Pagina 1 van 1

Tussen de golven. Deel 8.

Geplaatst: ma 10 aug 2026, 06:14
door Wimmie
Wanneer ik thuiskom, staat het eten bijna op tafel. Mijn moeder kijkt me net iets te verwachtingsvol aan. Ik besluit niets te zeggen. Eerst maar eens zien hoe lang ze het volhoudt.
“Hoe was jouw dag vandaag, Leon?”
“Slimme vraag, mam. Je bedoelt: vertel eens wat over Lars.”
“Is dat dan erg?”
“Neen hoor, ik begrijp dat.”
“Dus?”
Ik vertel over de sfeer bij Lars thuis: de plagerijen, het gemak waarmee iedereen met elkaar omgaat en hoe welkom ik me daar voelde. Terwijl ik praat, merk ik dat ik blijf glimlachen. Alsof ik nog steeds een beetje in dat huis zit. Ik vertel dat Lars zijn tweelingzus een naam heeft die maar één letter verschilt.
“Hoe heet zij dan?”
“Kunnen jullie het bedenken?”
Er wordt gedacht, er komt niets uit.
“Het gaat om de laatste letter.”
Dan zegt mijn vader: “Lara!”
“Klopt. Leuk gevonden, hè?”
Mijn moeder wil nog meer vragen. Ik zie het aan haar gezicht.
“Wat wil je nog meer vragen, mam?”
“Wanneer krijgen wij Lars weer te zien?”
“Hij komt morgen hierheen.”
“Blijft hij eten?”
“Dat hebben we niet afgesproken. Ik wil het hem wel vragen.”
Mijn moeder kijkt tevreden.

Als ik naar bed ga kijk ik op mijn telefoon.
Lars: Ik hoop dat je een leuke dag had.
Leon: Hartstikke leuk.
Leon: Mijn moeder begon natuurlijk meteen over jou.
Lars: Oei. Moet ik me zorgen maken?
Leon: Alleen als je niet van gezellig eten houdt. Ze vroeg of je morgen blijft eten.
Lars: Graag. Maar dan blijf jij de volgende keer bij ons eten.
Leon: Prima, mits er iets op tafel komt dat ik lekker vind.
Lars: Dat geldt ook voor mij.
Leon: Afgesproken. Tot morgen.
Lars: Tot morgen, Leon.

De volgende morgen is het eerste wat ik doe op mijn telefoon kijken. Ik vraag me niet eens af waarom ik zo snel ben, want ik weet het eigenlijk wel: ik hoop op een bericht van Lars.
Lars: Goedemorgen, Leon.
Leon: Goedemorgen, Lars. Ik sliep nog. Straks zie ik je.

Aan tafel kan ik mijn moeder het goede nieuws melden: “Lars blijft vanavond eten.”
“Gezellig.”
“Er is één voorwaarde: dat we iets eten dat hij lekker vindt.”
“Als jij hem vraagt wat hij niet lekker vindt en mij dat meldt komt het goed.”

Als mijn ouders vertrokken zijn, begint het wachten op Lars. Ik probeer nog iets te doen, maar niets houdt mijn aandacht vast. Steeds kijk ik naar buiten. Steeds luister ik of ik een fiets hoor.
Buiten is het droog, maar de lucht hangt laag en grijs boven de stad. Morgen wordt er weer regen en harde wind verwacht. Dan moet ik werken. Vandaag voelt daardoor als iets dat ik niet wil verspillen.
Als ik Lars zie aankomen, loop ik al naar de voordeur voordat hij kan aanbellen. Ik vraag hem om het huis heen te rijden, zet zijn fiets met hem in de garage en neem hem mee naar binnen.

Even staan we stil in de gang.
Er is iets in zijn blik waardoor ik ineens niet meer weet wat ik met mijn handen moet.
“Eerst je jas uit,” zeg ik, zachter dan ik van plan was. Daarna pak ik hem vast en zoen hem.
We gaan naar mijn kamer. Daar valt de stilte anders dan beneden: dichterbij, spannender. We zoenen opnieuw, eerst voorzichtig, daarna met minder aarzeling.

“Lars,” zeg ik, “ik vind dit spannend.”
“Ik ook,” zegt hij.
“Ik wil meer.”
“Hoeveel meer?”
“Ik wil samen bloot zijn en aftrekken, elkaar.”
“Ik wil niets liever, Leon. Weet je het zeker?”
“Ik weet het heel zeker.”
Dan trek ik zijn shirt uit. Hij zoent me weer en trekt mijn shirt uit.
Daarna maak ik de knoop van zijn spijkerbroek los. Zo gaat het om en om verder. Lars laat mij de leiding nemen. Tot we alle twee alleen nog een boxer aanhebben. De toestand daarbinnen is duidelijk te zien.
Ik wil Lars helemaal bloot zien en trek aan zijn boxer. Die glijdt naar beneden gevolgd door mijn boxer.
Ik zie voor het eerst een jongen bloot. Niet zoals op school onder de douche, maar een jongen waar ik mee aan het zoenen ben. Ik trek Lars mee op mijn bed.
“Nu weet ik het even niet meer.” zeg ik.
“Zal ik je helpen?”
“Graag.”
Lars begint me te strelen. Hij begint bij mijn hoofd en streelt van boven naar beneden elk plekje. Dan begint hij bij mijn voeten en werkt naar boven. Uiteindelijk komt hij bij mijn piemel, die al sinds het zoenen knalhard is. Hij kijkt me aan. “Wil je dit?”
“Ja, ja, ja!”
En hij trekt me langzaam maar heel lekker af tot ik klaarkom. Klaarkomen zonder dat ik er iets voor hoef te doen. En zo lekker.
Daarna draaien we de rollen om. Ik heb geleerd. Ik zie aan het gezicht van Lars dat hij het fijn vindt. Ook het klaarkomen.
“O wat heerlijk.” verzucht ik.
“Je hebt gelijk. Dit is heerlijk.”

We praten weinig, maar alles wat niet gezegd wordt, hangt toch tussen ons in. Voor het eerst voelt het alsof ik Lars niet alleen leuk vind, maar echt dichtbij laat komen.
“Gaat het?” vraagt hij na een tijdje.
“Ja,” zeg ik. “Beter dan goed.” Daarna lachen we allebei een beetje verlegen.
We maken elkaar een beetje schoon en trekken onze kleren weer aan.

We zetten mijn laptop aan en beginnen een spel.
Af en toe vergeten we even dat er een spel bezig is. Dan kijken we elkaar aan en moeten we lachen, alsof we allebei precies weten waarom.
Tegen de tijd dat het spel klaar is, besef ik dat mijn ouders elk moment thuis kunnen komen.

Als mijn moeder roept: “Ik ben thuis,” schiet er een zenuwachtige lach door me heen. “We wachten nog even tot mijn vader er ook is,” zeg ik tegen Lars.

Beneden klinkt even later het bekende gerommel van borden en pannen. Het is bijna tijd om te eten.
“Hier is het niet zo druk als bij jou thuis,” zeg ik.
“Dat hoeft ook niet,” zegt Lars. “Ik vind het juist fijn zo.”

Niet veel later hoor ik een auto stoppen. Samen gaan we naar beneden. Ik stel Lars voor aan mijn vader. Dat voelt raar en tegelijk heel belangrijk. Lars is niet zomaar een vriend.
Mijn ouders zijn zoals ze altijd zijn: allerhartelijkst.

Mijn moeder praat gemakkelijk met Lars en mijn vader doet alsof hij heel gewoon vraagt hoe Lars’ dag was, maar ik hoor de belangstelling in zijn stem.
Aan tafel wordt het snel gezellig.
Lars krijgt vragen over zijn gezin, zijn tweelingzus en zijn broers. Hij antwoordt gemakkelijk, alsof hij hier al vaker is geweest. Ik merk dat ik trots op hem ben, al weet ik niet precies waarom ik dat woord gebruik.

Na het eten gaan we nog even naar boven.
“Hoe vond je mijn ouders?” vraag ik.
“Ze zijn zoals jij: open en gezellig.”
“Was je niet zenuwachtig?”
“In het begin wel, maar dat was echt zo over.”
“Ze vinden je aardig.”
“Ik vind hen ook aardig.”

Als het tijd wordt om naar huis te gaan neemt Lars afscheid van mijn ouders en breng ik hem naar zijn fiets. Ik zoen hem uitgebreid.
“Morgen moet ik werken. Misschien morgenavond even contact?”
“We hebben WhatsApp,” zegt Lars. “Jij of ik laat wel wat van ons horen.”

Lars rijdt weg.
In de kamer krijg ik het oordeel van mijn ouders.
“Wat een leuke, lieve jongen, die Lars,” zegt mijn moeder.
“Dat vind ik ook,” zeg ik, misschien iets te snel.

In bed stuur ik Lars een appje.
Leon: Welterusten, Lars. Tot morgen.
Bijna meteen krijg ik reactie:
Lars: Slaap lekker, tot morgen.
Leon: Dat lekker slapen zal wel lukken.
Lars: Bij mij ook. Tot morgen.
Leon: Tot morgen.

Als ik dat gedaan heb denk ik na over wat er vandaag allemaal is gebeurd. Hoe kijk ik eigenlijk naar Lars? Is dit verliefd zijn? Het antwoord komt niet als een bliksemflits, maar als iets dat er al langer zat en nu eindelijk gedacht durft te worden: ja. Ik ben heel vaak met mijn gedachten bij hem. Ik begin steeds meer om hem te geven.

De volgende morgen ben ik vroeg wakker. Ik pak meteen mijn telefoon. Lars is mij alweer voor.
Lars: Goedemorgen, Leon.
Leon: Goede morgen, lieve Lars.
Het blijft even stil.
Lars: Wil je dat herhalen?
Leon: Goede morgen, lieve Lars.
Lars: Ook goede morgen, lieve Leon.
Leon: Ik heb nagedacht. Ik geef veel meer om je dan een paar dagen geleden.
Lars: Ik vind het geen probleem. Als het maar vanuit jou komt.
Leon: Dat is helemaal het geval, lieve Lars.
Lars: Dat doet me heel veel, lieve Leon.
Leon: Ik moet zo werken. We spreken elkaar.
Lars: Een prettige dag, wees voorzichtig, lieve Leon.
Leon: Een prettige dag, lieve Lars.

Met een hoera-gevoel stap ik op de fiets naar het strand. Ondanks de regen. Ondanks de harde wind. Ondanks mijn regenpak, dat weer overal plakt. Ik fiets alsof ik vleugels heb. Ik ben verliefd. Verliefd op Lars. Mijn Lars.