Als we vinden dat het tijd is om uit bed te komen, staan we op en lopen richting douche. In de deuropening kijken we elkaar aan. Lars’ haar staat in pieken overeind. Het staat hem lief. Voor ik er iets van zeg, kijk ik snel in de spiegel. Mijn haar blijkt al net zo eigenwijs alle kanten op te staan.
“Zie ons eens,” zeg ik. “We moeten nodig gefatsoeneerd worden. Douchetime.”
Samen douchen blijkt een belevenis op zich. Ik wist niet dat iemand zo lief en voorzichtig kon inzepen als Lars dat bij mij doet. Ik probeer hetzelfde terug te doen; natuurlijk kunnen we ondertussen ook verder niet van elkaar afblijven.
Het is inmiddels negen uur en mijn ouders zijn vertrokken. We ontbijten in de keuken, ruimen alles op en maken een plan voor de rest van de dag. Daarna vertrekken we naar Lars. Daar is het huis duidelijk niet leeg, want de eerste die we tegen het lijf lopen is Lara.
“Breng je mijn andere helft heel terug, Leon? Ben je zuinig op hem geweest?”
“Ik heb hem thuis in de watten gelegd en gezorgd dat hij erin bleef liggen. Misschien is hij nog een beetje pluizig.”
“Dat mag je met mij ook wel eens doen!”
“Zoek jij eerst maar iemand bij wie jij ook zo veel plezier kunt hebben.”
We gaan naar boven, naar Lars’ kamer.
“Jij hebt snel de smaak te pakken,” zegt Lars. “Je geeft Lara al repliek. Nu Marc nog. Karst zal je waarschijnlijk wat meer met rust laten.”
“Dat is juist het leuke van jouw gezin. Je moet alleen weten wat je terug moet zeggen. Ik vind het best leuk.”
We besluiten eerst wat te gamen. Daarna is het tijd om te lunchen. We zitten met z’n vijven aan tafel. Lara heeft zich aan het hoofd van de tafel geïnstalleerd, Lars en ik zitten naast elkaar en Karst en Marc zitten tegenover ons.
“Ik zal zorgen dat mijn broers zich gedragen,” zegt Lara.
Marc reageert meteen: “Geef zelf eerst maar het goede voorbeeld.”
“Dat doe ik altijd. Toch, Karst?”
“Kun je het weer niet alleen af?” vraagt Karst.
“Jullie hebben maar één zus,” gooi ik in de groep. “Daar moeten jullie zuinig op zijn.”
“Zuinig zijn op Lara? Dat doet Lars al,” zegt Marc. “Dan kunnen wij ons uitleven.”
“Voor een puber in aanbouw heb je wel een grote mond, Marc,” zeg ik, terwijl ik Karst er met een grijns bij probeer te betrekken.
“Hij moet nog beginnen met puberen. Dat is juist zijn probleem,” zegt Karst droog.
“Dan staat je nog een zware tijd te wachten. Ik zal je voorlopig met rust laten, Marc.”
“Waar heb jij dat vriendje opgeduikeld, Lars? Hij heeft nu al zo’n grote mond.”
“Die heeft hij nodig op het strand, waar ook jongens zwemmen die niet altijd even slim doen,” reageert Lara.
“Dat klopt,” zegt Lars. “In mijn geval was het geen domheid. Ik werd op afstand bestuurd door het lot. En kijk eens: het lot heeft zijn werk uitstekend gedaan.”
Zo gaat het de hele maaltijd door. Het is gezellig en best vermoeiend. Na afloop ruimen we samen op. Marc kan het niet laten om nog wat door te plagen, maar inmiddels weet ik steeds beter hoe ik hem moet pareren.
Na het eten besluiten we te gaan fietsen. Onze keuze valt opnieuw op de duinen, maar dit keer rijden we de andere kant op. Na een tijdje komen we bij het strand van de buurgemeente. Ook daar zijn lifeguards aan het werk. We zetten onze fietsen boven op het duin in het rek en lopen het strand op.
“Hoe is het om collega’s aan het werk te zien?” vraagt Lars.
“Ik ben helemaal verzot op dit werk geworden,” zeg ik. “Na zes dagen al. Ik wil dit nog heel lang blijven doen.”
We slenteren langs de vloedlijn. Onderweg zie ik twee ploegen lifeguards. Ik herken niemand; ze horen niet bij onze reddingsbrigade, maar bij die van deze gemeente.
Dan klinkt er geroep. Verderop, bij de golfbreker, zwaait iemand wild met zijn armen. Meteen zie ik dat het mis is. De stroming trekt daar verraderlijk langs de stenen. Twee lifeguards sprinten erheen terwijl een van hen in de mobilofoon praat.
“Let op,” zeg ik tegen Lars. “Ze gaan met z’n tweeën het water in. Ondertussen wordt daar de boot klaargemaakt.” Ik wijs naar de ploeg die de boot richting branding duwt.
De eerste lifeguard bereikt de man en duwt hem de rescue tube toe. De drenkeling klampt zich eraan vast. In plaats van tegen de stroming in te vechten, laten ze zich gecontroleerd meevoeren. De tweede lifeguard blijft er vlakbij, klaar om in te grijpen zodra dat nodig is.
Als de boot langszij komt, gaat alles snel. De man wordt aan boord geholpen en even later vaart de boot terug naar het strand.
Lars heeft geen woord gezegd. Pas als de drenkeling veilig op het zand staat, ademt hij hoorbaar uit.
“Dat wil ik volgend jaar ook,” zegt hij zacht, maar vastberaden.
“Dat kan,” zeg ik. “Goed trainen deze winter. Ik ga je helpen.”
We lopen nog wat verder langs het strand. Dan gaan we in een duinpan liggen.
“Jij wil echt graag ook lifeguard worden, hè Lars?”
“Ja, ik zou willen dat ik morgen al kon beginnen. Maar ik moet eerst nog veel leren.”
“Juist dat doe je als je lifeguard bent,” zeg ik. “Volop zelfs. Als ik terugkijk op mijn eerste zes dagen, verbaast het me hoeveel er al is veranderd. Je moet beslissingen nemen, soms in een paar seconden. Dan kun je niet eindeloos twijfelen, want dan ben je te laat. Dat vond ik eerst moeilijk. Nog steeds soms. Maar ik merk dat ik sneller durf te handelen. Misschien is dat wel het belangrijkste wat ik tot nu toe heb geleerd.”
Ik kijk Lars aan. “Hoe zie jij mij nu? Wat vind je van mij?”
“Ik vind jou op de eerste plaats lief. Heel lief. Verder vind ik dat je wat onzeker kan zijn. Bijvoorbeeld bij mijn zus en broers. Hoewel je het vanmiddag aan tafel heel goed deed. Ik weet niet hoe jij op school in de klas bent. Ik zou best wel eens stiekem willen kijken.”
“Wat denk je?”
“Ik denk dat je bij het rustige deel hoort. Niet iemand die zichzelf steeds op de voorgrond plaatst.”
“Klopt. Waar hoor jij bij?”
“Eigenlijk ook,” zegt Lars. “De populaire groep trekt me niet. Ze weten dat ik homo ben en ik weet niet wat ze daarmee zouden doen. Nu laten ze me met rust.”
“Ik ben eigenlijk vooral bang om fouten te maken,” zeg ik. “Dat is een van de redenen waarom ik lifeguard wilde worden. Ik hoopte dat ik daardoor zou groeien. En eerlijk gezegd durf ik na zes dagen al te zeggen dat dat gebeurt.”
“Klopt denk ik. Ik heb gezien hoe je bij ons thuis je plek verovert. Eerst keek je nog de kat uit de boom, maar nu durf je terug te kaatsen. Dat past bij je.”
“Dat vind ik nog steeds best lastig,” geef ik toe. “Maar het zijn jouw broer, zus en broertje. Als ik bij jou wil horen, moet ik ook bij hen durven horen.”
Lars draait zich op zijn zij en kijkt me aan. “En hoe kijk jij naar mij?”
“Serieuzer dan ik in het begin dacht,” zeg ik. “Dat kwam misschien door onze eerste ontmoeting. Toen was alles verwarrend en gebeurde er te veel tegelijk. Maar jij bent juist iemand die goed nadenkt. Je bent zacht, maar niet zwak. En je bent ongelooflijk lief, zeker voor mij.”
Na ons gesprek lopen we terug richting fietsen, opnieuw langs de vloedlijn. De wind is iets aangetrokken en de zee schuift met lange, schuimende strepen het strand op. Vlak bij de golfbreker zie ik een jongetje van een jaar of vijf bij zijn moeder weglopen. Eerst speelt hij nog aan de rand van het water, maar stap voor stap komt hij dichter bij de stenen. Het water reikt inmiddels tot zijn heupen.
Ik kijk om me heen. Er is geen strandwacht in de buurt. Mijn maag trekt samen. Ik twijfel niet lang.
“Mevrouw!” roep ik.
Ze kijkt verschrikt op. Ik wijs naar het water. “Uw zoontje loopt in te diep water en te dicht bij de golfbreker. Daar kan een verraderlijke stroming staan. Wilt u hem meteen terughalen?”
De vrouw schrikt zichtbaar. Een tel lang kijkt ze van mij naar haar zoontje, alsof ze pas nu ziet hoe ver hij al is. Daarna rent ze het water in, pakt hem stevig bij de hand en komt met hem terug.
“Ik leg het even uit,” zeg ik, rustiger dan ik me voel. “Ik ben lifeguard op het andere strand.” Ik wijs in de verte. “Vandaag heb ik geen dienst, maar ik herken het gevaar. Langs zo’n golfbreker kan een stroming richting zee lopen. Als je daarin terechtkomt, kom je niet zomaar terug.”
Het jongetje kijkt me met grote ogen aan. Hij heeft zijn moeders hand nog steeds vast.
“Goed blijven opletten,” zeg ik tegen hem. “Dan kun jij later misschien ook mensen redden.”
“Dat wil ik!” zegt hij meteen, alsof hij het besluit ter plekke neemt.
“Mooi,” zeg ik. “Dan eerst goed leren zwemmen, flink groeien en altijd naar je moeder luisteren als je bij zee bent.”
Als we verder lopen, zegt Lars eerst niets. Pas een stuk verder, wanneer het geluid van de zee weer alles vult, kijkt hij me van opzij aan.
“En jij noemt jezelf onzeker?”
Ik haal mijn schouders op, maar van binnen gloeit er iets. “Dit is wat er met me gebeurt sinds ik lifeguard ben. Ik groei, Lars. Echt.”
We fietsen terug naar Lars´ huis en komen tegen etenstijd aan. We kunnen bijna meteen aanschuiven.
Aan tafel vertelt Lars in geuren en kleuren over de redding die we hebben gezien. Hij beschrijft hoe ik al had voorspeld wat de lifeguards zouden doen, en daarna vertelt hij ook over het jongetje bij de golfbreker.
“Wat ik zo knap vond,” zegt Lars, “is dat Leon het voor dat jongetje niet eng maakte. Hij waarschuwde duidelijk, maar gaf hem daarna juist iets moois mee. Dat jongetje wilde meteen lifeguard worden en Leon moedigde hem aan. Daardoor leerde hij iets zonder bang naar huis te gaan.”
Ik voel mijn wangen warm worden. Complimenten blijven lastig, zelfs als ze van Lars komen.
Tijdens het eten is het weer gezellig. Er wordt volop geplaagd en Marc is helemaal in zijn element. Omdat Lars’ ouders erbij zijn, houd ik me eerst wat rustiger. Toch kan ik het op een gegeven moment niet laten om te reageren. Ik zie dat Lars’ moeder haar glimlach probeert te verbergen.
“Voor iemand die geen broers of zussen gewend is, weet je je aardig te weren,” merkt ze op.
“Ik zal wel moeten,” zeg ik. “Lars heeft dat als voorwaarde gesteld.”
“Dan moet je wel,” zegt Marc. “Anders ben je hem kwijt.”
“Dat wil ik niet,” mengt Lara zich erin.
“Hoezo?” vraagt Marc.
“Omdat ik Leon heb goedgekeurd.”
Lars kijkt me triomfantelijk aan. “Je hoort het, Leon. Mijn andere helft heeft je goedgekeurd. Je mag blijven.”
“Dan raken jullie me voorlopig ook niet meer kwijt,” zeg ik.
Lars’ vader vraagt hoe onze plannen er verder uitzien.
“Straks ga ik naar huis,” zeg ik. “Morgen moet ik vroeg op voor de eerste van drie dagen lifeguard. Daarna heb ik weer twee dagen vrij. Als iedereen aardig blijft, kom ik dan misschien hier slapen.”
“Dan verklaar ik bij dezen dat iedereen die niet aardig is tegen Leon, met mij te maken krijgt,” zegt Karst.
“In dat geval zien jullie mij vrijdag weer,” zeg ik. “Misschien eerder, als er eten is.”
Na het eten gaan Lars en ik nog even naar zijn kamer.
We liggen naast elkaar op bed. De drukte van beneden zakt langzaam weg. Wat overblijft, is de warmte van zijn schouder onder mijn hoofd en het gevoel dat de dag nog niet helemaal klaar is.
“Het was fijn beneden,” zeg ik. “Druk, maar fijn. Je ouders zijn leuk. Je broers en zus ook, zelfs als ze hun best doen om lastig te zijn.”
Lars lacht zacht. “En vergeet niet: je bent officieel goedgekeurd.”
“Daar maak ik me ook niet meer zo druk om,” zeg ik. “Maar er is iets anders. Straks is de vakantie voorbij. Jij weer naar school, ik weer naar school. Geen hele dagen strand meer, geen avonden waarop we zomaar naar elkaar toe kunnen. Wat als alles dan anders voelt?”
Lars draait zijn hoofd naar me toe. “Anders wordt het sowieso. Maar anders is niet hetzelfde als slechter. We hoeven elkaar niet elke dag te zien om bij elkaar te horen. Er zijn weekenden. Er is telefoon, WhatsApp, berichten. En als we echt willen, vinden we tijd.”
Ik slik. “Nu ik je gevonden heb, wil ik je niet meer kwijtraken.”
“Dan moet je daar misschien mee beginnen,” zegt hij. “Met niet bij voorbaat bang zijn dat het misgaat.”
“Met je vorige vriendje ging het ook uit,” zeg ik zacht.
“Ja,” zegt Lars. “Maar dat was anders. Minder serieus. Minder echt. Met jou voelt het alsof ik niet hoef te doen alsof ik iemand anders ben.”
Die zin blijft even tussen ons in liggen. Daarna knik ik. “Dan moeten we blijven praten. Als iets niet goed voelt, zeggen we het. Niet wachten tot kleine dingen groot worden.”
“Afgesproken,” zegt Lars. “We kijken vooruit met vertrouwen. Niet omdat alles vanzelf makkelijk wordt, maar omdat we het samen willen.”
Ik schuif nog dichter tegen hem aan. “Ik heb vertrouwen in jou. Misschien begin ik eindelijk ook wat meer vertrouwen in mezelf te krijgen. De afgelopen weken heb ik meer geleerd dan ik had verwacht. Ik ben lifeguard geworden, ik durf sneller te handelen, ik durf mensen aan te spreken als dat nodig is. Ik groei echt.”
“Dat zie ik,” zegt Lars. “En volgend jaar wil ik naast je staan. Deze winter trainen, cursussen doen en dan hopen dat ik mee mag draaien. Niet alleen omdat jij het doet, maar omdat ik vandaag weer voelde: dit past ook bij mij.”
“Ik was nog niet klaar,” zeg ik. “Want tussen de golven heb ik niet alleen het strand gevonden, ook niet alleen het reddingswerk. Ik heb ook jou tussen de golven gevonden. Door jou durf ik mezelf ook aan anderen te laten zien. Uit de kast komen, jouw familie leren kennen, mijn plek innemen... dat zijn allemaal stappen die ik zonder jou nog niet had gezet.”
Lars pakt mijn hand. “Dan hoeven we dus niet bang te zijn voor wat er komt. We hebben al best veel golven gehad. De volgende nemen we ook wel.”
Uiteindelijk moet ik toch naar huis. We lopen naar beneden, waar ik iedereen gedag zeg. Marc roept nog iets over vrijdag en eten, Lara steekt haar duim op en Karst knikt alsof hij persoonlijk toezicht houdt op mijn terugkeer.
Buiten bij mijn fiets komt de twijfel toch nog één keer omhoog.
“Denk je dat het na de zomer echt anders wordt?” vraag ik.
Lars komt dichterbij en geeft me een korte zoen. “Vast wel,” zegt hij. “Maar anders betekent niet meteen minder.”
“En als het moeilijk wordt?”
“Dan praten we,” zegt hij. “Dat hebben we toch net afgesproken?”
Ik glimlach. Deze keer kus ik hem terug zonder verder iets te vragen.
“Op onze toekomst,” fluister ik. “Ik heb jou tussen de golven gevonden. Hoe hoog ze ook worden, we hoeven er niet meer alleen doorheen.”
Ik geef hem nog één lange zoen. Daarna stap ik op mijn fiets. Terwijl ik weg rijd, voel ik de avondwind langs mijn gezicht en de rust in mijn borst. Morgen begint er weer een nieuwe dag op het strand. Vanavond weet ik zeker dat ik niet alleen sterker ben geworden als lifeguard. Ik ben ook sterker geworden in mezelf.