Pagina 1 van 1

Tussen de golven. Deel 7.

Geplaatst: zo 09 aug 2026, 06:24
door Wimmie
De volgende ochtend ben ik wakker voordat de wekker ook maar de kans krijgt om te piepen. Een paar seconden weet ik niet waar ik ben. Dan komt alles terug: gisteren na half vijf, Lars, zijn bekentenis, het gesprek thuis, mijn eigen woorden die eindelijk hardop waren gezegd. Ik voel me alsof er iets zwaars van me af is gegleden. Tegelijk ligt er iets nieuws op mijn borst. Vandaag wil ik het Daan vertellen. Mijn beste vriend. Degene die mij al jaren kent, soms beter dan ik mezelf ken. Juist daarom maakt het me zenuwachtig. Wat als hij anders naar me kijkt? Wat als er iets verandert dat ik niet meer terug kan draaien?

Mijn telefoon licht op. Een berichtje van Lars.
Lars: Goedemorgen. Nog steeds opgelucht?
Ik zie dat hij online is en reageer meteen.
Leon: Ja. Ook bang. Een beetje.
Lars: Voor mij?
Leon: Nee. Voor Daan. Ik wil het hem vandaag vertellen.
Lars: Wil je dat ik in de buurt ben?
Leon: Nee. Dit moet ik zelf doen. Maar daarna wil ik direct naar jou komen.
Lars: Je kunt het. Gisteren heb je dat al bewezen.
Leon: Ik kom zo naar je toe. Tot dan.
Lars: Tot straks.

Ik douche, kleed me aan en ga naar beneden. Mijn ouders zitten aan tafel alsof het een gewone ochtend is. Misschien is het dat voor hen ook. Voor mij niet.

Ik zit nog niet of mijn moeder kijkt over haar mok heen naar me.
“Komt Lars vandaag ook langs?” vraagt ze, alsof ze informeert of ik nog hagelslag wil.
“Mam…”
“Wat? Ik toon belangstelling voor je sociale leven.”
Mijn vader kijkt op van zijn koffie. “Dat doet ze bij mij al jaren. Wen er maar aan.”
Ik glimlach, maar mijn vingers draaien om mijn glas. “Ik ga straks naar Lars. Jij hebt hem al gezien, mam. Zijn familie kent mij nog niet.”

Na het eten vertrekken mijn ouders naar hun werk. Zodra de voordeur dichtvalt, is het ineens stil in huis. Te stil. Ik pak mijn telefoon en open het gesprek met Daan. Mijn duim blijft boven het scherm hangen voordat ik begin te typen.
Leon: Ben jij thuis?
Daan: Ja. Waarom?
Leon: Kan ik straks even langskomen?
Daan: Natuurlijk. Moet ik me zorgen maken?
Leon: Geen zorgen. Het is wel belangrijk.
Daan: Je gaat me eindelijk vertellen dat je homo bent?
Ik staar naar het scherm. Mijn hart slaat een keer over. Hoe kan hij dat zomaar typen?
Daan: Leon?
Leon: Hoe kom je daarbij?
Daan: Omdat ik je ken. Al heel lang.
Leon: Dat is geen antwoord.
Daan: Je praat nooit over meisjes. En als anderen dat wel doen, kijk jij alsof je de ondertiteling mist.
Leon: Ik praat ook nooit over jongens.
Daan: Klopt. Dat is juist het punt.
Daan: Maar als ik fout zit, zeg dat gewoon.
Mijn vingers trillen een beetje als ik typ.
Leon: Je zit niet fout.
Er verschijnen drie puntjes. Ze verdwijnen. Komen terug. Verdwijnen weer. Dan pas komt zijn antwoord.
Daan: Dank je wel dat je het zegt.
Leon: Lars weet het. Een jongen die ik ken via de reddingsbrigade. Ik ga zo naar hem toe.
Leon: Mijn ouders weten het ook. Allemaal sinds gisteren. En nu jij.
Daan: Dan heb je gisteren en vandaag meer lef gehad dan ik in een hele maand.
Daan: En voor de duidelijkheid: voor mij blijf je gewoon Leon.
Ik adem uit. Pas dan merk ik dat ik mijn adem had ingehouden.
Leon: Gelukkig. Ik was bang dat het lastig zou worden.
Daan: Alleen als jij ineens heel dramatisch gaat doen. Neen, dat deed je toch al.
Leon: Bedankt, hè.
Daan: Graag gedaan. En nu: wie is Lars precies?
Leon: Een jongen die ik uit zee heb gered. Hij is verliefd op mij.
Daan: Wacht. Jij redt iemand uit zee en krijgt er meteen een liefdesverhaal bij?
Leon: Blijkbaar.
Daan: Daar wil ik alles van weten. Maar ga eerst maar naar hem toe. Kom binnenkort langs, ja?
Leon: Beloofd. Dank je wel.

Ik leg mijn telefoon op tafel. De spanning is niet helemaal weg, maar ze is veranderd. Minder scherp. Alsof Daan een deur heeft opengezet waarvan ik dacht dat hij op slot zat.

Buiten regent het nog steeds. De wind trekt aan mijn regenpak zodra ik op de fiets stap. Normaal zou ik mopperen, maar vandaag trap ik harder dan nodig is. Lars woont gelukkig niet ver weg. Als ik de oprit oprijd, gaat de voordeur al open. Hij heeft me zien aankomen.
“Zet je fiets maar achter,” roept hij. “Dan kun je daar ook je regenpak uitdoen.”

Lars haalt me bij de achterdeur op. In de bijkeuken drupt mijn regenpak op de tegels. Daarna lopen we door de keuken naar de woonkamer. Daar zit, op zijn ouders na, de hele familie. In één seconde voel ik me bekeken door drie paar ogen. Het meisje herken ik meteen als zijn tweelingzus.
“Leon,” zeg ik, en ik steek mijn hand uit.
“Lara,” zegt ze.
Ik kijk van haar naar Lars. “Lars en Lara? Eén letter verschil?”
“Ik ben de oudste,” zegt Lara. “De a komt eerder dan de s.”
“Hoeveel minuten?” vraag ik.
Lars zucht. “Daar gaan we.”
“Vijf,” zegt Lara trots.
“Duidelijk jouw ‘een stuk oudere’ zus,” zeg ik tegen Lars.
Er wordt gelachen. De spanning in mijn schouders zakt een klein stukje.

Op de bank zitten twee jongens: eentje ongeveer van mijn leeftijd, misschien iets ouder, een andere jongen van een jaar of veertien.
Ze stellen zich voor als Karst en Marc. Karst is ruim zeventien, Marc veertien. Marc kijkt alsof hij al drie opmerkingen klaar heeft liggen.
“Dus,” zegt Lara, “ben jij Lars’ nieuwe vriendje?”
De kamer wordt net iets te stil. Ik voel Lars naast me verstijven. Niet afwijzend reageren, denk ik. Niet vluchten.
“Nog niet,” zeg ik.
Lara trekt haar wenkbrauwen op. “Kritisch type?”
“Wordt dat een probleem?”
“Juist niet. Lars is mijn tweelingbroer. Beter krijg je niet.”
“Ik zal het meenemen in mijn beoordeling.”
“Je krijgt Lara er niet bij,” zegt Marc droog.
Karst grijnst. “Wat zou Leon aan Lara hebben?”
“Kunnen we naar boven?” vraag ik aan Lars, terwijl mijn gezicht warm wordt.
“Anders zijn ze nooit zo, hoor.” zegt Lars haastig.
“Dat geloof je zelf niet,” zeg ik.

“Welkom in mijn familie,” zegt Lars zodra de kamerdeur achter ons dichtvalt.
“Kunnen we even blijven luisteren of ze mij goedkeuren?” vraag ik.
“Ze keuren je goed.”
“Omdat jij dat hebt opgedragen?”
Lars glimlacht, maar zijn stem wordt zachter. “Omdat ze zien wat ik zie.”

Op zijn kamer kijk ik rond. De kamer is kleiner dan die van mij, maar warm en netjes. Er liggen boeken op een rij, een natte handdoek ontbreekt, zelfs zijn bureau lijkt georganiseerd.
“Hoe lang ben je vanmorgen bezig geweest met opruimen?” vraag ik.
“Niet. Als je me beter kent, weet je dat ik van nature netjes ben.”

Ik ga op zijn bed zitten. Lars komt naast me zitten, dicht genoeg om zijn knie tegen de mijne te voelen.
“Vertel,” zegt hij. “Hoe ging het gisteravond thuis?”
Ik vertel hem alles. Daarna ook over Daan. Terwijl ik praat, kijkt Lars niet weg. Alsof ieder woord veilig bij hem kan landen.
“Jij loopt hard van stapel,” zegt hij zacht.
“Ik denk dat jij daar iets mee te maken hebt,” zeg ik. Voor ik er langer over kan nadenken, buig ik naar hem toe en kus hem. Kort. Op zijn mond.
Lars kijkt verrast, maar niet geschrokken. “Dat wilde ik al vanaf het moment dat je binnenkwam.”

Ik kus hem opnieuw. Deze keer kus ik hem langer. Mijn hand vindt voorzichtig zijn schouder. Hij blijft stil zitten, alsof hij wacht tot ik zeker weet dat ik niet terugschrik.
“Weet je zeker dat je dit wilt?” vraagt hij zacht.
“Ja,” antwoord ik, al klinkt ook mijn stem zachter dan ik had bedoeld. Ik buig weer naar hem toe. Deze kus is minder voorzichtig dan de vorige. Lars wacht nog heel even, alsof hij mij de ruimte geeft om terug te trekken, en dan kust hij terug.
Even bestaat de kamer alleen nog uit ademhaling, regen tegen het raam en de warmte van zijn hand vlak bij de mijne. Als ik me uiteindelijk losmaak, moet ik lachen omdat ik niet goed weet wat ik anders moet doen.

“Wauw,” zeg ik. “Ik wist niet dat zoenen zo… veel kon zijn.”
Lars glimlacht, maar zijn blik blijft serieus. “Rustig aan,” zegt hij. “Ik wil niet dat je iets doet omdat het moment sterker is dan jij.”
Die zin raakt me meer dan ik verwacht. Niet omdat hij afremt, maar omdat hij het voor míj doet. “Ik wil dit wel,” zeg ik. “Alleen… niet alles tegelijk.”
“Dan houden we het hierbij,” zegt Lars. “En als jij stopt, stoppen we. Meteen.”

Daarna praten we over school, omdat dat veiliger voelt. Lars vertelt dat hij naar 5 vwo gaat en dat hij altijd snel door zijn schoolwerk heen is. Ik vertel dat ik komend schooljaar eindexamen gymnasium doe, maar dat het me niet allemaal vanzelf afgaat. Bij hem klinkt leren alsof het iets is wat je gewoon doet. Bij mij voelt het vaker als zwemmen tegen de stroming in.

Toch dwalen mijn ogen steeds naar zijn mond. Ik probeer op te letten bij wat hij zegt, maar op een gegeven moment geef ik het op en kus hem opnieuw. Lars kijkt me daarna vragend aan.
“Sorry,” zeg ik, al meen ik daar weinig van. “Ik kan het niet laten.”
“Ik klaag niet,” zegt hij. Precies op dat moment klinkt er van beneden een stem.
“Eten!” roept Lara. “En als jullie boven heel romantisch zitten te doen, hoeven wij het niet te weten!”
Lars laat zijn hoofd achterover vallen. “Ik verhuis.”
“Naar mijn huis?” vraag ik.
Hij kijkt me even aan. “Pas op. Straks zeg ik ja.”

Beneden staat de tafel vol. Broodjes, soep, salade, beleg, drinken; het ziet eruit alsof er elk moment nog tien mensen kunnen aanschuiven.
“Eten jullie altijd samen en zo veel?” vraag ik terwijl ik plaatsneem naast Lars.
“Wie thuis is, eet mee; je bent bovendien verplicht trek te hebben.” zegt Marc. “Dat is de wet.”
“Gezellig,” zeg ik.
Karst kijkt op. “Bij jullie niet?”
“Ik heb geen broers of zussen,” zeg ik. “Dus samen eten is bij ons meestal gewoon met z’n drieën. En ’s middags door de week alleen.”
“Saai,” zegt Lara meteen.
“Ik weet niet anders,” zeg ik. “Maar dit is wel heel gezellig. Al vraag ik me af hoe vaak jullie ruzie maken.”
“Nooit,” zegt Karst plechtig.
Lara en Lars schieten allebei in de lach.
“Als er iemand ruzie maakt, is het Marc,” zegt Lara.
Marc wijst met zijn lepel naar haar. “Dat heet zelfverdediging.”
“Jij ziet er anders heel onschuldig uit,” zeg ik tegen Marc.
“Pas op,” zegt hij. “Dat is precies mijn gevaarlijkste kant.”

Tijdens het eten gaat het zo door. Lara plaagt, Marc kaatst terug, Karst gooit er af en toe een droge opmerking tussendoor en Lars probeert te doen alsof hij zich schaamt, maar ik zie dat hij geniet. Ik ook. Meer dan ik had verwacht.
“Dit ga ik morgen missen,” zeg ik als Lara voor de derde keer doet alsof ze Marcs bord wil afpakken.
“Dan kom je morgen toch weer,” zegt Marc, alsof dat de meest logische oplossing ter wereld is.
Lars kijkt hem verbaasd aan. “Dat is een compliment, Leon. Marc nodigt bijna nooit iemand vrijwillig uit.”
“Weet je dat zeker?” vraag ik aan Marc. “Straks ga ik denken dat je me aardig vindt.”
Marc schuift zijn stoel een stukje naar achteren. “Ik trek dat aanbod weer in.”
Lars gaat overdreven beschermend iets dichter bij me zitten. “Te laat. Er zijn getuigen.”

Voor nu voelt het alsof ik nergens op hoef te letten. Niet op mijn woorden, niet op mijn houding, niet op de vraag of iemand iets aan me ziet. Ik mag er gewoon zijn.
Later die middag zitten Lars en ik weer op zijn kamer. We praten, lachen en af en toe kust een van ons de ander. Iedere keer voelt het iets minder nieuw en tegelijk juist gevaarlijker, omdat ik merk hoe snel ik eraan zou kunnen wennen.

Aan het eind van de middag leun ik tegen zijn bureau. “Ik wil nog niet verder dan dit,” zeg ik. “Niet omdat ik niet wil. Maar omdat ik mezelf moet bijhouden.”
Lars knikt meteen. “Dan gaan we niet verder dan dit.”
“Hoe vond je het vandaag?” vraagt hij daarna.
“Gezellig,” zeg ik.
“Alleen gezellig?”
Ik glimlach. “Nee. Ook fijn. En spannend. En soms een beetje eng.”

“Morgen bij jou?” vraagt Lars.
“Morgen bij mij,” zeg ik. “Ik heb nog één dag vrij. Daarna moet ik drie dagen werken.”
Als we beneden komen, is Lars’ moeder inmiddels thuis. Lars blijft naast me staan, iets rechter dan daarnet.
“Mam, dit is Leon,” zegt hij. “Hij heeft mij gered.”
Zijn moeder geeft me een warme hand. “Ik heb het verhaal gehoord. In mijn ogen ben je een held.”
“Zo voelt het niet,” zeg ik. “Ik deed wat ik geleerd heb. En wat Lars straks ook leert.”
“Dan kan hij zichzelf de volgende keer redden,” zegt Marc vanaf de bank.
“Of hij zorgt dat Leon weer in de buurt is,” zegt Lara.
Lars kijkt haar waarschuwend aan, maar ik moet lachen. Deze keer voelt de plagerij niet als iets waar ik doorheen moet. Het voelt alsof ik er al een beetje bij hoor.

Buiten is de regen bijna opgehouden. Bij mijn fiets blijf ik even staan. Lars staat naast me, zijn handen in zijn zakken.
“Tot morgen,” zegt hij.
Ik stap nog niet op. In plaats daarvan rijd ik mijn fiets een stukje dichter naar hem toe en geef hem een korte zoen. Deze keer kijk ik niet eerst om me heen.
“Tot morgen,” zeg ik.
Als ik wegfiets, voel ik de wind nog steeds tegen mijn gezicht. Maar dit keer duwt hij me niet terug. Hij lijkt me vooruit te helpen.