Pagina 1 van 1

Tussen de golven. Deel 1.

Geplaatst: ma 03 aug 2026, 06:25
door Wimmie
Hier heb ik jaren naartoe gewerkt: als lifeguard aan het strand meedraaien met de reddingsbrigade. Ik woon niet aan zee, maar zo’n tien kilometer landinwaarts. Toch hebben we een reddingsbrigade Daar ben ik al lid sinds ik klein was. Eerst leerde ik er zwemmen en haalde ik mijn A-, B- en C-diploma. Daarna volgden junior redder, zwemmend redder en uiteindelijk lifesaver, het hoogst haalbare diploma. Met dat diploma kun je solliciteren bij de strandbrigade. Dat heb ik gedaan. Gelukkig ben ik aangenomen.

Morgen draai ik voor het eerst een dienst mee. Om half negen moet ik me melden bij de toren, de wachtpost op het strand. Daar word ik voorgesteld aan de ploeg en werk ik tot vier uur ’s middags. Ik vind het spannend, maar vooral ook bijzonder dat het eindelijk zover is.

Ik ben Leon, zeventien jaar en zit nog op de middelbare school. Het gaat goed op school, maar vanzelf gaat het nooit. Voor goede cijfers moet ik werken, plannen en soms gewoon koppig doorgaan.

Zwemmen is altijd anders geweest. In het water hoef ik niet te praten, niet grappig te zijn en niet op te vallen. Ik hoef alleen maar te ademen, mijn slag vast te houden en door te gaan. Bij onze lokale reddingsbrigade train ik twee keer per week om mijn conditie te verbeteren. Als ik de kans krijg, ga ik daarnaast een keertje extra banen zwemmen.

In de zomer ben ik soms in zee te vinden. Toch is deze eerste dienst iets anders dan een gewone dag zwemmen in zee. Ik ben van plan op tijd naar bed te gaan, zodat ik morgen fit begin. Tegelijk vraag ik me af wat ik allemaal zal tegenkomen.

Vooral dat laatste maakt me zenuwachtig: als lifeguard sta ik meer in de belangstelling dan ik gewend ben. Ik ben meestal de jongen die niet meteen wordt opgemerkt. In de klas heb ik mijn plek, maar niet bij de populaire groep; eerder aan de rustige kant, waar je niet te veel vragen krijgt. Met de meeste sporten ben ik niet bijzonder goed, maar zwemmen ligt me. Daar kan ik iets laten zien zonder veel te hoeven zeggen. Ik hoop dat ik als lifeguard kan groeien. Dat iemand ziet dat er meer in mij zit dan op het eerste gezicht lijkt.

Ik bang bang om fouten te maken. Fouten voelen voor mij al snel als zwakte, en zwak wil ik niet zijn. Ik heb vast allerlei redenen waarom ze me zwak zouden kunnen vinden. Dat zit me dwars. Ik praat daar niet met anderen over. Zelfs niet met Daan, mijn beste vriend, met wie ik heel veel bespreek.


Vandaag is het dé dag. Ik ben veel te vroeg wakker. Om kwart voor acht moet ik vertrekken, dus zeven uur opstaan was ruim op tijd geweest. Om zes uur ben ik al klaarwakker. Mijn moeder is zoals altijd vroeg beneden en mijn vader wenst me succes voordat hij om half acht de deur uitgaat. Ik neem een flinke stapel brood mee, want zeelucht maakt hongerig. Het belooft een mooie dag te worden: drieëntwintig graden, nauwelijks wind in de ochtend en later iets meer. In mijn rugzak zit zonnebrand met de hoogste factor.

Als ik wegfiets, is het al aangenaam buiten. Bij de wachtpost ben ik te vroeg, maar er zijn al twee teamleden aanwezig. Ze heten me hartelijk welkom en geven me eerst een map om door te lezen. Daarna wordt uitgelegd wat er van me verwacht wordt. Ik word gekoppeld aan Thijs, die twintig jaar is en al drie jaar lifeguard. Hij zal me inwerken en met hem zal ik de hele periode meelopen.

Omdat het nog rustig is op het strand, heeft Thijs alle tijd om me wegwijs te maken. Hij waarschuwt dat het gezien het weer snel drukker zal worden, maar doet dat zonder me zenuwachtig te maken. Ik krijg een korte broek en een shirt in de kleuren van de reddingsbrigade, met duidelijk het woord lifeguard erop. In de kleedcabine krijg ik ook een kluisje. Als ik ben omgekleed, stelt Thijs voor een selfie van ons samen te maken. “Ik weet nog precies hoe spannend ik mijn eerste dag vond,” zegt hij. “Ik denk dat jij er ook zo in staat.” Daarna geeft hij me een fluit en een waterdichte portofoon. Door de manier waarop hij het doet, voelt het minder alsof ik getest word en meer alsof ik erbij mag horen.

We lopen samen het bewaakte strand af, zodat ik weet waar onze zone begint en eindigt. Er zijn drie teams van twee personen: twee teams houden ieder een zone op het strand in de gaten, het derde blijft op de toren. Om de zoveel uur wisselen we. De zones zijn groot en worden vooral benut door gezinnen met kinderen. Thijs legt uit wanneer we met een rescue tube of drijver lopen en waar bij hardere wind stroming kan ontstaan. Bij de boot blijven we even staan. “Daar gaan we vandaag ook mee varen,” zegt hij. “Dan leer je die meteen kennen. Het kan ingewikkeld zijn als er veel mensen in het water zijn, maar soms is het nodig.”

Als we weer bij de toren zijn stelt Thijs me voor aan de rest van het team. Op het strand lopen Joost en Karin. Op de toren zitten Anette en Astrid. Het is toevallig een jong team vandaag, vertelt Thijs, al zijn er binnen de brigade ook oudere leden actief.

Langzaam wordt het drukker. Steeds meer mensen gaan het water in en de wind neemt toe, precies zoals was voorspeld. Thijs wijst me erop dat mensen op een luchtbed of in een zwemband afhankelijk van de windrichting kunnen afdrijven. Terwijl hij praat, probeer ik niet alleen te luisteren, maar ook echt te kijken: waar kinderen spelen, waar ouders hun aandacht verliezen, waar iemand net iets te ver naar buiten drijft

Onze eerste actie betreft een huilend meisje van een jaar of vier dat haar ouders kwijt is. Een andere moeder brengt haar bij ons. Thijs gaat direct door zijn knieën en stelt haar gerust. Als ze iets rustiger is, vraagt hij hoe ze heet. “Astrid,” zegt ze zacht. Via de portofoon geeft Thijs aan de toren en het andere strandteam door dat we haar gevonden hebben. Omdat haar ouders nog niet bij de toren zijn, wordt er omgeroepen dat ze daarheen kunnen komen. Samen lopen we met Astrid richting toren, terwijl we om ons heen kijken. Na een paar minuten zie ik een vrouw zoekend over het strand lopen. Ik wijs haar aan en Astrid roept meteen: “Mama!” Ze rent naar haar toe. De moeder verontschuldigt zich meerdere keren, maar Thijs reageert rustig. “Mevrouw, op het strand kan dat gebeuren.” Daarna haalt hij een kleine knuffel uit zijn rugzak en geeft die aan Astrid. “Voor de schrik,” zegt hij. Haar tranen zijn meteen vergeten.

We vervolgen onze ronde langs de vloedlijn. Ik stel Thijs allerlei vragen, maar blijf ondertussen naar het water kijken. Heel druk is het nog niet en de golven zijn laag, wat het overzichtelijk maakt. Dan zie ik twee jongens opvallend ver de zee in zwemmen. Eerst twijfel ik of ik iets moet zeggen. Misschien zie ik gevaar waar het niet is. Maar de afstand tussen hen en de kust blijft groeien, en mijn blik gaat steeds weer naar dezelfde plek terug.
“Zie je die twee jongens daar?” vraag ik. “Moeten we daar iets mee?”
“Goed gezien,” zegt Thijs. “Je zag het eerder dan ik. Wat denk je zelf?”
“Ik weet het niet. Ze zwemmen steeds verder, maar ik kan niet inschatten of het gevaarlijk is.”
Thijs wijst naar de golfbrekers. “Problemen ontstaan hier vaak door stroming langs een golfbreker. Waar zwemmen ze precies?”
“Mooi in het midden tussen twee golfbrekers,” antwoord ik.
“Precies. Waarschijnlijk weten ze wat ze doen. Maar dit is een goed moment om de boot te gebruiken. Het is nog redelijk rustig, er staat weinig wind en de branding is laag.”

We lopen naar de boot, terwijl ik de jongens in de gaten houd. Samen schuiven we de boot het water in. Thijs bestuurt, ik zit voorin en let op zwemmers voor ons. Het geluid van de motor, het opspattende water en de afstand tot het strand maken alles ineens echter. Dit is geen oefening in het zwembad meer. Als we in de buurt van de jongens zijn, roept Thijs dat ze wel erg ver de zee in zijn.

“Dat kunnen wij wel,” roept een van hen terug. “We zwemmen vaker in zee, alleen niet hier. We zijn bewust midden tussen de golfbrekers gebleven en gaan zo terug.”
“Helemaal goed,” zegt Thijs. “Ik wilde alleen zeker weten dat jullie wisten wat jullie deden.”
Daarna varen we nog een rondje, terwijl hij mij de procedures van de boot vertelt. Vlak bij de kant klapt hij de motor omhoog, springen we eruit en slepen we de boot weer op het strand.

Terug bij de boot legt Thijs uit dat ik deze winter cursussen kan volgen tot IRB Crewman en daarna tot IRB Driver of schipper. IRB staat voor Inflatable Rescue Boat. Hij heeft beide opleidingen gedaan en raadt ze me aan. Ik merk dat ik er nu al zin in heb.

Een uur later komen de twee jongens naar ons toe. Ze zijn ongeveer vijftien en vragen hoe je bij de lifeguards kunt komen. Ik vertel dat ik vandaag voor het eerst meedraai, dat ik al jaren bij de reddingsbrigade zit, daar mijn diploma’s heb gehaald en zo uiteindelijk hier terecht ben gekomen. De jogens blijken in Zeeland te wonen, vlak achter de duinen. Zij zwemmen regelmatig samen in zee. Ik adviseer hen thuis te kijken of er een afdeling van Reddingsbrigade Nederland in de buurt is. Een van hen zoekt het meteen op zijn telefoon en vindt er inderdaad een. Ze bedanken ons en slenteren daarna verder.

Inmiddels is het echt druk op het strand. Omdat er nog steeds nauwelijks wind staat, blijft de zee rustig. Ik vraag Thijs of er onder deze omstandigheden ook stroming bij de golfbrekers kan ontstaan.
“Nu denk ik van niet,” zegt hij. “Het is vloed en met dit weer is de kans klein. Als het eb wordt kan het anders zijn.”

Ik vraag of hij weleens echt iemand heeft moeten redden. Thijs haalt zijn schouders op. “Jazeker, regelmatig. Dat geldt eigenlijk voor iedereen hier. Meestal weet je niet wat er gebeurd zou zijn als je er niet was geweest. Daar moet je niet te lang over nadenken. Wij doen ons werk, en daardoor is het strand veiliger.”

Onze volgende dienst is op de toren. Daar kunnen we ook eten, terwijl we uitkijken over zee. Van bovenaf lijkt het strand overzichtelijker, maar juist daardoor valt elke afwijking op. Dan zie ik iemand bij een golfbreker die niet meer lijkt te kunnen staan en vreemd beweegt. Ik blijf ernaar kijken, wacht één seconde en wijs Thijs er dan op. Hij pakt meteen de mobilofoon en waarschuwt het strandteam. We zien hoe ze ernaartoe rennen. Karin geeft haar spullen aan Joost, trekt snel haar shirt uit en zwemt met krachtige slagen naar de persoon toe. Even later blijkt dat die op eigen kracht mee terug kan. Via de mobilofoon horen we dat het loos alarm was.

“Is dat erg?” vraag ik.
“Hoe bedoel je?” vraagt Thijs.
“Dat ik misschien voor niets alarm heb geslagen.”
“Voor niets?” Thijs kijkt me aan. “Hoe weten we dat er niets aan de hand was?”
Ik denk even na. “Doordat er iemand naartoe is gezwommen.”
“Precies. Dus was het niet voor niets. Je hebt goed opgelet.”
Ik knik. “Ik begrijp je.” En terwijl ik dat zeg, merk ik dat het ook echt zo is. Niet omdat ik ineens zeker weet dat ik alles goed zal doen, maar omdat Thijs me laat zien dat opletten belangrijker is dan perfect zijn.
“Zo dacht ik de eerste keren ook,” zegt Thijs. “En Karin was blij dat ze kon gaan kijken. Dat hoort erbij.”
“Zou jij dat ook hebben gedaan?” vraag ik.
“Nu nog wel,” antwoordt hij. “Maar heel snel vraag ik jou dat te doen.”

De rest van de middag lopen we weer over het strand, nu over de andere helft van het bewaakte gebied. Er gebeurt verder niets bijzonders. Als we aan het einde van de dienst teruglopen naar de toren, noemt Thijs het een rustige dag.
“Ik vond het heel leuk,” zeg ik.
Thijs glimlacht. “Dan zie ik je morgen weer?”
“Helemaal,” antwoord ik. “Graag.” Pas als ik dat zeg, merk ik hoe waar het is. Vanmorgen was ik vooral bang dat ik zou opvallen door wat ik verkeerd deed.
“Tot morgen, Leon. Het is leuk om met jou samen te werken.”
Als ik naar huis fiets heb ik het gevoel dat ik juist mag opvallen door wat ik wél kan.