Sam:
De eerste training met Niels is nog geen week geleden, maar het voelt alsof er sindsdien iets is verschoven. Niet omdat het meteen goed ging. Juist niet. De eerste keer viel alles tegen: op het board komen, wegduwen van de steiger, koers houden, blijven zitten terwijl het water onder mij beweegt alsof het expres tegenwerkt. Drie keer beland ik in het water. Drie keer klim ik er druipend en koppig weer uit. Niels blijft rustig. Hij zegt dat ik voorlopig alleen op mijn knieën mag peddelen en niets moet proberen waar we niet samen naar hebben gekeken. Dus oefen ik. Elke dag na school een uur. In het weekend zelfs twee keer per dag. Niet meer, hoe graag ik ook wil. Mijn spieren protesteren al genoeg tegen dit nieuwe plan van mij.
Vanmiddag hebben we opnieuw afgesproken. Niels komt na school weer naar mij toe. Als hij net zo laat is als de vorige keer, wil ik hem tegemoet peddelen. Niet om op te scheppen, houd ik mezelf voor, maar om te laten zien dat ik vooruitga. Op mijn knieën kan ik inmiddels een behoorlijke afstand afleggen, heen en terug, zonder meteen in paniek te raken. Alleen weet ik nog niet wat er gebeurt als er plotseling een snelle boot langskomt, of als de wind aantrekt. Op het meer waag ik me daarom nog niet. Daar ligt te veel ruimte, te veel onzekerheid.
Na school kleed ik me om. Buiten hangt een grauwe lucht boven het water. Het regent niet echt, maar alles is nat en vies en de steiger glanst alsof hij mij alvast wil waarschuwen. Omdat het bijna twintig graden is, trek ik geen shirt aan. Voor de zekerheid stop ik er één in een plastic zak en leg die op de steiger. Dan maak ik de enkelband vast, pak de peddel en schuif op handen en voeten op de supplank. Voorzichtig duw ik me af. Het board wiebelt even, maar blijft onder mij. Ik adem uit en peddel richting het meer.
Ik heb al een flink stuk afgelegd wanneer Niels om de hoek verschijnt. Zelfs van een afstand zie ik dat hij verrast is. Mijn hart maakt een sprongetje, maar meteen dwing ik mezelf rustig te blijven. Nu niet wiebelen. Nu niet laten zien dat ik vooral heel hard probeer niet in het water te vallen. Ik schat de afstand, maak voorzichtig een draai en peddel terug. Even later glijdt Niels naast me.
“Ben jij helemaal hierheen gekomen om mij tegemoet te peddelen?” vraagt hij.
“Ja,” zeg ik, net iets luchtiger dan ik me voel. “Als ik die SUP-Elfstedentocht wil volbrengen, moet ik nog heel wat leren. Dus ik ben deze week stevig aan de slag gegaan.”
“Dat zie ik.” Niels kijkt van mij naar het board en weer terug. “Eerlijk gezegd had ik dit niet verwacht. Doe jij alles wat je doet zo fanatiek?”
Ik kijk voorzichtig naar hem op. Hij staat moeiteloos twee meter naast me, terwijl ik nog altijd op mijn knieën zit en elke beweging moet afwegen. “Alleen als ik iets heel graag wil,” zeg ik. “Dingen die me weinig uitmaken, doe ik een stuk minder fanatiek. Dus kun je nagaan hoe graag ik dit wil.”
Bij de steiger schuif ik opzij de steiger op en trek ik het board naar me toe. Niels stapt soepel af en haalt zijn eigen plank dichterbij. Hij kijkt even naar het water, dan naar mij, alsof hij net een besluit neemt.
“Dan gaan we vandaag een volgende stap zetten,” zegt hij. “Letterlijk en figuurlijk. Je gaat staand suppen. Je doet het goed, Sam. Ik had niet verwacht dat we daar nu al aan toe zouden zijn.”
Ik kijk hem ongelovig aan. Staand. Het woord alleen al laat het water naast de steiger dieper lijken.
“Hoe denk je dat je dat het beste kan doen?” vraagt hij mij.
“Voorzichtig erop stappen?”
“Dat zou ik niet doen. Dan ga je zeker meteen het water in.”
“Hoe moet het dan?”
“Niet door er zomaar op te stappen,” zegt Niels. “Daar is je board nog te onbekend voor. Schuif er eerst weer op je knieën op, maar blijf rechtop zitten. Je knieën in een hoek van negentig graden, dus niet op je voeten zakken. Daarna peddel je rustig naar het midden. Pas daar probeer je te gaan staan. Eerst je handen op het board, dan omhoogkomen. Heel langzaam. Je pakt je peddel mee, houdt je knieën licht gebogen en kijkt naar de horizon. Niet naar je voeten. Niet naar het water. Naar de horizon.”
Ik staar naar het board alsof het ineens een heel ander ding is geworden. Op mijn knieën voelt het al groot genoeg. Staand lijkt het meer op een smalle brug boven donker water.
“Dit is echt de beste manier,” zegt Niels. “Later kun je het misschien doen zoals ik: gewoon opstappen en wegvaren. Maar dan moet je je board door en door kennen. Je moet voelen wat het doet voordat het beweegt.”
“Ik begrijp het,” zeg ik, al weet ik niet zeker of mijn benen dat straks ook begrijpen.
Dan kom ik in beweging. Ik schuif op het board, blijf hoog op mijn knieën zitten en peddel bij de steiger vandaan. Het water is hier net wat onrustiger. Kleine golfjes tikken tegen de zijkant en elke tik lijkt rechtstreeks door te trekken naar mijn buik. Midden op het water leg ik de peddel voor me neer. Mijn handen gaan plat op het board. Eerst één voet onder me, dan de andere. Het board wiebelt. Ik houd mijn adem in, druk me omhoog en neem de peddel mee. Een seconde lang sta ik. Echt: ik sta. Dan probeer ik voorzichtig te peddelen. Bij het wisselen van links naar rechts gaat het mis. Het board begint te slingeren. “Rustig!” roept Niels. “Niet vechten tegen de beweging. Geef mee!” Maar mijn lijf kiest al voor paniek. Ik corrigeer te hard, kantel opzij en val van het board het water in. Mijn eerste natte pak van vandaag is binnen.
Proestend kom ik boven. Het water prikt koud langs mijn nek en ik graai naar het board. Niels ligt een paar meter verderop en steekt zijn duim op. “Dat was helemaal niet slecht,” zegt hij. “Je stond. Dat is de stap. De rest komt later. Als het board gaat wiebelen, wil je lichaam meteen iets terugdoen. Meestal is dat precies verkeerd. Eerst rustig blijven. Dan stopt het schommelen vaak vanzelf.”
“Dan doe ik het nog een keer,” zeg ik. Mijn stem klinkt koppiger dan ik me voel.
Ik zwem terug naar de steiger, klim eruit en trek het board naar me toe. Mijn armen voelen zwaarder dan net. Ik ga weer op mijn knieën zitten en duw af. Opnieuw naar het midden. Opnieuw handen neer. Opnieuw omhoog. Deze keer blijf ik gewoon ademen. Ik zet mijn voeten iets beter neer, neem de peddel mee en houd mijn knieën licht gebogen. De eerste slag is voorzichtig. De tweede ook. Bij het wisselen breng ik de peddel precies boven het midden van het board langs. Het wiebelt, maar minder. Mijn handen bewegen langzaam naar buiten. Het gaat. Ik kom vooruit. Staand lijkt alles sneller, alsof het water onder me ineens meer vaart krijgt. “Peddel maar door,” zegt Niels naast me. Ik doe het. Slag voor slag groeit het stukje ruimte tussen mij en mijn angst.
Na een tijdje zegt Niels: “Maak nu een bocht. Het is hetzelfde als op je knieën: je knieën iets buigen, je gewicht in het midden houden en niet haastig worden.” Ik draai mijn board langzaam. Eerst lijkt de bocht te groot te worden, daarna luister ik beter naar de druk van mijn voeten. Het board volgt. Tot mijn opluchting kom ik netjes rond en kan ik terugpeddelen.
“Nu oefenen we met terugkomen bij de steiger,” zegt Niels.
Ik wil meteen doorvaren tot ik dichtbij genoeg ben, maar Niels houdt me tegen.
“Minstens twee meter van de steiger eerst op je knieën,” waarschuwt hij. “Als je valt, wil je niet met je hoofd op de rand komen.”
Ik slik. Daar had ik nog niet eens aan gedacht. Voorzichtig zak ik door mijn knieën, leg de peddel dwars voor me en kom zonder te vallen laag genoeg om naar de steiger te peddelen. Het lukt.
“Ik wil alles nog een keer doen,” zeg ik zodra ik weer naast hem lig.
“Nog beter: doe alles twee keer,” zegt Niels. “Dan kun je de komende week gericht oefenen. Als dat goed gaat, kunnen we volgende week misschien beginnen aan een klein tochtje.”
Klein tochtje. Het klinkt klein, maar in mijn hoofd wordt het meteen veel groter. Alsof er ineens een lijn ligt tussen deze steiger en de Elfstedentocht.
Ik oefen opnieuw. De eerste keer gaat bijna perfect. Ik sta, peddel, draai en kom terug zonder nat te worden. De tweede keer gaat het mis op het moment dat ik weer op mijn knieën wil zakken. Mijn voet verschuift, het board draait onder me weg en ik plons opnieuw het water in. Dit keer schrik ik minder. Ik weet in elk geval waar mijn board is.
“Kun je eigenlijk ook vanuit het water weer op je board klimmen?” vraag ik, terwijl ik me aan de rand vasthoud.
“Zeker,” zegt Niels. “Maar makkelijk is het niet. Je trekt jezelf vanaf de achterkant op het board, bij de vin. Daarna schuif je naar voren tot je knieën op de goede plek zitten. Probeer maar.”
Natuurlijk wil ik dat proberen. Ik draai het board tot de vin voor me ligt. Het board lijkt nu ineens veel hoger dan normaal. Ik leg mijn borst erop, glijd half terug en probeer opnieuw. Mijn armen branden. Pas als ik het handvat te pakken krijg, lukt het me om verder naar voren te schuiven. Eén knie komt op de goede plek, dan de andere. Heel langzaam laat ik het board los en duw ik mezelf omhoog. Ik zit. Ik sta nog niet, maar ik zit. En dat voelt al als winst. Dan zie ik mijn peddel een paar meter verderop drijven.
“Heel goed, Sam,” zegt Niels. “Jammer van de peddel. Die haal ik wel even.”
Niels peddelt ernaartoe, zakt door zijn knieën en trekt mijn peddel met de zijne dichterbij. Even later komt hij met twee peddels terug. Hij steekt de mijne naar me uit. Ik pak hem heel voorzichtig aan. Het board schommelt, maar ik blijf zitten. Dan druk ik mezelf toch weer omhoog. Mijn benen trillen, maar ik sta. Niels glimlacht. “Kijk,” zegt hij. “Dat bedoel ik.”
“We zijn een uur bezig,” zegt hij daarna. “Tijd om te stoppen. Als je te moe wordt, ga je fouten maken.”
We peddelen terug naar de kant. Op de steiger trek ik mijn board uit het water. Niels laat het zijne liggen; hij moet straks nog terug. Het verschil tussen ons is pijnlijk duidelijk. Voor hem is het bijna vanzelfsprekend. Voor mij voelt elke geslaagde beweging als iets wat ik net op tijd uit de handen van het water heb gerukt.
“De volgende keer zal het waarschijnlijk nog niet lukken,” zegt Niels, terwijl hij zijn peddel neerlegt. “Maar de keer daarna kun je misschien met me mee naar de trailerhelling waar ik altijd het water in ga. Ik woon helaas niet aan het water.”
“Dat lijkt me heel leuk,” zeg ik. “Dan begint het echt op een tocht te lijken.”
“Je hebt talent,” zegt Niels. “Je pikt alles snel op. Als je deze week blijft oefenen, merk je vanzelf dat je verder kunt. Maar we moeten wel blijven trainen, want die Elfstedentocht is niet niks.”
Niels loopt met me mee naar huis. Ik trek droge kleren aan en even later zitten we in de keuken met iets te drinken en wat te eten. Mijn haren zijn nog nat, mijn armen zwaar, maar van binnen blijf ik maar terugdenken aan dat ene moment: ik stond.
“Werken jouw ouders allebei?” vraagt Niels.
“Ja,” zeg ik. “Meestal zijn ze rond etenstijd thuis. Soms is mijn moeder wat eerder en kookt zij. Soms kook ik. Mijn vader moet soms ’s avonds werken. Mijn vader neemt af en toe eten mee uit het restaurant, als dat zo uitkomt.”
“Mijn ouders werken ook allebei,” zegt Niels. “Ben jij, net als ik, enig kind?”
“Nee hoor,” zeg ik. “Ik heb een oudere broer, Mees en een oudere zus, Silke. Die studeren en wonen in Groningen en Nijmegen. Jij bent wel enig kind?”
“Ja,” zegt hij. “Geen broers, geen zussen.”
We drinken en eten wat. Het gesprek gaat nergens bijzonders over, maar juist daardoor voelt het makkelijk. Daarna loop ik met Niels mee terug naar zijn plank. Hij stapt erop alsof hij op een stoep stapt en glijdt meteen weg. Wanneer hij mijn blik ziet, lacht hij. “Als jij zo doorgaat, kun jij over een maand misschien net zo makkelijk met je board omgaan als ik. Ik zie jou dat wel doen.”
Als ik terug naar huis loop, voel ik de vermoeidheid pas echt. Mijn schouders trekken, mijn benen zijn zwaar en mijn handen ruiken nog naar water. Toch ben ik vooral blij. Zonder Niels was ik nooit zo ver gekomen. Natuurlijk heb ik filmpjes op YouTube bekeken. Daarin lijkt alles duidelijk: zo zet je je voeten, zo houd je de peddel, zo kom je overeind. Maar een filmpje ziet niet wanneer jij te gespannen bent. Een filmpje roept niet precies op het juiste moment dat je rustig moet blijven. Niels wel. En via Marjolein heb ik hem leren kennen. Ik moet iets bedenken om haar te bedanken.
’s Avonds aan tafel vertel ik mijn ouders hoe het gaat. Ik probeer rustig te klinken, maar halverwege merk ik dat ik steeds sneller begin te praten. Over staan. Over de bocht. Over de val. Over hoe ik weer op het board ben geklommen.
“Je gaat dus de goede kant op met je plan om aan de SUP-Elfstedentocht mee te doen,” zegt mijn moeder.
“Ik begin steeds meer te geloven dat het me kan lukken,” zeg ik.
“Misschien is het een idee om het samen met iemand anders te doen?” vraagt mijn vader.
“Op dit moment ken ik alleen Niels,” zeg ik. “Die doet wel mee, maar hij is veel te goed om de Elfstedentocht met mij te doen.”
Mijn vader glimlacht alsof hij precies hoort wat ik niet hardop zeg. “Dan moet je maar flink oefenen. Misschien word jij ook wel zo goed.”
Ik kijk naar mijn handen. Er zitten kleine rode strepen op mijn vingers van de peddel, mijn armen voelen alsof ze morgen nog zwaarder zullen zijn. Toch glimlach ik. “Ik ga mijn best doen,” zeg ik. En voor het eerst klinkt dat niet als een plan dat te groot is voor mij, maar als iets waar ik echt naartoe kan groeien.