Pagina 1 van 1

Tussen de golven. Deel 12.

Geplaatst: vr 14 aug 2026, 05:56
door Wimmie
Op zondag ben ik veel te vroeg wakker. Nog vóór ik mijn ogen goed open heb, weet ik het al: Lars komt vandaag. Niet alleen om langs te komen, maar om te blijven slapen. Ik zou alleen maar blij moeten zijn, vind ik, maar zo eenvoudig is het niet. De blijdschap zit bovenin mijn borst; de onrust lager, ergens in mijn buik. Ik merk dat ik steeds wil controleren of ik wel dapper genoeg ben voor iets waar ik tegelijk zo naar verlang.

Ik ben als eerste beneden. Om mijn handen iets te laten doen, dek ik de ontbijttafel, zorgvuldiger dan anders. De borden komen kaarsrecht te staan, het bestek ligt ineens alsof er bezoek van de koning komt. Als mijn moeder binnenkomt, kijkt ze eerst naar de tafel en dan naar mij. Even fronst ze, maar dan glimlacht ze.
“O ja,” zegt ze. “Lars komt vandaag. Leuk. Ik vind hem een fijne jongen. Volgens mij bof je met zo’n vriendje.”
“Volgens mij ook, mam. Ik ben heel blij met Lars.”

Dat was voor mijn moeder kennelijk genoeg want ze loopt naar de keuken om wat op te halen.
Tijdens het ontbijt blijkt dat mijn vader er net zo over denkt.
“Gezellig dat Lars blijft logeren,” zegt hij terwijl hij koffie inschenkt. “Hij past hier wel.”
“Hebben jullie dat met elkaar afgesproken?” vraag ik mijn vader een beetje verbaasd.
“Wat met elkaar afgesproken?”
Mijn moeder voorkomt mijn reactie. “Ik had ook al aangegeven dat ik het leuk vind dat Lars langskomt.”
“Neen, niet afgesproken. We zijn het met elkaar eens.”
“Jullie vinden hem alle twee wel erg leuk,” zeg ik grinnikend. Het klinkt luchtig, maar van binnen voel ik iets anders: trots, omdat hij erbij mag horen, en tegelijk die vreemde neiging om hem bij me te houden. “Maar hij is en blijft míjn vriendje.”
“Wat denk je wel van ons?” grapt mijn vader terug.
Ik stop snel een hapje brood in mijn mond zodat ik verder moet kauwen.

Tegen negen uur houd ik het binnen niet meer uit. Ik loop naar de voordeur en ga buiten staan wachten. Terwijl ik daar sta, neem ik me voor om niet meteen te overdrijven, maar zodra Lars de straat in komt fietsen, vergeet ik dat voornemen volledig.
“Een welkomstcomité, wat een eer,” zegt hij. Hij lacht, maar ik zie ook dat hij even naar het huis achter me kijkt, alsof hij zich bewust is van wat deze dag betekent: niet alleen voor mij, ook voor hem.
Ik antwoord niet. Ik trek hem, fiets en al, naar me toe en kus hem. “Eerst je fiets in de garage,” zeg ik daarna. “Dan gaan we verder waar we nu gebleven zijn.”

Zodra de fiets staat, zoek ik opnieuw zijn mond. Niet voorzichtig, niet aarzelend, maar alsof ik de hele ochtend al op dit moment heb gewacht. Pas als we op adem komen, merk ik hoe snel mijn hart klopt en hoe weinig ik eigenlijk heb nagedacht voordat ik hem naar me toe trok.
“Zo, jij bent niet te houden.” reageert Lars.
“Ik houd zo veel van jou!” reageer ik.
“Dat is me wel duidelijk,” reageert Lars lachend. Daarna wordt zijn blik zachter. “Ik vind het fijn, Leon. Alleen… ik wil ook rustig genoeg blijven om deze dag echt mee te maken.”
We lopen langs mijn ouders, die in de keuken zitten, naar boven. Op mijn kamer valt de stilte ineens op. Beneden is alles gewoon; hier voelt de dag anders.
“Wat gaan we doen, vandaag?“ vraag ik Lars.
“De hele dag samen zijn,” reageert Lars gniffelend. “En vanavond samen slapen. Daar kijk ik naar uit, aan de andere kant: ik vind het ook niet niks.”
“Je snapt wat ik bedoel.”
“Zeker. Heb je een voorstel?”
“Ja, misschien samen wat fietsen, onderweg een ijsje eten, verder zien we wel.”
“Goed idee, Leon, gaan we doen.”

Een half uur later fietsen we richting strand. Het is goed weer: helder, niet te warm, met een wind die net hard genoeg is om het duinpad levend te maken. Al snel praten we over vrienden, over Daan en over het groepje waarmee Lars op het strand was toen wij elkaar voor het eerst ontmoetten.
“Ze hebben al een paar keer naar je gevraagd,” zegt Lars. “Zou je het vervelend vinden als we binnenkort even langsgaan? Ze kennen je als die lifeguard van het strand, maar niet als mijn vriendje.” Hij zegt het luchtig, maar zijn vingers knijpen kort in het stuur. “Ik wil ze graag laten zien wie jij voor me bent. Al vind ik dat ook spannend. Mijn ex vriendje zit ook in dat groepje.”
“Ik heb daar geen moeite mee. Gaan we doen.”

Bij een ijscokar nemen we een ijsje. We gaan op een bankje zitten, met uitzicht op het fietspad en de duinen. Lars kijkt naar zijn hoorntje voordat hij ineens zegt:
“Ik heb gisteren bevestiging van mijn inschrijving bij de reddingsbrigade gekregen. Net als voor de eerste cursus.”
Ik kijk hem aan. Eerst voel ik iets warms, bijna trots. Daarna schiet er meteen een andere gedachte tussendoor. “Dus je gaat het echt doen? Lifeguard worden? Je wilt het dus echt, begrijp ik.”
“Hoe bedoel je dat, Leon?”
“Ik bedoel…” Ik prik met mijn lepeltje in het ijs. “Ik wil gewoon zeker weten dat je het niet doet omdat ik het doe. Ik zou het mooi vinden als we dat delen, maar ik wil niet dat jij jezelf kleiner maakt om bij mij te passen.”
“Ja,” zegt Lars, voor het eerst die ochtend niet meteen zonder aarzeling. Hij kijkt naar de duinen, alsof hij daar de juiste woorden zoekt. “Niet alleen omdat jij het doet. Toen ik jou bezig zag op het strand en in de zee, zag ik iets wat ik zelf miste: weten wat je kunt doen als iemand je nodig heeft. Ik wil niet alleen naast jou staan. Ik wil ook iemand worden op wie je kunt rekenen.”
“Wat zie je dan aan mij?” vraag ik verbaasd.
“Rustig blijven?” vraagt hij. “Zo voel ik me lang niet altijd. Vaak doe ik maar alsof ik weet wat ik doe, en hoop ik dat niemand ziet hoeveel ik twijfel.”
“Zo zeker voel ik me echt niet, lieve Lars. Ook ik ben onzeker.”
“Misschien”, zegt Lars. “Maar je dóét het wel. Je kijkt, je beslist, je komt in beweging. Dat bewonder ik aan je.” Hij glimlacht scheef. “En misschien wil ik leren hoe dat voelt zonder me steeds achter een grap te verstoppen.”

Zijn woorden raken me meer dan ik verwacht. Niet om wat hij over mij zegt, wel omdat hij iets ziet wat ik zelf nauwelijks durf te geloven: dat moed misschien niet betekent dat je geen angst voelt, maar dat je toch beweegt. Ik buig naar hem toe en kus hem. Als ik terug ga, heeft hij een randje ijs rond zijn mond.
“Dank je wel. Lekker ijs, heb ik iets meer.” Zijn tong gaat over zijn lippen.

Op de terugweg voelt de ochtend lichter. We lunchen met mijn ouders. Mijn moeder heeft broodjes hamburger gemaakt, alsof ze weet hoeveel honger twee jongens na een fietstocht kunnen hebben.

Na de lunch gaan we naar boven. Het onderwerp dat de hele ochtend ergens op de achtergrond heeft meegefietst, laat zich niet langer wegduwen. Eerst wilde ik wachten tot Lars erover begint, zodat ik zelf niet zwak hoef te lijken. Toch hoor ik mezelf zeggen: “Ik wil praten over vannacht. Over samen slapen. Ik vind het spannend.” Meteen daarna ben ik opgelucht dat het hardop is gezegd.

Lars gaat naast me zitten en neemt even de tijd voordat hij antwoord geeft. Voor het eerst zie ik dat hij niet meteen de rustige Lars is die alles oplost. Hij vouwt zijn handen in elkaar. “Ik heb eerder met iemand geslapen, ja. Dat was toen, met iemand anders. Ik wil niet doen alsof ik daardoor alles weet. Met jou is het nieuw op een andere manier. Wat maakt jou zenuwachtig?”

“Dat ik niet weet wie ik dan moet zijn,” zeg ik. “Ik ben bang dat ik ga doen alsof, terwijl ik eigenlijk gewoon Leon ben die alles voor het eerst voelt.”
“Het gaat zoals wij besluiten dat het gaat.”
“Hoe bedoel je dat?”
“Dat we niet hoeven te raden,” zegt hij. “We kunnen elkaar gewoon vragen wat goed voelt en wat niet. We hoeven niets te bewijzen. Niet aan elkaar en niet aan onszelf.” Hij haalt kort zijn schouders op. “Dat zeg ik ook tegen mezelf, hoor. Ik wil niet de jongen spelen die altijd precies weet wat verstandig is.”

“Wat heb jij allemaal met jouw vriendje gedaan?”
Hij kijkt me rustig aan, niet afstandelijk. “Mijn verleden is niet belangrijk, Leon. Niet omdat ik het wil wegstoppen, maar omdat ik wil dat jij en ik niet in vergelijking met iemand anders beginnen. Belangrijker is of wij elkaar vertrouwen.”
Ik knik langzaam. “Ik vertrouw je. Helemaal. Maar ik moet blijkbaar ook leren mezelf te vertrouwen. Mijn hoofd loopt vooruit op alles en verzint dan problemen voordat ze er zijn. Ik zeur.”
“Dan praten we daarover,” zegt Lars. “Dat is geen zeuren. Ik vind het juist fijn dat je eerlijk bent.” Hij kijkt even weg en lacht kort. “Ik moet daar zelf ook nog beter in worden. Ik maak snel een grap als iets dichtbij komt.”

Ik kus hem. “Dank je wel, lieve Lars. Je maakt het rustiger in mijn hoofd.” Dan verbeter ik mezelf, omdat het belangrijk voelt. “Nee, wacht. Jij helpt me om het rustiger te maken. Dat is niet helemaal hetzelfde.”

Die middag zitten we in de tuin. Mijn ouders zijn naar vrienden en komen pas tegen etenstijd terug. We praten over school, vrienden, de reddingsbrigade en over niets bijzonders. Juist daardoor voelt het bijzonder. Af en toe zoeken onze handen elkaar, of onze monden, maar ik merk dat ik minder hoef te grijpen naar bevestiging. Lars is er. Ik ben er. Voor even is dat genoeg.

Als mijn ouders thuiskomen, heeft mijn moeder geen zin meer om te koken. We gaan naar de pizzeria. Aan tafel is Lars ontspannen en beleefd, maar niet afstandelijk. Hij vertelt over thuis; mijn ouders vragen zonder aan te dringen. Soms zoekt hij mijn blik voordat hij verder praat, alsof hij wil weten of ik het goed vind dat hij iets meer van zichzelf laat zien. Ik merk hoe vanzelfsprekend hij tussen ons in zit, en dat maakt me trots.

Na het eten blijven we nog even zitten. Mijn ouders willen wat meer weten over Lars’ familie. Ik vertel over onze familie, over mijn opa’s en oma’s. Lars vertelt dat hij nog één oma en één opa heeft. Hij zegt het zonder drama, maar ik hoor aan zijn stem dat familie voor hem niet alleen gezelligheid betekent. Het gesprek is rustig, bijna gewoon, maar onder tafel voel ik telkens zijn knie tegen de mijne.

Later op mijn kamer gaan we gamen, maar mijn aandacht blijft wegglippen. Hoe later het wordt, hoe sterker ik voel dat de nacht dichterbij komt. Dit keer probeer ik het niet weg te lachen. Ik leg de controller neer voordat Lars iets hoeft te zeggen.

“Ik ben weer zenuwachtig,” zeg ik. “Niet omdat ik jou niet vertrouw, maar omdat ik mezelf nog niet helemaal begrijp.”
“Ik snap dat je zenuwachtig bent,” zegt hij. “Maar we moeten niets. We vragen het elkaar, we luisteren naar elkaar, en jij mag altijd zeggen wat je wel of niet wilt. Ik ook.” Hij ademt hoorbaar uit. “Dat laatste zeg ik erbij omdat ik het zelf ook moet onthouden.”

De kamer wordt stil. Vroeger zou ik die stilte hebben gevuld met grappen of vragen die eigenlijk om geruststelling vroegen. Nu haal ik adem en probeer ik precies te zeggen wat ik wil weten.
“Hoe slaap jij altijd?”
“Met mijn ogen dicht. Of bedoel je iets anders. Wat ik aan heb?”
“Ja, ik slaap ook met mijn ogen dicht. Maar helemaal bloot. Dat vind ik fijn.”
“Dat doe ik ook, dus dat komt goed uit.”
“Ja, het lijkt me heerlijk je de hele nacht tegen me aan te hebben.”
“Dat hangt ervan af hoe rustig jij slaapt,” plaagt hij. “Dat ontdekken we vannacht wel.”
“Ben je nu minder zenuwachtig?” vraagt Lars.
“Een beetje,” zeg ik eerlijk. “Niet omdat alles ineens makkelijk is, maar omdat ik niet meer hoef te doen alsof het makkelijk is.”

“Lieve Leon,” zegt Lars, zachter nu, “jij hoeft mij niet te bewijzen dat je van me houdt. Ik hoef dat jou ook niet te bewijzen. We slapen samen. Meer hoeft het niet te zijn dan wat goed voelt.” Hij zwijgt even. “Ik wil bij jou niet stoerder lijken dan ik ben. Ik wil gewoon eerlijk zijn.”
“Je hebt gelijk,” zeg ik. “En ik wil het rustig doen. Niet omdat ik bang ben, maar omdat ik erbij wil blijven met mijn hoofd.” Ik sta op. “Laten we onze tanden poetsen.”

Samen tanden poetsen blijkt vreemd genoeg ook intiem. Daarna maken we ons klaar voor de nacht. Onder het dunne laken is mijn kamer dezelfde kamer als altijd, toch voelt alles nieuw.
We kijken elkaar aan.
“Ik wil heel dicht tegen je aankruipen.” verzucht ik.
“Tegen mijn rug of tegen mijn buik?” vraagt hij.
“Tegen je rug.”
Lars draait zich om en ik kruip voorzichtig tegen hem aan. Zijn warmte is meteen dichtbij. Na een paar tellen legt hij zijn hand op de mijne, om te laten merken dat hij er ook voor kiest.
“Je bent zo zacht en zo lief.”
“Jij bent ook zacht en lief.”
Langzaam verdwijnt de spanning uit mijn lijf. We zoeken geen haast, geen bewijs, alleen nabijheid. Alles wat eerder groot en ingewikkeld leek, wordt kleiner zodra we elkaar vasthouden. Niet omdat Lars het voor me oplost, maar omdat ik eindelijk stop met mezelf vooruit te duwen. Later, als we tevreden en weer rustig naast elkaar liggen, fluister ik: “Je had gelijk. Zo gaat het vanzelf, als ik mezelf niet steeds voorbijloop.”

We kruipen weer dicht tegen elkaar aan. Daarna glijd ik weg zonder te merken wanneer de slaap precies begint. Pas de volgende ochtend word ik me weer bewust van mijn kamer, van het licht langs het gordijn en van Lars, die nog steeds naast me ligt.

Hij slaapt nog. Ik beweeg me eerst niet, bang om het moment stuk te maken. Dan glimlach ik om mezelf. Alsof geluk breekt zodra je ademhaalt. Voorzichtig leg ik mijn hand op zijn arm. Het blijft stil, warm en gewoon precies zoals ik had gehoopt.

Het duurt best wel lang voor Lars wakker wordt. Dan draait hij zich voorzichtig om en kust me.
“Goede morgen, lieve Leon. Ik heb heerlijk geslapen, jij ook?”
“Ja, ik ben helemaal niet wakker geweest.”
“Vond je het fijn?”
“Ik wil dit wel elke nacht.”
“Dan was het fijn,” zegt Lars glimlachend. “Voorlopig kunnen we dit af en toe doen, zolang het vakantie is. Daarna zien we wel.” Hij streelt met zijn duim over mijn hand.

“Ik wil leren om niet alles meteen vast te leggen omdat ik bang ben dat het anders verdwijnt. Misschien is het juist mooi als er iets blijft om naar uit te kijken.”