint de dag wakkerder dan iedereen om je heen.”
Sam kijkt naar zijn plank, alsof hij zichzelf daar al op ziet staan in het schemerlicht. “Misschien moet ik het ook eens proberen.”
“Als je wilt, kom ik een keer bij je langs,” zeg ik. “Dan vertrekken we samen. Vroeg opstaan is makkelijker als er iemand op je wacht.”
“Ik denk erover na,” zegt hij. Maar aan zijn stem hoor ik dat het idee hem al te pakken heeft.

We spreken af voor de week erna. Als het weer meewerkt, wil ik dan een echte tocht over het meer maken. Niet alleen een rondje om te oefenen, maar een afstand die telt. Als Sam deze week blijft trainen, kan dat de eerste stap worden naar een serieuze voorbereiding. Daarna kan ik eindelijk aan zijn techniek gaan schaven.

Een week later sup ik opnieuw richting Sam. Nog voor ik de vaart naar zijn huis bereik, zie ik hem al aan het begin van het meer. Hij wachtte niet af. Hij komt me tegemoet.

“Ik wil het meer op,” zegt hij zodra we naast elkaar varen. Er staat meer wind dan vorige keer, maar hij kijkt niet naar de oever achter ons. Hij kijkt vooruit. De wind komt nog steeds vanaf de kant waar we starten, dus de eerste golven blijven laag. Dat helpt. Voor nu.
We blijven langs de rand van het meer. Een paar zeilbootjes schuiven in de verte voorbij. Ze vormen geen gevaar, maar hun beweging maakt het water levendiger. Hoe verder we komen, hoe hoger de golven worden. Ik zie Sam zijn voeten iets verplaatsen. Hij voelt het verschil.

“Jij bent een zeiler, toch?” vraag ik.
“Zeker,” zegt Sam. “Al vanaf dat ik klein was.”
“Dan weet je wat golven met een boot doen.”
“Als je vaart hebt, merk je ze minder,” zegt hij. “Maar als je bijna stilligt, begint alles te deinen.”
“En hoe stuur je dan het liefst?”
Hij glimlacht kort. “Dwars op de golven.” Dan valt zijn blik op mijn board. “O. Dat bedoel je. Op een supboard moet ik ook zo veel mogelijk dwars op de golven blijven. Als ik parallel lig, ga ik schommelen en lig ik er zo naast.”
“Precies. Kijk maar.” Ik peddel een stukje vooruit en draai mijn board langzaam tot de golven van opzij komen. Meteen begint mijn plank onder me te rollen. Ik zet mijn knieën losser, houd mijn peddel klaar als steun en laat mijn lichaam meebewegen in plaats van tegen de golfjes te vechten.
“Hoe harder het waait, hoe groter dit effect wordt,” zeg ik. “In de vaarten zit je nog beschut, op de meren moet je dit kunnen. Bij de Elfstedentocht krijg je niet alleen vlak water cadeau.”

Sam slikt zichtbaar, maar zijn ogen blijven op de golven gericht. “Ik wil het proberen.”
“Reken op een plons,” zeg ik. “Dan kan het alleen meevallen.”
Hij doet precies wat ik heb voorgedaan. Eerst gaat het beter dan ik verwacht. Zijn board rolt, zijn armen zoeken evenwicht, maar hij blijft staan. Dan komt er een iets hogere golf. Zijn plank kantelt. Sam probeert nog te corrigeren, te laat. Met een harde plons verdwijnt hij naast zijn board in het water.


Sam komt proestend boven. Een seconde lang kijkt hij verbaasd, alsof hij niet helemaal begrijpt hoe snel het misging. Dan begint hij te grijnzen.
“Goed,” zeg ik. “Nu terug op je plank. Eerst op je knieën. Daarna draai je hem rustig dwars op de golven voordat je weer gaat staan. Niet haasten.”
Hij doet precies wat ik zeg. Even wiebelt hij, maar hij blijft kalm. Op zijn knieën vindt hij balans, draait zijn board en komt daarna opnieuw overeind. Deze keer staat hij steviger dan vóór zijn val.

Terug bij de steiger laat ik mijn board in het gras glijden. “Ook dit ging goed, Sam. Niet omdat je bleef staan, maar omdat je na die plons meteen opnieuw begon. Dat is belangrijker. Je leert snel, je oefent fanatiek en je raakt niet in paniek. Als je zo doorgaat, wordt de Elfstedentocht haalbaar. En als jij dat wilt, wil ik hem samen met je suppen.”

Sam kijkt me aan alsof hij niet zeker weet of hij me goed heeft verstaan. “Meen je dat? Zou je dat echt samen met mij willen doen?”
“Waarom niet? Ik doe die tocht voor mijn plezier. Als we samen kunnen suppen en het loopt goed, is dat voor mij alleen mooier. Ik zou het niet aanbieden als ik dacht dat ik je de hele tijd op sleeptouw moet nemen. Dat gevoel heb ik nu al niet meer.”

Sam haalt diep adem. De wind blaast druppels uit zijn haar over zijn gezicht, maar hij veegt ze niet weg. “Dat zou me enorm helpen. Ik moet nog zo veel leren. Omdat ik pas net bezig ben, blijft er steeds een stemmetje dat zegt dat er van alles mis kan gaan. Als jij erbij bent, durf ik meer.”
“Dan ben ik erbij,” zeg ik. “Maar het blijft jouw sponsortocht. Jij staat in de aandacht, niet ik. Ik ben alleen je tijdelijke maatje op het water.”
“Dan ga ik nog fanatieker trainen,” zegt Sam. “Ik wil jou niet teleurstellen.”
“Je hoeft niemand iets te bewijzen door te hard te gaan,” zeg ik. “We bouwen het rustig op. Juist dan kom je het verst.”

We gaan nog even naar binnen. Daar ontmoet ik voor het eerst Sams ouders. Ze willen weten hoe het gaat, en ik vertel eerlijk wat ik op het water heb gezien: een jongen die snel leert, die doorzet en die na een val niet afhaakt. Dat ik met Sam samen de Elfstedentocht wil suppen. Zijn moeder kijkt naar Sam. “Dat zou wel heel erg helpen, denk je niet?”
Sam knikt. “Ik ben er echt blij mee. Ineens voelt mijn project niet meer als iets dat misschien lukt, maar als iets dat kan lukken als ik ervoor blijf werken.”

“Dus moeten we het wel serieus aanpakken,” zeg ik. “Er moet nog veel geoefend worden. We hebben iets meer dan twee maanden, met de vakantie erin. Dat geeft kansen, maar ook drukte op het water. We moeten rekening houden met boten, golven en vermoeidheid. Tegelijk kunnen we in de vakantie langere tochten plannen, misschien zelfs een paar dagen achter elkaar. Om kilometers te maken.”

“Daar moeten we inderdaad apart voor gaan zitten,” zegt Sam. “Ik weet niet wat jij in de vakantie doet, dan kunnen we meteen kijken wat haalbaar is.”
“Goed idee. Ik komt steeds naar jou toe; dan kom jij nu eens naar mij. Dan kunnen we zonder zwembroek en natte voeten gewoon een schema maken.”
“Prima. Wanneer kan je?”
“Wat mij betreft ook los van een training,” zeg ik. “Een middag na schooltijd bijvoorbeeld. Jij weet alleen nog niet waar ik woon.”

Ik leg Sam uit waar ik moet zijn. Het is nog geen kwartier fietsen. “Ik zou soms best aan het water willen wonen,” zeg ik. “Gewoon achter je huis op je plank stappen. Bij ons ligt dat anders. Mijn ouders hebben een manege, dus we wonen buiten het dorp. Veel grond, veel paarden, weinig aanlegsteigers.”

“Rijd jij zelf ook paard?” vraagt Sam.
“Ja, regelmatig,” zeg ik. “Ik vind het leuk, maar het is niet mijn wereld zoals suppen dat is. Ik zie mezelf later niet de manege overnemen. Hooguit op papier, met iemand erbij die er echt voor leeft.”

We spreken af dat we via WhatsApp een moment prikken. Dan maken we een trainingsschema voor de weken tot de tocht, vooral voor de vakantie.

Als ik later, na een stukje terug suppend, vanaf de trailerhelling naar huis fiets, voel ik de wind nog in mijn armen. Sam heeft vandaag niet alleen geleerd hoe hij met golven om moet gaan. Hij heeft ook voor de zoveelste keer laten zien dat hij na een val weer opstaat. En precies dat kan straks het verschil maken.