Pagina 1 van 1

Instinct

Geplaatst: do 18 jun 2026, 10:16
door Jablan
Hier een korte toelichting en de Nederlandse namen van een aantal planten.

Instinct – 1 Elmo – Loslaten

Het woud vliegt langs Elmo’s ogen. De grond is zacht, vol met bladeren en laag groen, veert onder zijn poten. Zo rennen doet geen pijn. Zijn passen zijn snel en regelmatig, volgen een eigen ritme. Moeiteloos springt hij over lage takken. Struikelen zal niet gebeuren, daarvoor ziet hij te goed, te scherp. De tegenwind blaast de lucht met kracht zijn longen binnen en verwent zijn neus met de geuren van mos, blad en allerlei bosbewoners.

Is hij zelf op jacht of wordt hij opgejaagd?

Het voelt goed om te rennen. Elke stap echoot na door zijn hele lichaam, moedigt hem aan door te gaan, niet op te geven, nooit te stoppen. Opeens trekt iets zijn aandacht en hij remt af. Dat wil hij verder onderzoeken. Zijn klauwen laten sporen in de grond achter.

Een diep keelgeluid is het volgende. Het klinkt meer naar een gelukkige grom dan een menselijke stem. Het geluid komt van ver. Zijn spieren spannen zich aan, terwijl een warme deken zich over hem uitrolt. De kleine luchtstroom over zijn nek voelt vertrouwd. Een ander lichaam maakt contact. Opnieuw het grommende geluid. Komt het nu van hemzelf of van de ander? Als het van hem zelf is, dan vanuit zijn onderbuik. De warmte verovert zijn hele lichaam, voelt vurig en tegelijk rauw, versterkt zich met elke kreun, houdt hem vast, geeft hem kracht, prikkelt zijn verlangen naar meer. De spieren in zijn dijbenen branden, zijn hartslag verdubbelt. De aanraking is intens. Niet meer denken, alleen nog voelen. Zijn tanden doen pijn, alsof ze willen bijten. Zijn handen jeuken, alsof ze willen grijpen. Zijn geest heeft honger, is vol verlangen en wil meer.

Het licht tussen de bomen trekt glinsterende strepen over de bodem.

Nu zijn zijn spieren maximaal gespannen, op het pijnlijke af en verkrampen. Het laatste moment is het meest intens, duurt eindeloos. Is het een blikseminslag of een orkaan, die over hem weg rolt?

Zijn lichaam weet allang waar het heen wil, terwijl zijn geest er hijgend achteraan sjokt, in een poging om bij te blijven. Wat het ook is, het zal hem compleet zal maken.

„Elmo!“

Een scherpe stem, vreemd en toch ... echt?

Hij schrikt wakker, zijn hoofd komt los van het kussen en hij haalt te snel, te diep adem. Zijn lichaam is warm, nat van zweet en onder de deken ontdekt hij een stevige erectie. Aangezien hij alleen in bed is, is die van hemzelf. Hij is wakker.

Knipperend met zijn ogen, tegen het licht langs de gordijnen, probeert hij zich te herinneren wie hij is en waarom hij op dit moment zich voelt, alsof hij net iets heeft verloren, dat nooit van hem was.

Zijn lichaam wil de warmte van eerder vasthouden, nog steeds. Het kloppende gevoel in zijn buik dringt zich op, ongeduldig, begeleidt door een ongemakkelijk gevoel tegen het dekbed. De nevel in zijn brein, veroorzaakt door alle opwinding, laat maar één gedachte door. Alweer!

Deze droom bezoekt hem niet voor het eerst, maar komt de laatste weken in onregelmatige afstanden en verschillende variaties vaker langs. Elke keer met die speciale warmte en een jacht. De ene keer is hij de jager, een andere keer de prooi. De dromen zijn onverklaarbaar aantrekkelijk. Het goede gevoel daarna overheerst.

Iets in hem wil lopen, draven, rennen, jagen. Zodra hij zijn ogen sluit, ontwaken de beelden en houden hem in een ijzeren greep. Geen enkel idee wat ermee te doen. Zou hij nog klein zijn, zou hij zijn Oma waarschijnlijk van zijn imaginaire nachtelijke avonturen hebben verteld. In haar wijsheid zou ze vol begrip knikken en overal een antwoord op hebben of een verklaring voor geven. Maar hoe zou hij zo’n gesprek op gang brengen?

‘Weet je, ik word de laatste tijd badend in het zweet wakker en ben doorlopend opgewonden. Weet jij waar dat vandaan komt?’

Het soort gesprek, dat hij liever nooit met zijn Oma Alda wil voeren.

„Elmo!“

Mama’s stem wordt gedempt door de akoestiek in huis, klinkt dringender dan nodig.

„Je komt nog te laat op je werk.“

Met een zachte kreun van ergernis wrijft hij over zijn ogen. De echte wereld vormt een vervelend contrast met de beelden van de nacht, die nog enthousiast rondspoken in zijn hoofd.

Met een stevige vloek schuift hij het dekbed opzij, gaat op de rand zitten en bekijkt zichzelf. De erectie is nog steeds op het pijnlijke af aanwezig. Een kleine paniekaanval meldt zich.

‘Laat alsjeblieft, alsjeblieft nu niemand binnenkomen.’

Zonder te bewegen luistert hij naar de geluiden in huis. Geen voetstappen op de trap, hij heeft nog even om zich te concentreren op zijn ademhaling en zijn gedachten in een andere richting te sturen. Vooral weg van de emotionele chaos, die de dromen elke keer achterlaten.

Waaraan hij deze dromen vol passie en hartstocht heeft verdiend, weet hij simpelweg niet. Tot nu toe ontbrak het hem aan interesse. Twee zoenende klasgenoten? Het deed hem niets. Bij het woord ‘seks’ ging zijn fantasie direct op vakantie in plaats van hem te helpen erover na te denken.

Tijdens wiskunde merkte hij wel de glurende blikken op, maar zag er alleen een vraag in om zijn aantekeningen te kopiëren. Zelf had hij geen behoefte om het lichaam van anderen uitgebreid, van dichtbij te bestuderen. Wiskunde was voor hem veel eenvoudiger, dichter bij hem, toegankelijk door de duidelijke getallen, rekenregels, formules en aanvullende instructies. Met een gewone omgang was hij al tevreden en van hem hoefde het nooit verder te gaan, niet op het diepere niveau, dat sommigen met elkaar deelden.

Maar goed, dit alles is al bijna een jaar voltooid verleden tijd. Hij heeft braaf zijn diploma gehaald en is daarna doorgegaan met ademhalen, zonder een seconde spijt over of verlangen naar die tijd van zijn leven. Het meest uitgebreide contact is tegenwoordig een groet in het voorbijgaan, wanneer hij toevallig mensen van vroeger in de stad tegenkomt en herkent.

Op zijn werk, in een café, is hieraan niets veranderd. Beleefd en vriendelijk zijn is zijn tweede natuur. Soms is er een blik, soms een glimlach. Hij ziet het en weet niet wat ermee te doen. Teruglachen? Ergens anders heen kijken? Meestal doet hij het eerste en gaat naar de gast. Vooral uit gewoonte, zodat niemand hem kan beschuldigen van slechte omgang. Zijn favoriete gespreksonderwerpen zijn de koffie en het gebak van de dag.

Hierover nadenken laat hem zijn hoofd schudden. De dromen verwarren hem op een manier, zoals hij niet eerder heeft meegemaakt. Zijn donkere haren vallen in zijn ogen. Geërgerd haalt hij een hand door zijn haar. Gelukkig is zijn erectie grotendeels verdwenen. Afleiding geslaagd! Nu echt opstaan, de slaap uit zijn gezicht wrijven en de resten van de droom naar het spinnenweb te sturen, vlak onder het plafond van zijn kamer.

Een beetje tempo is nu nodig, voordat hij voor een derde keer wordt geroepen. Voor nu is een joggingbroek goed en een blik in de spiegel leert hem, dat zijn haren nog in slaapstand staan. Met een hand brengt hij er meer model in en gapend verlaat hij zijn kamer. Stilte begroet hem op de overloop, maar de geur van warm deeg hangt in de lucht. Het ruikt licht zoet en een klein beetje aangebrand. Alles zoals altijd. Uit de keuken beneden klinkt het geluid van servies, dat op elkaar wordt gestapeld.

Half slapend sjokt hij de trap af. De droom zit nog in zijn systeem – zijn voeten voelen zwaar aan, alsof ze drie marathons achter elkaar hebben gelopen en de dag van vandaag lijkt te helder, te glad, te realistisch.

In de keuken vindt hij een gedekte tafel met op een bord drie opgewarmde pannenkoeken. Vermoedelijk direct uit de supermarkt, want ze ruiken niet verbrand. Als garnering ligt er een forse klodder marmelade naast. Mama staat bij het fornuis met een kop koffie, die ze iets te stevig vasthoudt. Papa zit op de stoel bij het raam met een geopende krant en de leesbril laag op de neus, zodat hij beschermd is tegen de wereld, voor het geval die te dichtbij komt.

Elmo gaat aan tafel zitten en pakt een eerste pannenkoek. De stilte verraadt, dat iedereen iets wil vertellen, maar niemand de moed heeft om als eerste te spreken. In alle rust smeert hij wat marmelade uit over de deegwaar. Mama schraapt haar keel, „Je komt te laat op je werk, jongen.“

Hoewel ze vriendelijk klinkt, kan ze haar bezorgdheid niet verbergen, zoals altijd, wanneer ze wil, dat alles goed afloopt. Elmo kauwt, slikt alles door en reageert kalm, „Ik heb vrij vanwege de zegening en ... het Ritueel.“

De stilte kan niet luider zijn.

De krant ritselt en zakt langzaam omlaag. Papa kijkt over het papier heen met een rustige blik in de ogen achter de bril, tegelijk met zijn normale ernst, „Ik dacht, dat wij hadden afgesproken, dat je dat niet zou doen en je zou concentreren op het vinden van een plek op de universiteit.“

Elmo haalt zijn schouders op en houdt zijn ogen gericht op zijn ontbijt. De doordringende blik van Papa, waarachter altijd meer gedachten rondgaan zonder ooit in woorden uitgedrukt te worden, is op dit moment te veel.

„Ik twijfel nog.“

Mama zet haar kop het aanrecht en kijkt hem aan met een zachte, tegelijk radeloze blik, „Je hebt nog zoveel mogelijkheden. Je hebt een goed diploma, je kunt alle kanten op. Gisteren kwam ik mijn oude mentor tegen en heb hem over jou verteld. Hij zou enthousiast reageren, als jij hem je papieren stuurt en ik denk, dat je het daar naar je zin zou hebben.“

Elmo staart naar het bord en houdt de tanden van de vork in de versuikerde vruchtenbrij. Hoe te reageren? Vertellen dat alle opties hem niets doen? Vertellen dat hij zich leeg voelt, wanneer anderen over hun toekomstplannen praten? Oma Alda heeft hem verteld over het Ritueel en aan dat gesprek heeft hij een speciaal gevoel overgehouden, het eerste en enige in lange tijd. Kan hij dat kwijt bij zijn ouders? Zwijgen is op dit moment beter en veiliger.

Als kleine jongen heeft hij zich nooit afgevraagd of het Roedel bij hem past. Het was er gewoon, sprak voor zich en hoorde bij oma. De zonnevanger voor haar raam, die zacht geluid maakte, als de wind erlangs waaide. De kruidige geur van rook, aarde en warmte in haar kleren. Het gelach van kinderen, die op blote voeten door de tuin liepen. Of het zwijgen van de ouderen, niet afwijzend, eerder een soort meditatie. Vroeger had dit allemaal een betekenis en gaf Elmo zin in het leven. Met elk nieuw jaar werd dit gevoel minder grijpbaar. De bezorgde blikken van zijn moeder kwamen er voor in de plaats. Ze heeft nooit goed begrepen, dat er iets in hem is, dat zorgt voor een onderhuidse rusteloosheid.

De afkeurende ogen van zijn vader kregen meer gewicht dan de optimistische woorden van zijn grootmoeder. Bij thuiskomst was het niet meer belangrijk, hoe snel zijn wolf in de boom was geklommen, welke stemmen in de wind hadden gezongen. Zijn ouders wilden weten of hij naar een verjaardagsfeest van een klasgenoot ging, de zomervakantie op een jongeren kamp wilde doorbrengen en natuurlijk of hij al had geleerd voor de volgende toets, want elke dag bij je Oma op bezoek gaan is niet echt goed voor de ontwikkeling van opgroeiende jongen.

Stap voor stap is hij steeds verder in die andere wereld getrokken. De wereld van duidelijke structuren, heldere antwoorden, huiswerk, cijfers, sollicitaties, waarbij de oude rituelen meer en meer een sage werden – iets vreemds, dat op steeds grotere afstand kwam. Om hem heen had iedereen plannen. Een studie, een jaar naar het buitenland, werken, beroepsopleiding. Elmo heeft instemmend geknikt en goede cijfers gehaald, simpelweg omdat het hem lukte, maar op de een of andere manier deed het hem niets meer.

Zijn diploma was Cum Laude en aangezien hij niet wist wat hij met zichzelf of zijn leven zou doen, kwam het werk in het café hem goed uit. In principe bestaat hij, doorstaat elke dag met een glimlach en doet, wat van hem wordt verwacht.

Kort daarna stond Alda’s verjaardag op de kalender. Hoewel hij sinds jaren zelden op het terrein van het Roedel kwam, nodigde zij hem uit met een ouderwets kaartje met op de achterkant een tekening van hem, toen hij ongeveer drie jaar oud was. Een zon, een huis, Oma met een stok in haar hand. Vroeger dacht Elmo, dat die stok een toverstaf was. Zodoende is hij op de fiets gestapt en naar Oma gegaan, al was het een stevige afstand.

Bij aankomst viel hij bijna om door alle geuren. Meer dan de versgebakken cake of de kruidige accenten voelde hij de geur van aarde, van wind, van het Roedel tot in elke porie van zijn lichaam. Die aantrekkingskracht kwam uit het niets.

De tuin was meer dan vol. Naast alle potten met kruiden veel kleine, glimmende schijven en linten, die in de windstilte heen en weer bewogen en vooral nog meer mensen. Iedereen vierde de verjaardag van Oma, die ergens in het midden van deze vrolijke chaos stond. Een stevige vrouw op leeftijd in een wapperende jurk op blote voeten en met losse haren.

De uitgebreide omhelzing werd gevolgd door lezende ogen en een blik, die dingen zag, die hij zelf niet begreep. De vreugde en liefde in de ogen raakten hem, al voelde hij zich niet de beste kleinzoon ter wereld, gegeven zijn onregelmatige bezoeken aan haar. Ergens die middag kwam de terloopse mededeling, terwijl ze kruidenkoekjes rond liet gaan en hem een mok in zijn handen drukte.

„Dit jaar mag je meedoen, mijn schat. De zonnewende. Ik hoop, dat je er klaar voor bent.“

Eigenlijk wilde hij op dat moment lachen of haar tegenspreken, in elk geval iets zeggen. In plaats daarvan heeft hij alleen geknikt, omdat op onverklaarbare wijze hij plotseling een drang voelde opkomen. Een aangename vibratie in zijn buik. Zijn innerlijke wolf, die al jarenlang in stilte een vegetatief bestaan leidde, meldde zich met gespitste oren. Geen gehuil of gejank, maar gewoon ... wakker en met een kleine grom aanwezig. Dit gevoel was het vreemdste aan de hele situatie. Alda’s aankondiging voelde als een warme uitnodiging, de gedachte op zich als thuiskomen.

Het spreekt voor zich, dat zijn ouders allesbehalve enthousiast waren ... en zijn. Elmo kijkt net op van zijn restje pannenkoek, wanneer zijn ouders alleen oog voor elkaar hebben. De blik, die sporen in zijn ziel heeft getrokken, kent hij goed genoeg. Lang zal het niet duren, voordat Mama en Papa het eens zijn. Veel meer dan een bewegende wenkbrauw van Papa en een lichte hoofdknik van Mama is het niet. Ruim voldoende om tot actie over te gaan. Elmo verwacht, dat het oude liedje elk moment tevoorschijn komt ... en hij krijgt gelijk.

„Elmo, wat heeft het Roedel je ooit gebracht?“, opent Papa de aanval met een rust in zijn stem, die vastberaden klinkt en tegelijk geen enkele tegenspraak duldt. Langzaam haalt Elmo zijn vork door de marmelade.

„Je bent een slimme jongen. Je hebt de kans je zelf te ontwikkelen, zodat je een vrije man wordt.“

Mama zwijgt, terwijl haar ogen spreken.

„Je moet je zelf bevrijden, zodat jij je niet verliest in die wereld van bijgeloof en andere nonsens.“

In allerlei variaties heeft hij dit vaker gehoord. De toon is altijd dezelfde – geen schreeuw, geen woede, maar een waarschuwing gebaseerd op teleurstelling. Alsof ze hem proberen tegen te houden in een greppel te springen, waar alleen bij extreme regen een klein beetje water in staat. In werkelijkheid gaat niet om hem, maar om Papa. De man heeft een eigen verhaal met het Roedel, dat nooit hardop is uitgesproken, maar keer op keer verteld wordt door afwezigheid en zwijgen. Hoe graag zou hij het niet willen vragen of eerder uit volle borst schreeuwen.

‘Voor jou was het misschien niets, maar is daarmee ook voor mij niets?’

Helaas, het lukt hem niet, omdat je in deze familie zoiets niet vraagt. Alleen Oma heeft hem ooit in vertrouwen genomen en met verdriet in haar stem over de verloren zoon verteld, die met een hart vol woede en aangeslagen trots nooit meer een voet op het terrein wil zetten, daarvoor in de plaats tussen ‘gewone’ mensen leeft, een aantrekkelijke vrouw heeft ontmoet en extreem consequent probeert zijn hele verleden uit te wissen, gemaskeerd door die eeuwige blik, die de wereld op afstand houdt. Zodoende blijft Elmo stil en prikt in zijn pannenkoek, die nergens naar smaakt en naar zijn idee nog een minuut langer gebakken had mogen worden zonder te verbranden.

Mama pakt haar mok en drinkt hem leeg, „Ik moet zo weg naar het lab, ik ben al laat.“

In het voorbijgaan streelt ze zacht met haar hand over zijn schouder. Een gebaar om voorzichtig, bijna verontschuldigend, te laten weten, dat ze van hem houdt, „Pas goed op je zelf? En doe geen domme dingen.“

Elmo knikt. Zonder haar aan te kijken. Tegelijk vouwt Papa de krant helemaal op en staat op van zijn stoel. Nog steeds met een blik in zijn ogen, die non-verbaal een mengeling van strengheid, bezorgdheid en teleurstelling uitdrukt, „We hebben al jaren geleden besloten, dat je niet aan het Ritueel meedoet en daarbij blijft het. Op een dag zal je er ons dankbaar voor zijn.“

Met deze grimmige woorden verlaat ook hij de keuken en Elmo blijft alleen achter met een laatste, koude pannenkoek, marmelade en rondvliegende gedachten.

Instinct

Geplaatst: do 18 jun 2026, 10:17
door Jablan
Instinct – 2 Elmo – Buiten

Na zijn nauwelijks naar iets smakende ontbijt en een poetsronde loopt hij nog met natte haren en zijn kleren in de hand de badkamer uit. Echt getreuzeld heeft hij niet, alleen iets grondiger dan normaal zichzelf gewassen. Met het vooruitzicht op een dag als een dikke wolk, die constant van vorm verandert. Hij weet precies, wat hij gaat doen en is verrassend laconiek over de woorden van zijn vader, in gedachten staat hij al op een open plek in het woud. In zijn kamer gunt hij zichzelf een blik op de gewone buitenwereld. Een lijnbus rijdt net voorbij, remt af om te stoppen bij de halte. Een fietser wijkt aarzelend uit. Het gevaarte is te laat, te vol – zoals altijd. Ook dit is een kans om weg te komen. De bus maakt een ronde door het centrum, laat alle passagiers uitstappen en rijdt daarna door in dezelfde richting als waar hij heen wil. Na het laatste huis van de stad horen vrijwel alle reizigers bij het roedel, hebben een bezigheid er buiten. Hun bestemming heet ‘thuis’.

De rest van de straat is net zoals het huis, waar hij woont. De opritten zijn de enige verharding in de verzorgde tuinen, waar het gras kort is en de hagen accuraat gesnoeid. Alle overige planten en versieringen komen uit een catalogus of folder. Elk huis volgt de stilzwijgende overeenkomst met een witte of lichtgrijze gevel, diepgrijze dakpannen, een deurbel van gepolijst metaal en een grote brievenbus met de naam van de bewoners erop. Waar auto’s geparkeerd staan, glimmen ze van de wasstraat. De ramen hebben minstens dubbelglas, wat het verkeerslawaai dempt.

Hier wordt in het voorbijgaan gegroet en de communicatie gaat over wanneer welke vuilnis wordt opgehaald, de prestaties van kinderen en kleinkinderen of de bestemming van de zomervakantie. Alles volgt dezelfde structuur, heeft een schema en vermoedelijk een toekomst. Het is een straat, die lijkt stil te staan, een zwakke afspiegeling geeft van, wat een leven zou kunnen zijn. De bus vertrekt weer – zonder Elmo aan boord. Het is niet erg, dat de eerstvolgende bus naar ‘thuis’ over een of twee uur vertrekt. Heel even heeft hij aandacht voor een buurman in pak, die achterwaarts uitrijdt met een beker koffie in de hand.

Elmo draait zich om, want deze beelden laten zijn eigen wolf in een kooi rondjes draven. Opgesloten. Tijd om het beest vrij te laten en dat lukt beter met kleren aan, met gekamde haren, een paar schoenen aan zijn voeten en zijn rugzak. Op een drafje komt hij beneden, stopt zijn zomerjas in de rugzak en opent de andere deur naar de garage, waar zijn fiets staat, die hij tegenwoordig veel te weinig gebruikt. Extra lucht in de banden zal hem vandaag sneller laten fietsen. Gedacht, gedaan. Rugzak om en met rustige muziek op weg. Geen zang in zijn oren, alleen klanken, die door hem heen stromen, zoals de wind door de bomen in een woud waait. Het laat hem helderder denken en meer opletten.

Garage uit, afsluiten, op de lege oprit opstappen en wegfietsen, zodat de wereld aan hem voorbij trekt. Eerst de bebouwde omgeving uit, daarna een klein bospad in. Het is ruim een uur fietsen over de oude route. Vroeger was het zijn weg naar Oma, in de vakanties, op zondag, na nachtmerries of op dagen met te veel gedachten en te weinig emoties.

Sinds hij werk heeft, beweegt hij minder en is zitten op een zadel niet meer gewend. De diensten in het café zijn lang en samen met de routine van elke dag is bewegen grotendeels uit zijn leven verdwenen. De korte afstanden in het café zijn geen training voor lange fietstochten. Het bewijs is de eerste, lichte helling. Zijn beenspieren branden, zijn adem versnelt en de vochtige zomerlucht veroorzaakt een kleverig gevoel in zijn nek. Bij elkaar goed te doen. De wind verwent zijn neus met allerlei geuren. Hars, droog gras, een subtiele groet van paddenstoelen dieper in het woud.

Meter na meter wordt het beklemmende gevoel een levende etalagepop te zijn kleiner, de wereld groter en de horizon breder. Zijn wolf geniet van deze vrijheid. De muziek is zijn tweede ademhaling. Ergens op de helft komt hij niet alleen door de pedalen vooruit, maar krijgt hulp van binnen. Iets vibreert in zijn lichaam, zonder precies te weten wat het is. Het geeft hem meer kracht, terwijl de wind aan zijn handen trekt en breidt zich uit, als Elmo de eerste bomen van het woud bereikt. Blijkbaar is er iets in hem, dat zich precies hier op zijn gemak voelt en juist niet in een klaslokaal, aan de bar van het café, op de door anderen vooraf uitgestippelde wegen. Is het de zachte bodem of is het de wind, die verhalen vertelt, als je zelf maar lang genoeg zwijgt?

Een andere gedachte komt ineens in hem op, net zo helder als het zonlicht op de bladeren. Hij negeert een directe opdracht van Papa. Dat is voor het eerst in zijn hele leven. Natuurlijk is ook hij wel eens te laat thuisgekomen, heeft hij de vuile afwas laten staan en zijn vuile kleren niet in de wasmand gegooid, maar door Papa’s blik heeft hij bij dat ene onderwerp altijd toegegeven. Vandaag is anders. Zijn intuïtieve gevoel is sterker en op de fiets stappen nauwelijks meer een bewuste keuze, eerder doen wat gedaan moet worden. Zijn traptempo gaat omhoog.

Hij zal het doen – naar het huis fietsen, de zegening aannemen, meedoen aan het Ritueel. Van zijn kant uit is het geen opstand, zo’n rebel is hij nu eenmaal niet, het is terugkeren naar zichzelf.

Met een van zweet doorweekte rug stapt hij van de fiets. Zijn shirt kleeft aan hem, zijn haren hangen vochtig over zijn voorhoofd. Het doet hem iets – nu is hij weer bezig te leven. De fiets blijft achter bij de oude berkenboom langs de weg. Onafgesloten, want wie bij het Roedel hoort, steelt niet. Mocht iemand het toch proberen, dan zijn er de oudsten en de Alfa om het te regelen. Een ongeschreven wet, ouder dan elk stuk papier.

Oma’s huis staat nog steeds op zijn plek. Een klein, scheef gebouwd, houten huis met mos als dakbedekking, een krakende veranda en een rokende schoorsteen, die de geur van kruiden verspreidt. Vandaag ruikt hij salvia, artemisia en lavandula. Een warme zomerbries laat het windorgel van metaal en glas opgewekt rinkelen. Twee zonnevangers weerkaatsen het licht in de vorm van dansende regenbogen op de grond. Daartussen bungelen oude veren en kleurrijke linten, hun bewegingen lijken hem te begroeten.

Voor het huis staan jonge mannen in de rij, allemaal ongeveer net zo oud als Elmo. Iedereen een eigen verschijning, de kleding verschillend, net zoals de lengte en het model van de haren. Vandaag krijgen ze allemaal een zegen en een markering als voorbereiding op het Ritueel van de zonnewende, voor iedereen de officiële toegangspoort tot de wereld van de volwassenen in het Roedel.

Elmo veegt met zijn hand het zweet van zijn voorhoofd en kijkt rond, ziet onbekende gezichten. Pas na een tweede of derde keer kijken herkent hij een paar van vroeger, de meesten zal hij misschien als kind voor het laatst hebben gezien. Ze zullen naar een andere school zijn gegaan en binnen het Roedel zijn opgegroeid. Het geeft hem het idee een buitenstaander te zijn. Zou een toerist zich zo voelen? In elk geval voelt hij zich op deze plek meer thuis dan waar ook in de voorbije jaren.

Oma’s huis markeert het midden van het gebied. Het ligt aan de rand van een brede, zacht glooiende vallei met open plekken tussen oude bomen. De paden zijn net zo oud, slingeren langs rotsen met terrassen en leiden naar een helder meer, dat nu het middelpunt vormt. De huizen zijn ooit gebouwd en daarna gegroeid. Mos en kleine planten geven de daken een groen uiterlijk, terwijl alles daaronder van hout is. De ramen volgen de baan van de zon door de dag. Hier is niets ontworpen volgens fabrieksstandaard, maar organisch ontstaan. Tegelijk is elk gebouw functioneel en stabiel.

Ondanks de oude tradities leeft het Roedel niet in het verleden. Zon, wind en water zijn de bronnen van energie. Wie haast heeft, kan met een golfkar over het terrein rijden. Regenwater wordt opgevangen, gebruikt en natuurlijk gezuiverd. Techniek is geen vijand, maar een hulpmiddel om de natuur in stand te houden.

Kinderen spelen tussen de moestuinen, die volgens de trek van de bijen zijn aangelegd. Een paar jongeren hangen tegen het houten gemeenschapshuis, lijken met hun telefoon vergroeid. Vandaag zullen de berichten vooral gaan over wie in de rij staat, wat Alda zegt en hoe het Ritueel verder vorm krijgt. Er naast voedt een ondergrondse bron een fontein van basalt met altijd stromend water. Velen vinden dit een heilige plek, die ’s avonds wordt verlicht met vuurkorven.

De geuren maken op Elmo de meeste indruk. Planten, bomen, dieren, aarde en zon getuigen van een kloppend hart, een levendige gemeenschap. Zonder kaarsrecht gesnoeide hagen, wel wordt het groen tussen de huizen verzorgd en gerespecteerd. Wat er groeit, dat groeit er en krijgt zo’n verzorging, dat de vruchten vanzelf komen.

Elmo sluit zich aan in de rij, die achter hem snel langer wordt. Stuk voor stuk jongens of jonge mannen, die rustig wachten of met elkaar praten, sommigen duidelijk nerveus of juist net iets te hard lachend. Hij doet zijn muziek uit, waardoor hij nu alle geluiden zonder filter hoort, ook geritsel in het kreupelhout, de lach van een kind veel verderop, stromend water, een houtzaag en geklop op hout. Dat roept een herinnering op. Bij de zonnewende worden de kleine huizen vernieuwd of nieuw gebouwd, heeft Oma ooit verteld.

Met gesloten ogen kan hij sommige dingen voelen. Het ondergrondse leven precies onder zijn voeten. Een wirwar van wortels, water en de nodige beestjes, die liever het daglicht mijden. Misschien hangt er magie in de lucht, waardoor dit lukt. Deze magie is van het soort, dat verloren zaken terug naar huis brengt in plaats van zich op te dringen via bewegende voorwerpen of afgevuurde ontladingen van stroom. Blijkbaar was hij iets kwijtgeraakt.

Met open ogen voelt hij over zijn buik, over de plek waar het trok in zijn dromen. Het aanhoudende, subtiele gevoel is daar. Is het een dag, waarop dromen werkelijkheid worden?

Alda duikt in zijn gedachten op. Haar glimlach, als ze wist, dat hij ergens onderuit probeerde te komen of haar manier om zijn woede met één oogopslag te laten verdwijnen. Vandaag zal ze vooral Alda zijn en minder Oma, gegeven de rij wachtenden. Voor hem beweegt de rij zich langzaam vooruit. De volgende gaat het huis in, tegelijk ontstaat een kleine woordenwisseling voor hem, luid genoeg om het momentum te verstoren.

„Hé, heb je gezien hoe die blonde keek? Ze scheurt je in stukken, als je zo langzaam bent.“

Er wordt hard gelachen. Een jongen maakt een obsceen gebaar en krijgt een zachte duw van een ander. Het is een groep jongens in te strakke shirts met zichtbare spieren onder de huid en adrenaline in de stemmen. Na een volgende opmerking wordt het gelach harder, bijna overdreven. Instemmend wordt een jongen met een half lege waterfles op de schouder geklopt.

Een andere jongen valt op door de iets grotere afstand tot de rest. Hij is lang, lijkt stilstaand nog te bewegen. Zijn ogen zijn half bij de groep, met zijn handen in de zakken en hoofd licht scheef, luistert hij zonder erbij te zijn. Elmo ziet hem en profil. De schaduw van zijn gezicht, de gespannen spieren onder de kleding. Het is vreemd om tussen alle stemmen en mensen alleen nog deze jongen te zien. Al het andere wordt vlak, dof en verliest betekenis. Tegelijk versterkt het trekkende gevoel in zijn buik zich. Misschien is dit hetzelfde als op Oma’s verjaardag, misschien is het gewoon de vermoeidheid na de lange fietstocht.

De jongen draait zich met een halve lach meer naar de groep. Een van de stemmen achter hem brengt Elmo terug naar het hier en nu, waar hij voor even uit was gestapt. Diep ademhalen en met zijn ogen even knipperen om de droogte kwijt te raken.

Woorden van een jongen brengen de groep nog meer tot leven. Een ander gooit de armen in de lucht, alsof hij op een podium staat. De vrolijke stemming houdt aan. Blijkbaar is die ene jongen het kloppende hart van de hele groep, die zichzelf heeft herpakt. Bijna onmerkbaar, op een moeiteloze manier, waarachter al het andere schuilgaat. Opnieuw gejuich.

De lach komt op Elmo over, alsof hij een masker draagt. Met de armen over elkaar, het hoofd nog steeds iets scheef, lijkt hij de bewonderende blikken met een vanzelfsprekendheid te genieten, die verraadt, dat het altijd zo gaat. Een speelse klap tegen zijn ribben leidt tot een explosie aan reacties. De stemmen vertellen over geruchten, fantasieën en maken grappen, slim en plat tegelijk.

De lach is overgegaan in een glimlach, nu met een ontspannen houding. Rechte rug, vurige ogen. Het is iemand, waar iedereen het over heeft, waar je graag naar luistert en die je graag mag plagen met de zekerheid, dat er een grap terugkomt, die meer vriendelijk dan gemeen is. Hier twijfelt niemand eraan, dat hij in het Ritueel een vrouw vindt of zelfs twee, volgens een plaaggeest.

Het is een complete verandering in vergelijking met de uitstraling eerder, waar hij te serieus leek. Dat is alweer vervaagd en vergeten onder het lawaai van nu.

Elmo merkt een beweging, die anderen niet opvalt. Zonder kraken of piepen is de deur van Oma’s huis weer opengegaan. Hij hoort het zachte geluid van hout op hout. De kalme stem vanuit de deur heeft een kracht, die door merg en been snijdt, „Dario.“

Alleen de naam, meer niet. Dat is Alda! Haar contouren zijn tegen het warme licht binnen goed zichtbaar achter de deur. Tegelijk valt de groep stil, alsof in de naam een geheim bevel is verstopt. De lucht vibreert kort, wanneer de uitgelaten stemming zich ontlaadt. Alle ogen gaan naar het middelpunt van de groep, daarmee naar de jongen, die Elmo al iets langer volgt. Dario haalt adem en met opgeheven hoofd draait hij zich richting deur. Bij zijn eerste stap kijken ze elkaar recht in de ogen.

Voor Elmo krimpt de wereld. Het oogcontact slurpt alles op. Dat kan toeval zijn of een reflex. Dan is het weer voorbij. Het is slechts een flard van iets, dat alles omvat en op hetzelfde moment te vluchtig is om volledig te benoemen. Het rauwe, zoekende heeft doel gevonden, zelfs wanneer niemand dat wil. Dario draait zich om en de rest van de groep herstelt zich direct. Handen kloppen optimistisch op de rug of schouder, terwijl Dario naar de deur loopt, die achter hem dichtvalt.

De achterblijvers weten niet goed hoe de ontstane leegte in te vullen. Ze worden nu geconfronteerd met de reden, waarom ze in de rij staan en zoeken bescherming tegen de spanning van de komende avond en nacht. De eerste, luide en overdreven, poging kwam na enkele seconden.

„Goed ... dan hebben wij nog de keuze uit de rest!“

De reacties zijn mager en boven alles onzeker. Iemand leunt op één been en dan op het andere. Een ander probeert een grap over een zekere Panja, met lauwe reacties als beloning.

Elmo luistert nauwelijks meer, de stemmen trekken als een ruisende wind langs zijn oren. De aparte mengeling van nerveus zijn en warmte, gecombineerd met een echo van emotie, bepaalt zijn hartritme. Zonder te weten waar de echo vandaan komt. Zijn ogen blijven gericht op de deur, waardoor Dario is verdwenen. Zelfs wanneer dwang zou worden gebruikt, kan hij niet zeggen waarom hij dit doet. Misschien is zijn focus gehypnotiseerd, wie zal het weten?

Het wachten lijkt kort te duren, alleen de stand van de zon verraadt de werkelijke tijd. De een na de ander gaat naar binnen, tussendoor staat hij met gesloten ogen stil en probeert kalm te blijven. Totdat hij vooraan in de rij staat, de deur geopend wordt en Alda hem om de hoek even aankijkt in plaats van zijn naam uit te spreken.

Elmo wandelt naar binnen en landt direct in een andere sfeer, veel sterker dan hij zich van vroegere bezoeken kan herinneren. Het licht wordt weerkaatst door alles van metaal of glas, vooral van de zonnevangers. Het dakraam is open en zorgt ervoor, dat rookpluimen opstijgen. De geur van kruiden domineert. Salvia, verbena, lavandula en boven alles olibanum en commiphora dringen zich op. Het is warm, niet door de temperatuur op deze zomerdag, maar door de atmosfeer. Zijn gevoel is ineens veel beter.

Alda staat in het midden, op blote voeten en het lange, witte haar los over de schouders in een licht glinsterend gewaad. Het herinnert aan de morgendauw op herfstbladeren in zonlicht. Zodra ze elkaar aankijken, verandert iets. Haar glimlach gaat over in een korte lach, die door de kruidige nevel danst.

„De wind heeft mij verraden, dat je toch zou komen. Hij was behoorlijk opgewonden, Elmo.“

Voor Alda is dit de normaalste zaak van de wereld. Elmo blijft staan met droge keel en iets te koude handen, „Ik ...“

Hij valt stil, omdat woorden nu te veel, te zwaar zijn. Alda komt naar hem toe en omarmt hem, stevig, zonder twijfels of vragen. Hij pakt haar even vast en dan laten ze elkaar los, Alda neemt hem bij de hand, „Kom. We moeten je voorbereiden. Je kijkt, alsof je net terug bent van een wereldreis, zowel van binnen als van buiten.“

Ze neemt hem mee naar het midden van de kamer, naar een lage kruk, waar hij op mag zitten met ontbloot bovenlijf. Om hem heen een cirkel van symbolen en naast hem de bron van de sterke geur in de kamer. Een kruidenbrander, waaruit een lichte rook komt. Zijn knieën trillen licht. Hij weet niet of het van al het voorafgaande komt of juist door wat komen gaat. Alda zwijgt even, pakt een tweede kruk en gaat tegenover hem zitten. Haar ogen zijn alert, helder en warm.

„Je hoeft niet altijd alles te weten. Soms is het genoeg om alleen te voelen.“

Ze praat zacht, maar indringend. Alda is een vrouw, die voorbij elke angst leeft. Als het nodig is, wordt ze scherp. Elmo slikt als de boodschap doordringt, maar kan opnieuw geen woord uitbrengen.

Alda steekt haar hand uit en voelt met twee vingers over zijn voorhoofd om dan een goudkleurige zalf uit een potje in cirkels uit te smeren. De plek wordt warm en de zalf lost iets op. Voor Elmo gaat een gesloten deur achter zijn voorhoofd open. Kalm gaat ze verder, laat wat olie op haar vingers druppelen en tekent met vaste hand een symbool, wat er blijkbaar altijd al was, op zijn borstbeen. Voordat de olie intrekt, voelt het koel aan.

Elmo luistert en merkt lichte vibraties in de kamer op, net zoals een melodie, waarvan hij niet zeker is of hij dit zelf is of Alda. De klanken landen ergens tussen zijn botten, terwijl ze met haar normale stem spreekt, tegen wie het maar horen wil. De woorden zijn oud en broos, als late herfstbladeren, kort voordat ze vallen. Sommige herkent hij, anderen fladderen langs hem heen. Opmerkelijk genoeg komt met elke zin meer energie de ruimte in, waarop zijn hartslag hoger wordt. Iets in hem wordt wakker en het is een deel van hem, waarvan hij zich al heel lang niet meer bewust is geweest.

Alda glimlacht, als ze zijn reacties ziet. In zijn lichaam begint iets te gloeien. Het begint warm en breidt zich langzaam uit van over zijn borstbeen naar zijn buik en dan in de breedte. Iets oerouds lijkt zich te rekken en strekken, de aantrekkingskracht ervan houdt hem helemaal in zijn greep.

Hij voelt zijn wolf, zoals het hier wordt genoemd. Het is een aanwezigheid zonder dier of iets anders te zijn. Klaarwakker en rustig op zijn plek, wachtend totdat het beest volledig de overhand heeft. Het maakt hem compleet, tot in elke porie en zenuw merkt hij het effect.

Elmo weet niet, wanneer hij dit voor het laatst heeft gevoeld. Misschien was het nooit zo duidelijk en heeft hij al die jaren een zwak gefluister, een kleine echo waargenomen. Nu is het veel meer, eerder luid roepen.

Al het andere verdwijnt. Zoals vaders, moeders, verwachtingen en stemmen in zijn hoofd, die vragen of hij wel in orde is en proberen hem te overtuigen, dat hij alleen in zijn verbeelding hier thuishoort.

Deze sensationele ervaring vertelt hem de waarheid. Hij is hier en het is goed. Het gloeien wordt minder, trekt zich terug om ergens in de achtergrond aanwezig te zijn. Alert, waakzaam, wachtend, maar altijd klaar om opgeroepen te worden.

Alda is klaar met haar woordenstroom en kijkt hem lang aan. In haar ogen ligt meer dan warmte, de diepe glans toont zowel verdriet als trots. Vermoedelijk heeft ze net het nodige losgelaten om wat anders vast te houden. Uiteindelijk zegt ze iets anders en het klinkt als zachte zang, „De roep in jou is ouder dan je twijfels, sterker dan je zwijgen. Je zal hem begrijpen als je rent.“

Elmo wil een vraag stellen, iets oppakken wat ze net in hem heeft aangemoedigd tevoorschijn te komen, maar ze steekt een hand omhoog. Een rustig, veelbetekenend gebaar, ze heeft zijn gedachten al gehoord. Hij hoeft niets te zeggen. De hand verhuist naar zijn borstkas, streelt over zijn hart en zakt weer omlaag om hem terloops een flesje olie in zijn hand te drukken.

„Je herkent het als je het toelaat ... en wanneer je rent, ren dan niet tegen jezelf.“

Een tedere, zachte glimlach flitst over haar gezicht, waarna ze zich omdraait en naar de achterdeur loopt.

„Ga, mijn schat. De volgende wacht.“

Elmo staat op. Het ontwaakte iets in hem laat hem wankel op zijn benen staan, zijn shirt aantrekken en aarzelend naar buiten gaan. Wanneer de deur zich sluit, is de wereld niet helemaal meer hetzelfde.

Instinct

Geplaatst: do 18 jun 2026, 10:18
door Jablan
Instinct – 3 Dario – Missen

Dario wordt wakker, terwijl hij een vreemde adem langs zijn keel voelt stromen. Panja ligt tegen hem aan met een hand over zijn buik en het gezicht half op zijn schouder. Haar ademhaling is vrijwel zonder geluid, met de mond een klein beetje geopend. Ze is altijd al mooi geweest met sprekende ogen, vandaag lijkt haar huid goud te glanzen in de ochtendzon en liggen haar rode haren over zijn arm uitgespreid. Ze geeft warmte en toch ... snakt Dario naar vrij ademen.

Hij mag haar, heel erg zelfs. Ze is geestig, slim, kent zijn zwakke plekken en weet met zijn temperament om te gaan. Allemaal redenen om haar aardig en meer te vinden. Tegelijk is op de achtergrond altijd iets geweest. Dario mist wat en Panja kan die open plek niet invullen.

„Alleen voor morgen,“ heeft ze gisteravond direct in zijn oor gefluisterd, „Zodat onze wolven zich herinneren, hoe het voelt.“

Hij heeft geknikt, haar gezoend, later uitgekleed en het was goed. Goed genoeg. Op dit moment, met het eerste licht door de halfopen gordijnen, is zijn lichaam ontspannen. Zijn geest vindt het te vol, te druk in bed en het heeft te lang geduurd.

Starend naar het plafond hoort hij ergens in huis een deur dichtslaan en het vertrouwde geluid van koffie, die wordt gezet. Mama is wakker. Elk moment kan ze binnenkomen, zonder kloppen, aanwezig als altijd, en iets zeggen als ‘Oh... wat zijn jullie een leuk stel.’

Hij probeert zo zacht mogelijk uit te ademen, zodat Panja blijft slapen. Zijn arm slaapt ook, zijn rug kleeft aan het laken. Het is aangenaam, tegelijk totaal onvoldoende. Nooit eerder heeft hij zoveel gevoeld voor een vriendin. Tot nu toe heeft hij niemand langer dan een paar maanden zo dichtbij laten komen. Met Panja is het allemaal anders. Langer, rustiger, vertrouwder. Als dat geen liefde is, wat dan wel?

De laatste tijd is het gemis duidelijker geworden, scherper. Het passende plaatje wijst de twee samen in bed, innig verstrengeld, af. Blijkbaar interesseert dit plaatje zich niet voor alle fijne momenten van het leuke stel of hoe comfortabel ze zich bij elkaar voelen.

Panja mompelt in haar slaap, zoekt nog meer lichaamscontact met haar vingers ergens bij zijn navel. Zijn spieren trekken kort samen en Dario sluit de ogen met de wens, dat het allemaal makkelijker zou zijn.

De deur vliegt open met zoveel kracht, dat elk slot overbodig is.

„Goedemorgen!“, staat zijn moeder op de drempel als een levende zonnestraal, op blote voeten, met een schort om, met een klodder deeg op haar wang en haar haren in een sjaal gewikkeld, zodat die niet voor haar ogen vallen. Ze heeft iets goeds bij zich. Een mok, waaruit de geur van cinnamomum en koffie komt. Haar stem trilt bijna van opwinding, „Komen jullie? Ik heb een uitgebreide ontbijttafel klaarstaan ter ere van de feestdag!“

Dario krimpt onopvallend in elkaar, „Goedemorgen, Luana.“

Panja is ineens wakker, rekt zich uit zoals katachtigen dat kunnen en tovert een slaperige glimlach tevoorschijn, „Het ruikt heerlijk.“

„Ik heb rozijnenbollen gebakken, Panja, daar hou je toch zo van ... en Dario, je vader heeft gisteravond bessen geplukt op de bovenste heuvel. Na zo’n nacht hebben mijn jonge wolven nieuwe energie nodig. Daarom heb ik vannacht het deeg laten rijzen en wat moois gebakken voor ons allemaal,“ danst Luana bijna en komt verder de kamer binnen, daarbij vrolijk elke privé sfeer van Dario negerend. Zo kent hij haar – ze is nu eenmaal snel, luid en soms erg aanwezig. Boven alles houdt ze met heel haar hart van hem.

„We komen er zo aan,“ meldt Dario en probeert haar met een scherpe blik richting deur te krijgen. Luana gebruikt haar vrije hand om kort over Panja’s voet te wrijven. De gelakte teennagels steken onder het dekbed uit. Ze grijnst, „Jullie zijn echt een prachtig stel. Ik zeg het al weken, als vandaag geen band ontstaat, eet ik mijn schort op.“

„Ik zou voor de zekerheid een recept zoeken daarvoor,“ mompelt Dario, maar Panja’s heldere lach overstemt zijn respons.

„Schieten jullie op, voordat alles koud is,“ roept Luana nog over haar schouder, terwijl ze de kamer uitwervelt ... en de deur open laat. Genietend rekt Panja zich nog een keer uit om hem daarna aan te kijken, „Ze vindt mij aardig.“

„Je hebt het over Luana en jij bent de ideale schoondochter,“ merkt Dario droog op. Panja lacht, slaat het dekbed opzij en staat op. Ze beweegt zich met een vanzelfsprekendheid door de kamer, dat die van haar lijkt te zijn en niet van Dario, die op zijn beurt nu haar daarvoor bewondert en op een ander moment zich eraan ergert. Haar lichaam is zowel mooi, zacht als krachtig en ze is zich bewust van haar uitstraling op anderen. Langzaam kleedt ze zich aan, zoekt naar haar zomerjurk, die naast zijn stoel op de vloer terecht is gekomen, trakteert hem daarbij op een half verleidelijke, half onderzoekende blik. Misschien wil ze zien hoe hij op haar reageert. Dario glimlacht en kijkt naar de deur, hij heeft nu geen behoefte aan toeschouwers en volgt haar voorbeeld door zijn eigen kleren te zoeken.

In de grote woonkamer met keuken valt Dario ineens op, dat hun eettafel eigenlijk uit een sprookje komt. Hij is groot, zwaar, van donker hout met nerven, die de structuur van een rivier aangeven. Op die tafel staat het hele ontbijt klaar, inclusief een pot kruidenthee, een mand versgebakken rozijnenbollen, bessen, boter, honing, roerei en gesmoorde champignons. Luana heeft alles zelf gemaakt en met zorg gerangschikt. Dario landt op zijn vaste plek. Panja gaat dicht naast hem zitten, hun bovenbenen raken elkaar. Ze pakt meteen een bol en bijt er met plezier een stuk vanaf. Luana kijkt met haar handen op haar heupen en een stralend gezicht toe, terwijl haar stem enthousiasme overbrengt, „Ach, nog een keer jong en verliefd zijn ... Dario, je zal het fantastisch doen vandaag. Ik weet het gewoon.“

„Dank je, Luana,“ reageert de zoon met een goed geoefende glimlach, duidelijk genoeg om geloofwaardig te zijn en kort genoeg om geen vragen te laten opkomen. Zijn moeder gaat naast hen zitten, streelt kort over Panja’s hand en schenkt daarna thee in, „En Panja, we hebben geluk met jou. Je bent zo’n geweldige jonge vrouw. Intelligent, zelfbewust en altijd zo hartelijk. Er zijn er niet veel met zo’n goede intuïtie.“

Elisa lacht zacht, bescheiden, zoals van haar verwacht. Ze weet hoe ze hiermee om moet gaan en straalt zonder zich op te dringen.

„Dank je. Het is hier fijn bij jullie en ik hoop, dat het vandaag een bijzondere dag wordt. Voor ons,“ Panja kijkt bij de laatste woorden Dario met een dubbelzinnige blik aan.

Luana klapt zacht met haar hand. Het kan een uitnodiging aan het lot zijn direct aan te schuiven bij het ontbijt. Met een liefdevolle blik naar haar zoon komt het volgende compliment, „Je hebt een goede smaak.“

Dario verbergt zich achter zijn kop koffie. Hoewel hij nauwelijks honger heeft, vult hij zijn bord met champignons en brood. De knoop in zijn maag blokkeert grote voedselopname en de goede sfeer aan tafel wordt hem te veel. Is het lot al gaan zitten? Het is als een deken, die hem van zijn adem berooft. Deze ochtend is alles ... goed, perfect in scène gezet en tegelijk voelt het verkeerd aan, bij elke hap en bij elke nieuwe opmerking iets meer.

Hij houdt van zijn moeder, zoals elke zoon, maar haar omgang met het Ritueel drukt op hem als een zware last, die hij niet van zich af kan zetten. Ze verdeelt haar voorpret rijkelijk over elke aanwezige en creëert zo de verwachting, dat dit het mooiste is, wat een jongen kan overkomen. In haar voorstelling is het een maanovergoten moment, waarbij eindeloos zilveren confetti omlaag dwarrelt. Hij zit in een toneelvoorstelling en vandaag is de première, terwijl hij zijn rol niet kent. Is hij de hoofdrolspeler of een figurant in een geleend kostuum?

Er mist iemand. Normaal is zijn vader ’s morgens graag bij zijn vrouw in de keuken, vandaag opvallend afwezig. De logische vraag is dan, „Waar is Hiltwin?“

„Bernardo heeft je vader opgeroepen voor een belangrijke bijeenkomst met de andere ervaren krijgers. Het gaat om de grenspatrouilles en ik weet zeker, dat jij het zal horen, als het belangrijk is,“ is Luana op de hoogte.

Nu knikt Dario met interesse. Hij geeft zelf leiding aan een groep jonge, ongebonden, goed getrainde wolven, die alles rond de grens van het Roedel in de gaten houden. Luana kijkt hem kort aan en geeft Panja de schaal met bessen, „Jullie moeten absoluut goed eten, want je weet nooit hoe lang het duurt en in alle opwinding vergeet je het belangrijkste: genoeg kracht hebben en houden.“

„Oh, ik heb meer dan genoeg energie. Als die daar straks op pad gaat, hoop ik, dat ik niet zo makkelijk te vangen ben,“ merkt Panja vrolijk op met een knipoog voor Dario. Luana lacht hartelijk, „Je weet niet hoeveel geluk je hebt met een wolf zoals hij.“

Dario zou nu graag ‘ik ben hier’ zeggen, maar kiest voor een volgende glimlach. Van binnen stapelen de woorden zich op, neemt de druk toe en is het te luid, buiten hem te stil. Een blik door het raam laat glinsterend licht op de weide zien. Een libelle zweeft over een rots. Ze heeft geluk, is vrij en kan gaan waar ze wil, zelfs de zwaartekracht trotseren gaat moeiteloos. Met de nodige concentratie lukt het om het eten naar binnen te krijgen. De smaak valt hem nauwelijks op, ondanks goed kauwen. Het is warm en zacht, iets tussen paddenstoel en deeg. Alles komt gedempt over, zowel de woorden van zijn moeder als Panja’s glimlach als dit feestelijke zomerontbijt. Stil zitten met een rechte rug en dieper ademhalen is zijn oplossing om weer alles op te merken.

In gedachten herhaalt hij zijn mantra. ‘Ik weet, wat ik doe en begin voorbereid aan het Ritueel.’ Het laatste klopt gedeeltelijk. Fysiek is hij zover en hij heeft alle verhalen gehoord, zich de regels eigen gemaakt. Daarboven heeft hij Panja, ervaring en daarmee voorsprong op velen. Wie jaagt zonder te weten hoe en wat, die is zowel opgewonden als verlegen, begrijpt niet altijd de hints over de afloop van het Ritueel. Ook Panja heeft voorgangsters. Hij heeft gezoend, gestreeld, gevoeld, kent de warmte en weet zijn weg over het andere lichaam, kent de vormen, geluiden en sinds Panja ook het spelen met dichtbij elkaar zijn. Allemaal oud nieuws, bekend terrein en zeker niet spannend.

Waarom het Ritueel aanvoelt als begraven worden onder een stapel stenen, begrijpt hij zelf niet. Het lijkt een zware mantel, die aan zijn schouders verankerd is. Zelfs vanmorgen is dat zo, ondanks de waargeworden droom van elke schoonmoeder naast hem aan de gedekte tafel, zittend met de voeten in het zonlicht. Misschien ligt het aan alle stemmen, die hij niet kan negeren of aan de vragen, die binnen het Roedel rondreizen. Voel je het als het zover is? Weet je wolf het? Is je lichaam er klaar voor? Wat als je niemand vind? Wat als je het juiste moment mist? Wat als je partner je niet wil?

Telkens weer dezelfde flauwe grappen, naast het houten gemeenschapshuis, waar iedereen ’s avonds samenkomt of bij het vuur, waar het vlees langzaam gaart en het flakkerende licht gezichten laat zien, die vertrouwder aanvoelen dan ze in werkelijkheid zijn. Grappen over geuren, hoektanden, stevig vastgrijpen, mals vlees, zweten, drukken, bijten. Discussies over de vraag wat er gebeurt als de wolf ja zegt en de mens nee, dan wel andersom. Vrijwel alle jongeren breken hun hoofd hierover, terwijl de ouderen alleen glimlachen, ontwijkend antwoorden of hun hoofd schudden over te directe vragen. Desondanks beseft iedereen, dat het meer is dan speels jagen. Het gaat om een beslissing, om een band, om vlees en geest, die in elkaar grijpen en nooit meer loslaten. Een contract, dat met het hele wezen wordt ondertekend. Zonder een weg terug, zodra jager en prooi eenmaal in elkaar verstrengeld zijn.

Zijn maag geeft een kramp en Dario schuift zijn bord iets opzij. Direct kijkt Luana hem onderzoekend aan, de bekende mengeling van zorgzaam en waakzaam zijn. Als ze het gevoel heeft, dat iets in hem te stil is, dan reageert ze zo, „Alles in orde?“

„Jawel,“ liegt hij en pakt zijn mok, „Ik ben nog niet goed wakker.“

„Dat komt wel, zodra jullie buiten zijn. Langzaam aan moeten jullie gaan. De zon staat al hoger dan ik dacht.“

Panja veert direct op, vol energie en zin. Haar handen laten de jurk glad lijken, ze schudt haar haren los en haar ogen vertellen Dario alles. Verwachting, verlangen, zekerheid, misschien een belofte of een aanspraak - ‘jij bent van mij’.

Dario is wat langzamer met opstaan van tafel. De verhullende glimlach verschijnt weer en zijn hand over zijn voorhoofd zorgt ervoor, dat hij weer is, wie hij hoort te zijn. Maar iets in hem meldt zich zachtjes, tegelijk met nadruk. Zijn geest duwt het weg, op dit moment heeft hij geen energie of interesse daarvoor.

Na een hartelijk afscheid verlaten ze het huis. De zon werpt gouden stralen over het stoffige pad naar het plein. Het is al warm, maar nog niet broeierig. Een milde zomerochtend, perfect om later de herinneringen groter te laten zijn dan de werkelijkheid.

Panja loopt naast hem, een lichte wind laat de korte jurk om haar benen wapperen. Het golvende haar tot op haar rug danst in de zon. Ze praat snel en lacht over dingen, die gisteren, eergisteren of misschien helemaal niet zijn gebeurd. Dario luistert, lacht op het juiste moment, bromt een vragend geluid, wanneer ze het verwacht en als de pauzes lang genoeg zijn, is er plek voor een paar woorden van zijn kant. Alles perfect.

Voor buitenstaanders lijkt het een gewone dag. Twee jonge mensen op weg naar een afgesproken oord, op elkaar ingespeeld, vertrouwd, op de ander gericht. Dario kan zonder te overdrijven genegenheid tonen, zonder veel prijs te geven dichtbij zijn. Het jarenlange oefenen levert hem nu veel op. Bij een bocht in het pad reikt het gras tot hun middel. De wind brengt stemmen mee, een losse kreet, het geluid van hout op hout, stampende voeten in aarde.

„Zie je dat?“, blijft Panja staan en wijst naar een oude paal, waarop een gaai zit. Normaal zijn deze vogels schuw – deze blijft rustig zitten, terwijl ze eraan komen.

„Dat is een teken,“ vindt Panja en Dario blijft een halve stap achter haar staan, „Waarvoor?“

„Voor ons. De wereld kent ons,“ komt direct terug met een stem, waarin de lach niet wil doorklinken. Ze zoekt zijn arm en haakt zich aan, haar rode haar lijkt in de zon van koper. Dario kijkt nog eens naar de vogel, die roerloos blijft zitten. Gewoon een dier, dat op een paal zit en niet op wil vallen. Voorzichtig vraagt hij na, „Hoe weet je dat?“

Ze haalt haar schouders op en zonder hem aan te kijken strelen haar vingers zijn onderarm, „Is het belangrijk? Je voelt het gewoon.“

Waarop ze weer naar voren kijkt en hem meetrekt, „Bovendien, vind je niet, dat dit moment mooi genoeg is om een teken te zijn?“

Nu komt het oogcontact terug en achter haar glimlach ziet Dario, dat ze liever een paar vragen overslaat dan antwoord te geven. Het gesprek kabbelt verder over banale onderwerpen. Het weer, haar moeder, een genezeres in een ander Roedel die met ganzen communiceert, de keuze van haar jurk. Alle woorden drijven voorbij. Twee andere meiden sluiten zich aan. Het zijn vriendinnen van Panja met heldere stemmen en huppelende passen. Naast de normale begroeting concurreren speelse blikken en halve hints met elkaar. Panja is weer het middelpunt, dat draait om fysieke aspecten, gespannen verwachtingen en voorzichtige nervositeit. Dario is tevreden met zijn bijrol, geeft netjes antwoord als erom wordt gevraagd, glimlacht bij knipperende ogen en legt een hand op Panja’s rug, wanneer ze zich bukt om iets op te rapen.

Op de heuvel kun je het plein al zien, inclusief de paden, de zacht dampende kruidenketel aan de rand en de vuurkorven, die in een halve cirkel zijn neergezet. Alles wordt voorbereid voor het grote moment later vandaag. Het is een geschikte plek om te laten merken, dat alles in orde is tegenover de drie jonge vrouwen. Voor de rest lijkt de wereld stilgevallen, te wachten.

Zijn eigen wolf houdt zich deze ochtend schuil. Waar anderen vandaag niet kunnen wachten om erop uit te gaan, vaker dan anders de lucht ruiken, hun kaken ongemerkt bewegen, heeft Dario’s wolf zich teruggetrokken. Hij is er wel, alert als altijd, registreert het gelach, de zon of de zoete geur van de drie meiden, maar reageert niet. Wrok, verzet, wantrouwen of scepsis hebben er niets mee te maken, het is een bewuste houding. Zijn wolf is vol vertrouwen en observeert alles in afwachting van wat komen gaat. Het gaat dieper dan simpele, vrij inhoudsloze gesprekken. Het is onomkeerbaar. Zijn wolf weet iets, dat Dario zelf nog niet weet en wat het ook is, Dario voelt het.

Het is druk op de open plek in het woud, op het plein. Een groep jonge mannen staat in de zon, de lucht boven hen trilt van de onuitgesproken onderliggende spanning. Sommigen praten zacht, anderen lachen hard. Sommigen maken grappen over wat ze te wachten staat. De spanning bijft aanwezig, omdat je pas begrijpt als je het hebt meegemaakt.

Panja heeft nog steeds zijn arm vast en trekt hem nu dichterbij om haar voorhoofd tegen het zijne te drukken. Ze fluistert lief met een naïeve overtuigingskracht, „Ik weet het gewoon, we horen bij elkaar. Je wolf zal het weten.“

Dario dwingt zichzelf te knikken en te glimlachen, al is het meer een vorm van beleefdheid om de waarheid van de ander te bevestigen, terwijl hij het zelf anders voelt. Zijn reactie is precies genoeg, „Absoluut.“

Panja maakt zich los, brengt met een vloeiende beweging haar haren in model en gaat naar de andere jonge vrouwen om als groep door te lopen. Het woud roept ze, al is hun tijd nog niet aangebroken. Dario kijkt haar na, totdat ze tussen de bomen verdwijnt. De zon op haar haar, de echo van haar stem, de heldere en zorgeloze lach. Dario haalt adem en merkt, dat de plek op zijn arm vreemd aanvoelt, alsof die van iemand anders is. Zo blijft hij achter op de open plek tussen de anderen, nog in de schaduw van de bomen langs de rand.

Instinct

Geplaatst: do 18 jun 2026, 10:18
door Jablan
Instinct – 4 Dario – Vrijheid

De anderen zijn er al, wanneer Dario de schaduw inruilt voor de zon op de open plek en bij hen gaat staan.

Corvin leunt tegen een houten paal met zijn armen over elkaar en een grasspriet in een mondhoek. Zijn donkere krullen in de war, zijn kleding een versleten broek en een shirt, geen schoenen. Stil en toch aanwezig, zoals altijd. Zijn ogen dwalen over het plein en hij glimlacht, wanneer hij Dario ontdekt.

„Daar komt de prins,“ begroet Tarje hem met open armen. Zijn blonde haar is altijd perfect, verder is Tarje nooit te serieus of wil te lang bij een onderwerp stilstaan. Zijn welkom is net zo vertrouwd als zijn rol van clown.

„Met het morgenrood op zijn wangen,“ voegt Gilgian toe, die zich omdraait en met een denkbeeldige zakdoek verkoeling aangeeft. Hij lijkt te snel te zijn gegroeid met lange armen, grote handen. Zijn bruine ogen lachen vaak en blijven soms te lang naar hetzelfde kijken, ook wanneer hij denkt, dat niemand het ziet. Het luide gelach werkt bevrijdend en de brengt de rest terug in de groep.

„Jullie zijn zo dom,“ mompelt Jaquan, die door zijn lange haar de wereld bekijkt. Vandaag met een vlecht erin. Hij is net terug van twee jaar afwezigheid op veel zonniger plaatsen en komt veel volwassener over dan voor zijn vertrek. Onder het hoekige, smalle gezicht een shirt, een rok en vooral veel gebruinde huid. Zijn droge humor kan iedereen verrassen, „Je weet, dat Alda de ramen open heeft staan?“

„Ze mag het allemaal horen,“ vindt Rulan, die staand van het ene op het andere been wisselt, alsof hij onder stroom staat. Hij is de volgende met warrig haar, nu in een blonde versie en lacht breed. Hij beweegt zich dansend met lichte passen. Vandaag is bijna niet te stoppen, „Misschien is ze zo sneller klaar en komen wij eerder toe aan het fijne deel.“

Dario lacht mee met de groep, laat zich door Tarje aan zijn schouders vastpakken, incasseert van Gilgian een paar brutale opmerkingen en geeft Jaquan een boks in zijn zij. De lichaamstaal is hartelijk met alert reageren op een ander inclusief de gebruikelijke dosis snuiven, knikken, overtroeven als ze onder elkaar zijn. Alles normaal in deze groep.

„Hebben jullie gisteren gezien hoe de zus van Zafrina keek?“, stoot Tarje Gilgian aan, die het direct oppakt en met een falsetstem zingt, „Oh Dario, vang mij, gooi mij op de grond en niet op mijn goede kant.“

„Niet mijn type,“ denkt Dario niet eens na en direct heeft hij meerdere uitdagende ogen op zich gericht. Jaquan grijnst, „Je pakt haar niet van mij af? Goed om te weten.“

„Je kan haar niet eens vangen,“ werpt Rulan tegen en trekt zijn neus op als een jonge wolf, die voor het eerst de wind voelt opsteken, „Ik zweer het jullie, mijn wolf ... trilt al sinds zonsopgang. Ik wil rennen, grijpen, nemen, voelen.“

Jaquan mompelt, „Rulan moet zichzelf motiveren, anders gebeurt er niets in de broek.“

„En daarmee welkom in het stuwmeer van testosteron. Vandaag in de aanbieding: angst, zweet en spontane erecties!“, knipt Gilgian een keer met zijn vingers. Iedereen lacht, zelfs Dario.

De warmte van gisteravond is onder ieders huid gekropen, tussen de gedachten over een manier van leven, die stil ten einde loopt. Zoals elk jaar op de avond voor het Ritueel zaten ze bij elkaar, rond de vuurplaats achter het gemeenschapshuis. De meiden op dekens, de jongens op de grond. Dit jaar nemen ze zelf deel en waren de meiden uitdagender, de jongens overmoediger dan in andere jaren. Vandaag komen ze bij zonsondergang bij elkaar om dit eeuwenoude, deels genetisch bepaalde, ritueel uit te voeren, zodat te zijner tijd het voortbestaan van het Roedel verzekerd is.

Panja wilde geen deken, Dario’s schoot was beter. Na de wijn had ze blozende wangen, leunde half tegen hem aan, probeerde af en toe een andere verleidelijke houding, alles om zich dit later te kunnen herinneren. Terwijl ze met anderen praatte, verdween haar hand onder zijn shirt, streelde over zijn buik, was ze vertrouwd dichtbij hem. Dario heeft haar vastgehouden, stevig genoeg om het goed over te laten komen, los genoeg om zelf niet te stikken. De onderwerpen wervelden – wie wat weet, wat er komt, wie met wie, wie tegen wie, wie sterk of mooi genoeg is en natuurlijk wie bij wie zou passen. Tarje maakte er een lijst van en combineerde met takjes op boomschors hardop allerlei namen, terwijl Gilgian de dramatische achtergrondmuziek verzorgde, „Het perfecte paar inclusief analyse van de sterrenbeelden! Natuurlijk met Dario en Panja bovenaan. Zon en vuur, heet als tien zomers bij elkaar!“

Het leverde Gilgian gelach en applaus op, terwijl de flessen rondgingen. Tussen de gloed uit de vuurkorven, het geknetter van brandend hout, keek Dario om zich heen, naar elk gezicht, elke houding, en wist opeens, dat dit een afscheid was, onuitgesproken, verstopt onder al het andere.

Misschien omdat niemand wist, hoe het er morgen uitziet, wat er onmiskenbaar en definitief zal veranderen in en tussen iedereen. De stemming was als een strak gespannen snaar. Te luid lachen, te grove grappen, te fel reageren, te opzichtig jezelf etaleren en daarmee vals. Want iedereen was bang voor de stilte, die als koude nevel zich een plek dreigde te veroveren in de groep. Stilte betekent nadenken en dat wilde niemand gisteravond. Alleen Jaquan trok zich er niets van aan. Hij wilde geen alcohol, ook niets van Tarje’s zelfgemaakte wijn van rubus fruticosus, waar iedereen voor viel en sommigen later letterlijk van omvielen. Jaquan maakte wel indruk, „Ik wil helder blijven. Als het morgen zo belangrijk is, dan wil ik weten wie ik ben en waar ik sta.“

Nu, vanmorgen heeft de spanning ook Jaquan bereikt, die te vaak naar de grond staart en regelmatig door zijn opgebonden haren glijdt met een hand. Bij Tarje’s volgende grap over Zafrina’s heupen, lacht hij mee. Kort, luid en leeg.

Dario voelt, dat Corvin naast hem komt staan. Een vertrouwde schaduw in zijn ooghoek. Corvins schouders zijn breder, zijn ogen registreren alles en hij praat niet zo veel. Zijn aanwezigheid heeft het effect van een regelmatige hartslag op Dario. Bij hem is Corvin altijd oprecht. Dario kijkt eens goed opzij en merkt bij Corvin spanning op rond zijn mond. Verder valt niets op, alleen lacht hij korter dan anders. Zijn armen houdt hij over elkaar in een poging niet te veel van zichzelf prijs te geven. Corvin kijkt terug, open, onbevangen en knikt. Waarmee hij alles zegt.

Het roept bij Dario een herinnering op, hoe ze elkaar hebben ontmoet als jongetjes van acht. Luana en Hiltwin waren met Dario teruggekeerd naar hun wortels, zoals zijn moeder het uitdrukte, na jaren overal en nergens rondzwerven. Tot dan kende hij alleen zijn ouders, hun stemmen en hun onuitgesproken hoop. Voor de andere jongens was Dario een nieuw gezicht, dat van buiten kwam en niet wist welke boom welke functie had, waar je het beste in het meer kon springen en welke gebruiken het Roedel had door het jaar heen. Corvin was ook toen al wat stiller, stelde geen vragen, maar observeerde en ging op de tweede dag naast hem zitten, terwijl de rest een moddergevecht hield, en zei, „Als je wilt, laat ik je zien, waar de vogels het mooiste zingen.“

Dit markeerde het begin van Corvin en Dario als koppel. Ze trokken samen op, omdat beiden niet goed pasten in de chaos van de anderen. Corvin met zijn diepgang, Dario met zijn drang om het goede te doen. Als ze ’s nachts niet konden slapen, maakten ze de ander wakker om samen op daken te klimmen of in het woud rond te dwalen, sterren te tellen.

Nu staan ze naast elkaar, eigenlijk net zo als twaalf jaar geleden, wel groter en krachtiger, allebei voorzien van een eigen wolf, die langzaam tot leven komt en beide met het idee, dat vandaag veranderingen brengt. Dario wil iets zeggen, wat hij normaal moeilijk kan uitdrukken, maar wordt onderbroken door de chaos om hen heen.

„Hé, heb je gezien hoe die blonde keek? Ze scheurt je in stukken als je zo langzaam bent.“

Er wordt hard en grof gelachen. Gilgian maakt een obsceen gebaar en krijgt een duw van Tarje, „Als ik haar grijp, gaan we direct trouwen.“

„Als ze niet sneller rent dan jij, dan is ze blind of de weg kwijt of ze heeft haar been gebroken,“ pareert Gilgian weer. Rulan breekt het onderlinge uitdagen open, „Dario, zeg eens wat! Jij krijgt weer de mooiste! Wedden?“

De schreeuw om aandacht haalt Dario terug de groep in. Langzaam draait hij zich half naar de anderen, zet zijn gewicht op één been en toont een deels spontane grijns, „Als jullie zo doorgaan, eindigen jullie in Alda’s kruidenkelder in plaats van bij een meisje.“

„Kruidenkelder is beter dan een kuisheidsgordel,“ wrijft Rulan met veel theater over zijn kruis. Het gelach lijkt meer op een roep om zich te verzamelen, inclusief een klop op de schouders. Gilgian brult het hardst en wrijft over zijn buik, alsof Dario net de beste grap van de dag heeft gemaakt. Tarje laat zich in het gras zakken en geeft zijn imitatie van een heilig slachtoffer van de genezeres.

Natuurlijk speelt Dario mee. Het is gemakkelijk om deze kant van zichzelf te laten zien. De jongen, die weet wat hij doet, die iedereen vertrouwt, de ongekroonde koning en de meest zekere kandidaat voor het Ritueel. Daaronder, verborgen onder zijn borstbeen, diep achter zijn ribben, zit een scheur. Met moeite te ontdekken, maar zeker aanwezig.

De jongens gaan door. Tarje haakt aan, „Stel je voor, dat je een meisje krijgt, dat jou niet wil. Wat doe je dan? Stuur je haar bloemen?“

„Ik stuur haar een tekening van mijn beste troef in cadeaupapier,“ reageert Gilgian brutaal. Tarje buigt zich dubbel van de lach, „Dat zal haar op andere gedachten brengen. Een wonder, dat je normaal loopt, met zo’n groot ego tussen je benen.“

Dario lacht even mee, omdat het van hem wordt verwacht, niet omdat dit zo’n humorvol hoogtepunt is. Een van de anderen duwt tegen Tarje’s ribben, stevig en vriendschappelijk, „Waarschijnlijk ben je de eerste in eeuwen, die wordt afgewezen door een meisje. Maar met jouw gezicht weet je het nooit helemaal zeker!“

Het volgende luide gejuich heeft een ondertoon van het huilen als wolf. Dario doet vrijwel automatisch mee.

„Hé, Dario, als je straks daar binnen bent, vertel de oude vrouw, dat ze jullie allebei moet zegenen. Dan herkent Panja jouw wolf niet meer, omdat je heilig bent en blijft meer voor mij over.“

Dit is zo absurd, dat Dario het uitproest, ondanks zijn onderliggende gevoelens.

„Ik waarschuw alleen maar, voor het geval je weer de mooiste van mij afpakt.“

„Iemand zoals jij? Wie jou wil, bespaart mij veel moeite,“ pareert Dario nonchalant.

Iedereen valt stil, alle ogen gaan naar Alda’s huis. De plek waar iedereen wel eens is geweest, na een val uit een boom of een te scherpe rand van een rots, voor verzorging en troost. Bij dat huis is zojuist de deur geluidloos opengegaan. Voor één iemand is het wachten voorbij. Vervolgens klinkt een kalme, heldere stem, die gedragen wordt door iets, dat ouder is dan elke ongeschreven regel in het Roedel, „Dario.“

Alleen zijn naam en dat is genoeg. Voor een moment lijkt de grond onder hun voeten te trillen, terwijl de rest de adem inhoudt.

Dario stapt naar voren, op de automatische piloot zet hij de ene voet voor de andere en kijkt nog een keer om, voordat hij verder loopt. Precies op dit moment maakt hij onbedoeld oogcontact met een andere jongen. Ondanks de vage, bijna wazige herinneringen herkent hij hem direct. Elmo, Alda’s kleinzoon, die buiten het Roedel woont en zelden bij zijn Oma wordt gesignaleerd. Dario weet niet eens of Elmo hem eerder is opgevallen, tot nu toe was hij een stip in zijn ooghoek, een schaduw tussen anderen. De helderblauwe ogen tonen een doordringende, heldere, wakkere blik, die doordringt tot op zijn kwetsbare plekken. Echt verklaren kan Dario het niet, Elmo bereikt hem, waar hij anderen nooit toelaat. Het is anders dan flirten, elkaars rivalen zijn ze zeker niet, maar wat gebeurt hier? Alles om hem heen lijkt stil te staan, terwijl hij zich voortbeweegt.

Dario houdt het niet uit, kan de intense ogen maar kort aan en draait zich verder om. De anderen geven Dario een hartelijke omarming, schouderklop of een bemoedigende glimlach mee. Corvin fluistert snel, „Ga en haal je teken, toekomstige Alpha.“

Dario loopt naar de beschermende veiligheid van het huis, waar Alda een stap opzij doet om hem binnen te laten, de deur te sluiten en waar zijn ogen moeten wennen aan het weinige licht. De kamer is gevuld met het zwakke licht van kleine kristallen, die als gloeiende kolen in de schaduw hangen. Rook vult de lucht, zonder hem de lucht te nemen, zwaar van onbekende geuren, daaronder iets scherps en iets zoets. Hemel en aarde komen in één ruimte samen. Dario moet wel stilstaan om alles op zich te laten inwerken.

Op zich kent hij deze kamer, zoals iedereen in het Roedel. Alda’s huis is de combinatie van hout en magie, een plek, waar een wolf net zo thuis is als in het woud. De bewoonster verschijnt voor zijn ogen en gebaart hem te volgen. Het golvende haar beweegt in hetzelfde ritme als de rest van haar kleding. Waar ze ook is, haar aanwezigheid maakt dingen makkelijker. Tegelijk kan ze iemand een zware last meegeven.

„Dario, je bent groot geworden,“ klinkt haar stem alsof ze hem eerder heeft gevoeld dan gezien. Hij doet een stap in haar richting en glimlacht oprecht, maar zwak, „Zoveel is er niet meer bijgekomen de laatste jaren.“

Net zoals iedereen, die voor eerst mee mag doen aan het Ritueel, is hij nu twintig en op die leeftijd is een groeispurt zo goed als uitgesloten. Hij heeft met zestien zijn lengte bereikt en is daarna alleen in de breedte gegroeid, een gevolg van alle trainingen. Alda glimlacht op zo’n manier, dat hij zich ontmaskerd voelt in plaats van te horen, hoe hij zich zou moeten voelen.

Zijn grootmoeder is ze niet, al zal hij zeker niet de enige zijn, bij wie ze dat gevoel oproept. Vroeger smeerde ze zalf op zijn knie, als hij daarop gevallen was. Toen zijn moeder voor het eerst met natte ogen voor haar huis stond, omdat ze onzeker over haar plek in het Roedel was, heeft Alda hem getroost door haar armen om hem heen te slaan. Ze heeft samen met hem gezwegen, wanneer hij last had van te veel drukte in zijn hoofd, die hij niet in woorden kon uitdrukken. Waar Alda is, mist hij anderen niet meer. Dario mag haar en dat komt recht uit zijn hart.

Vandaag reageren zijn schouders op haar oude, heldere ogen, die alles zien, ook wat hij zelf niet ziet. Geen vraag of hij er klaar voor is, in plaats daarvan observeert ze hem en trekt haar eigen conclusie, want ze knikt rustig en wijst naar een kruk in het midden van de kamer, „De lucht is vandaag onrustig. Het wordt een speciale dag.“

Hij knikt, hoeft niets te zeggen, volgt zijn gevoel en zit al, voordat hij beseft, dat hij is gaan zitten om daarna ongevraagd zijn shirt uit te trekken. De cirkel op de vloer om hem heen toont Alda’s verzameling aan willekeurige voorwerpen, die samen voor de genezeres een speciale betekenis hebben. Alda gaat achter hem staan, haar vingers strijken over zijn voorhoofd en hebben een verkoelend effect. Het is een zalf.

Dan loopt ze om hem heen en raakt zijn borstkas aan. Haar vingers tekenen een symbool met olie. Hij voelt, dat iets in hem reageert. Alda merkt zijn reactie en fluistert, „Ademen, Dario, accepteer het.“

Hij zuigt zijn longen vol en daarmee bereiken de geuren zijn neus. Alda spreekt, oude woorden uit een oude taal. Het is meer neuriën dan spreken, wat de lucht laat trillen, de rook laat dansen en het licht in druppels opbreekt. Ondertussen begint iets in hem steeds sterker te gloeien en van zijn vingertoppen tot diep in zijn buikholte te trillen. Zijn wolf kijkt op en volgt gefascineerd wat hier gebeurt.

Ineens is hij met al zijn zintuigen in het hier en nu aangekomen, terwijl de warmte van binnen zich door zijn hele lichaam uitbreidt. Alda komt terug in zijn gezichtsveld, gaat voor hem op haar knieën zitten. Haar ogen zijn iets donkerder, haar stem iets rauwer dan eerder. Haar ogen houden hem op de kruk en Dario voelt zich ineens kwetsbaar, al beantwoordt hij het oogcontact. Zijn normale houding en glimlach zijn te weinig voor Alda, die een hand op zijn schouder legt. De oude vingers hebben meer kracht dan de spieren in zijn schouders.

„Niet elke jager zoekt iets om te vangen.“

Een mystieke zin, zacht met een scherpe rand. Dario voelt enkele spieren uit reflex samentrekken. Alda’s stem blijft rustig en vriendelijk, terwijl haar duim over zijn bovenarm streelt, „Vertrouw op jezelf, op je instinct en vergeet niet te ademen, jongen.“

Ze drukt nog een flesje olie in zijn hand, laat hem los en hij trekt zijn shirt aan, hoort alleen het geritsel van haar gewaad als ze een paar stappen achteruit loopt. Dario blijft zitten, misschien langer dan nodig, om de woorden te verwerken. Ze breken iets in hem open, laten zijn innerlijke druk verdwijnen en dat proces doet pijn. De woorden raken hem op een plek, die hij tot nu toe zorgvuldig heeft afgesloten. Ongewild houdt hij even zijn adem in, misschien net te lang, want iets beweegt hem en dat kan hij niet meer beïnvloeden. Met een ruk staat hij op, de kruk rolt over de vloer en voelt, dat zijn lichaam te veel energie heeft, die naar buiten wil. De achterdeur is dichterbij. De deur, die hij als kind gebruikte, wanneer de ouderen over verantwoordelijkheid spraken. Op dit moment een vage rechthoek voor zijn ogen, desondanks vindt hij de deur en gooit hem open. De rook binnen ruilt hij in voor de warmte van de zomer.

Dario rent weg, het woud in, waar de grond zijn vriend is, waar bladeren zijn voeten kietelen, waar takken naar zijn armen reiken, waar de geur van mos en bloeiende planten zijn longen vult. Het is niet meer lopen, ook geen rennen, het wordt springen met zoveel kracht, dat het voor mensen niet meer te controleren is. Dario laat zijn wolf het overnemen.

Alle spieren in zijn lichaam worden geactiveerd, spannen en ontspannen zich, terwijl ze zich voorbereiden op de schok. Grommend haalt hij adem en loopt verder op ... vier poten, terwijl zijn vacht dikker wordt en zijn hartslag versnelt. Hij is niet meer Dario, hij is zijn wolf en draaft verder het woud in, op zoek naar meer rust en meer schaduw tussen de bomen. Zijn instinct weet waar hij heen gaat. Midden in het woud, waar nog nauwelijks zonlicht de bodem bereikt, is hij op zijn doel aangekomen en voelt zich ... vrij.

Instinct

Geplaatst: do 18 jun 2026, 10:19
door Jablan
Instinct – 5 Dario – Kiezen

De nacht kondigt zich aan door de lucht in violet, goud en zacht blauw te verkleuren. Deze avond of nacht brengt veranderingen op gang. Iedereen voelt het, een enkeling spreekt het hardop uit. De open plek, op andere dagen een rustig, slapend plein tussen oude bomen, is vandaag gevuld met leven. De vuurkorven zijn wat eerder dan normaal aangestoken en laten de plek onwerkelijk warm overkomen. Exotische geuren stijgen op en de rook drijft in lange pluimen boven het lange gras. Schaduwen dansen over gezichten en over de houten palen, die het midden van de cirkel markeren.

Dario is al eerder teruggekeerd van zijn ronde ‘de wolf uitlaten’ en kent de reden achter de geuren. Alda heeft in elke vuurkorf kruiden gestrooid. Dan heeft het een diepere betekenis, die hij niet kent. Voor Dario zijn kruiden gewoon nuttige planten, die het eten beter laten smaken of waarmee wonden sneller genezen.

De ouderen zitten of leunen achterover, de gesprekken worden op zachte toon gevoerd. De kinderen rennen in kleine groepen rond. Ze spelen hier, totdat hun ouders ze opvangen, wanneer ze moe zijn, tussen de gelukkige jongens en meiden, die door Alda gezegend zijn en van een symbool voorzien. De laatsten staan in twee rijen langs beide kanten van het plein, gescheiden door een onzichtbare muur van stilte.

Dario staat bij zijn vrienden. Jaquan naast hem, licht voorovergebogen, zijn ogen onrustig. Rulan meer naar voren, zwaait en praat met zijn armen, geeft Tarje een duw, die prompt lacht. Corvin iets opzij met de ogen op het vuur dichtbij gericht in plaats van op de andere rij aan de overkant. Gilgian dringt zich er tussen en kan nauwelijks zijn benen stilhouden en na een paar seconden ook zijn mond niet, „Stel je voor ... De genezeres komt vandaag in haar gewaad met eronder alleen wind en hoop.“

„Alsjeblieft niet, dan kan ik direct hier in het stof bijten,“ kreunt Rulan geacteerd. De twee lachen. Tarje valt bijna tegen Corvin aan, die hem afweert en zijn hoofd schudt bij de ongepaste opmerking over hun genezeres.

Dario lacht kort mee, geoefend, zijn gezicht laat zien wat het op andere momenten ook toont. Van binnen voelt hij zich stil. Desondanks begrijpt hij de opmerking. Ze zijn allemaal opgewonden, aangejaagd door de verwachtingen en bij de vooruitzichten. Sinds de zegen en het rennen is zijn eigen wolf direct bij hem. Niet huilend, grommend, agressief of wild, maar alert, rusteloos, gehaast en klaar om erop uit te trekken. Het is moeilijk om hem op afstand te houden en de drang te onderdrukken om op elk gebaar, elk geluid, elke geur en vooral elke beweging te reageren. Kalm, tegelijk vastbesloten houdt hij zijn hand op zijn dijbeen, zodat hij iets voelt, dat er niet met hem vandoor gaat. Zijn instincten, zijn diepste wensen zijn tijdens de ceremonie bij Alda naar de oppervlakte gereisd en willen zich niet meer verstoppen.

Zijn ogen dwalen langs alle aanwezigen. Luana staat helemaal buitenaf, aan de rand, tussen twee andere moeders. Ze heeft zich feestelijk gekleed met een meerkleurige sjaal, haar kapsel compleet in model gebracht, haar handen in elkaar en straalt van trots. Wanneer ze hem ziet, steekt ze haar hand op, zwaait enthousiast en Dario ziet haar ogen fonkelen. Ook zijn moeder heeft een eigen wolf in zich, maar veel beter onder controle dan hij zelf. Mechanisch glimlacht hij even naar Luana en ... naar Hiltwin, die opeens naast zijn moeder opduikt, rustig als altijd – alleen een hoofdknik, geen uitbundige bewegingen – en vandaag in donkere kleuren onderweg. Dario beantwoordt de groet. De betekenis is dieper. Vandaag is een test, wil Hiltwin duidelijk maken.

Dario’s ogen zoeken verder en vinden Panja aan de andere kant van de cirkel, in het midden van drie jonge vrouwen, allemaal op blote voeten, met los haar en in lichte stoffen gekleed. Ze lacht om iets, dat een vriendin in haar oor fluistert en draait zich ineens om naar hem met warme ogen, terwijl haar vingers gebaren, van een zoen via verbinding naar bezit. Dario maakt een instemmend gebaar en knipoogt. Dit is haar spel en hij doet mee. Van binnen voelt hij geen enkele reactie. De beroemde vlinders zwerven elders rond. Het brandende verlangen is in de vuurkorf in rook opgegaan. De diepe echo van leegte in hem laten zijn ogen verder kijken, naar zijn eigen groep, naar de jagers.

De meeste anderen kent hij, maar er zijn ook nieuwe gezichten. Jonge mannen uit andere Roedels, die op zich te klein zijn om met succes een eigen Ritueel te organiseren of die rondreizen en nu van de gelegenheid gebruik maken. De eerste van de reizigers is drie weken geleden aangekomen. Dario heeft met de meesten al kennisgemaakt, ’s avonds rond het vuur gezeten, een bier gedronken en naar hun verhalen geluisterd. Hij vond het heerlijk zich te verliezen in hun woorden en in zijn hoofd mee op reis te gaan, over dingen te horen, die hij nog niet kent en misschien nooit uit eigen ervaring leert kennen. Een hoofdknik naar één van hen levert een bemoedigende glimlach retour op, begeleidt door een opgestoken duim.

Zijn ogen gaan verder rond en ontdekken aan de rand Elmo, die net een halve stap te ver weg van anderen staat om deel van een groep te zijn. Met rechte schouders, met totale ontspanning op het gezicht en zijn ogen gericht op de grond voor hem. Hoewel Elmo dezelfde kleding draagt als de andere jagers – alleen een linnen broek met een koord – komt hij anders over. Geen spoor van onzekerheid, eerder in rust en vrede met zichzelf. De juiste persoon op het goede moment op de perfecte plek?

Zo lijkt het te zijn, besluit Dario en zoekt de verschillen met zichzelf. Zijn broek kleeft aan hem door de warmte en de rook, zijn borstkas toont de onderliggende spanning. Aan zijn koord bungelt het flesje olie van Alda. Niet iedereen heeft dat gekregen of sommigen zijn het vergeten bij zich te houden. Verder is iedereen gelijk. Stof van de open plek onder de voeten en afgezien van de driekwart broek is elke jonge man naakt, kwetsbaar, klaar, onbeschermd, open voor wat komt. Het is wachten op de roep, die de lucht laat vibreren. Het nog werkende deel van zijn geest vraagt zich af, of de wolf in hem hier naar verlangt, want die meldt zich weer met iets meer nadruk.

Rulan geeft hem een lichte duw tegen zijn schouder en fluistert, „Het begint zo.“

Het helpt hem om terug te keren naar zijn directe omgeving, terug te gaan naar wat er van hem wordt verwacht.

Bernardo stapt naar voren. Al twaalf jaar zijn Alpha. Altijd met kaarsrechte rug, breed gebouwd en met een innerlijke rust, die kracht uitstraalt en in principe aangeboren is. Nu ziet hij er verzorgder uit dan op andere dagen. Zijn heldere ogen spreken, zijn hard wanneer het nodig is, meestal warm voor wie hij de Alpha is. De paar stappen naar het midden zijn voldoende om iedereen stil te krijgen. Alda volgt hem, haar passen zijn iets korter. Net als de Alpha loopt zij met een rechte rug, in een ander gewaad dan eerder vandaag en ook zij hoeft niets te zeggen om aanwezig te zijn en iedereen onder te dompelen in haar warmte.

Bernardo kijkt rond en concludeert met een tevreden lach op zijn gezicht, dat iedereen er is. Met zijn welluidende stem opent hij de avond, „We begroeten jullie op deze dag, op deze dag, om een oude roep te volgen, ouder dan onze namen, onze huizen, ons verleden.“

Bernardo draait zich nu meer naar de jonge mannen en vrouwen.

„Vandaag treden onze jonge wolven in het licht. Ze dragen het vuur in zich, waardoor we blijven bestaan. Ze dragen de roep, zelfs als ze nog niet beseffen. Ze dragen de verantwoordelijkheid, voor zich zelf, voor elkaar, voor ons en voor elk roedel, dat zij met hun stappen naar de toekomst brengen.“

Een lichte bries bereikt de open plek, waardoor het vuur onrustig brandt en de rook zich breder verspreidt.

„Sommigen komen van ver. Jullie hebben de roep gehoord en zijn gekomen. Dat spreekt voor jullie. Vandaag beslissen naam noch plaats noch afkomst. Alleen jullie eigen wolf kiest.“

Bernardo neemt de tijd om naar elke jonge man en vrouw te kijken, met een kalmte, die effectiever is dan elk woord of gebaar.

„Als je elkaar herkent, laat het toe en zo niet, ga dan verder. Niet elke roep vindt vandaag gehoor. Vertrouw op je wolf om je te leiden. Alda, is iedereen zover?“

Alda’s ogen glijden onderzoekend over de jonge mannen en vrouwen. Ze voelt aan wie er klaar voor is, heeft haar handen gevouwen en knikt kort naar Bernardo, die een stap terug doet en zijn hand opent. Voor Alda het signaal om te beginnen. Als eerste een stap naar voren. Haar beweging is niet veel meer dan wat geritsel, maar heeft het effect van een onverwachte blikseminslag na groot onweer.

Dan wandelt ze naar de rand van de open plek, de toegangspoort tot het woud, en knikt naar de jonge vrouwen, die beginnen aan hun gedeeltelijke transformatie. Vooral de ogen veranderen, het licht krijgt een andere reflectie en de bewegingen worden minder mens, meer dier. Deze eerste stap laat de innerlijke wolf wakker worden, iedereen scherper ruiken en met meer kracht reageren.

Alda let op iedereen en wanneer ze tevreden is, wenkt ze met haar handen. De meiden halen adem. Een commando of een huil om de groep aan te sporen, zijn volledig overbodig. Alleen de wind verandert van richting. De groep komt in beweging. Wit linnen danst om de lichamen, blote voeten veroorzaken een kleine stofwolk, de jonge vrouwen rennen ... over de open plek naar de eerste bomen en verdwijnen in het woud. Als geesten zo snel en vrijwel zonder geluid.

Zodra de eersten uit zicht zijn, gaat er een schokgolf door de groep jongens. De spanning bouwt zich verder op. Benen, armen en de bovenlichamen doorstaan een trilling. Roerloos stilstaan wordt een onmogelijke opgave. De kaken worden op elkaar geklemd, de handen gebald, hier een zucht, daar een grom en ogen staren vurig in de duisternis, waar de groep in is verdwenen. De wolven in hen ontwaken. Wie het voelt, merkt het andere hartritme. Het trillen anticipeert op de komende ... jacht.

Jaquan staat meer in elkaar gedoken, klaar om toe te slaan. Rulan schuift met zijn voet over de grond, bereidt zich voor op een stevige afzet. Gilgian heeft zijn neus in de lucht, herkent elk kruid van Alda afzonderlijk. Corvin beweegt niet, maar zijn borstkas gaat heftig op en neer. Dario haalt langzaam en diep adem. Zijn wolf zit dicht onder zijn huid en hij wil nog maar één ding. Rennen!

Alleen wie goed kijkt, ziet nog een laatste glimp van de jonge vrouwen. Het witte linnen verschijnt hier en daar tussen de bomen, voordat het woud ze helemaal opslokt. Dan komt bij de jongens de wolf nog meer naar voren. Met meer aandacht het woud in kijken, de rest van het roedel niet meer zien, alleen nog ruiken, grommen, zelfs een verdwaalde huil is te horen. Vooral de gespannen spieren en het automatisch reageren op elke beweging, vallen op.

Als eerste kan Rulan het niet meer controleren. Zijn schouders gaan op en neer zoals bij elk ander roofdier, dat op zijn plek wordt gehouden. Bij Jaquan spant het koord om zijn middel, waar alle spieren onder hoogspanning samenkomen. Zelfs Corvin verliest van zichzelf en moet toegeven. Zijn ogen flitsen, zien meer en reageren sneller dan als mens. Dario merkt zelf, dat zijn lichaam van binnenuit warmer wordt. De verandering wil hem, iets minder snel dan eerder vandaag. Dario wil het zelf ook, meer dan hij durft toe te geven. Zijn oren bewegen autonoom, horen elke brekende tak in de omtrek. De mengeling van geuren – de rook, de kruiden, het zweet – en feromonen drijven hem bijna tot waanzin.

Half mens, half dier en slechts een paar hartslagen verwijderd van loslaten. Alda en Bernardo houden de groep jongens samen in bedwang, met opgestoken handen. Een laatste blik naar iedereen, voordat Bernardo zijn mond opent en een oeroud geluid van achter uit zijn keel laat horen. De roep van de Alpha. De start van het Ritueel. Het geluid rolt als een golf uit over het veld.

Alles komt in beweging. Een explosie van testosteron, kracht en instinct. Dario is één van de eersten, die wegrent, gevolgd door Rulan of Tarje. Op dit moment nog op twee benen, de anderen halen hem moeiteloos in. Verderop klinkt de eerste huil. Jaquan is al in het woud. Ze rennen hun neus achterna, letterlijk. Hoewel ze niet te zien zijn, ruiken ze de anderen. Iedere jonge vrouw heeft een geurspoor achtergelaten. De wolf in elke jonge man neemt het over. Ze worden geleid, aangetrokken door het wilde, zijn als magneten op zoek naar de andere pool.

In het woud merkt Dario de geuren op. Ze hangen als gloeiende draden in de lucht of als druppels op de bladeren. Geen enkele geur spreekt hem aan. Dario rent verder en dan gebeurt het ... net als eerder vandaag wordt hij helemaal wolf, terwijl de anderen in hun grotendeels menselijke gedaante het woud onveilig maken. Hij blijft rennen met een gescheurde broek om zijn middel, maar niets is aantrekkelijk genoeg om er achteraan te gaan. Dan stopt hij, gaat op de bladeren zitten, terwijl de grond trilt onder de passen van de anderen, al zijn ze verder weg en heeft hij een plek voor zich alleen gevonden. Wat nu? Bestemming onbekend? Volgend jaar beter?

Hij snuffelt, laat de lucht intens zijn reukcellen passeren en zoekt verder. Met zijn neus, vooral met zijn kop en meer nog, met zijn instinct. Zijn hartslag wordt onregelmatig in een te hoog tempo. Rust is nodig en met zijn tong uit zijn bek gaat hij hijgend liggen. Zijn oren vertellen, dat de anderen precies weten wat ze doen. Iets in hem scheurt open, begeleidt door een flits voor zijn ogen. Dan trekt een beweging zijn aandacht. Niet voor hem, maar van opzij. Een schaduw vliegt door het kreupelhout. Schijnbaar op de vlucht in plaats van te jagen ... en volledig wolf. De witte lappen stof rond de romp, het silhouet en de beweging maken duidelijk, dat dit één van hen is. Zijn gevoel zegt, dat hij achter de ander aan moet gaan.

Het tempo van de ander volgt een innerlijke dwang en eenmaal voorbij hem, ziet Dario de energie van de andere wolf. Het is totaal anders dan gedacht en verwacht. Een mogelijke innige band op basis van tederheid en intimiteit wordt binnen een seconde ingeruild voor wildernis, een felle storm, vochtige huid, trillende spieren, zout en zweet. Nu heeft hij de geur in zijn neus, die werkt als een vriendschappelijke stoot tegen zijn ribben. Hij gromt, spant zijn spieren en rent achter de wolf aan, zonder na te denken, gedreven door verlangen. Zijn achterpoten garanderen een passende tred, die snel, stil en stevig is. Zijn voorpoten helpen na kleine obstakels veilig te landen. Zijn ogen zien details scherper dan ooit. Lichtinval op de bodem, bewegende schaduwen, de kleine takken op de bodem. Alles is in beweging en hij volgt het spoor.

Hij komt langs de eerste wolven, die elkaar al gevonden hebben en nu door het struikgewas dansen, daarbij een tapijt van steunen en kreunen uitrollen. Het kan hem niets schelen, want zijn doel gaat er veel te snel vandoor. Zijn ademhaling wordt gelijkmatig. Hij heeft geen haast, is in zijn element. Zijn oren zijn gespitst en ontdekken zacht gekraak, twee ademhalingen verderop. Zijn hart klopt weer in een normaler tempo, voorbij de paniek en gerustgesteld door zijn observatie. Daar is het spoor weer. Geen duidelijke geur meer, maar trillingen in de lucht verraden de energie van zijn doel. Dario voelt het, tot in het puntje van zijn staart. De ander is redelijk dichtbij, rent zonder een duidelijke richting, lijkt het woud niet te kennen. Dario weet, waar hij heen gaat en volgt hem zonder na te denken, zonder strategie.

De andere, aantrekkelijke wolf flitst tussen de bomen door als een schaduw, die probeert aan het licht te ontkomen. Soepel, snel en onvoorspelbaar onder takken door, door een veld met varens, een heuvel op, langs een kleine open plek met mos. Dario heeft slechts één keuze. Volgen. Zijn instinct volgen. Deze ene wolf volgen. De grond onder zijn poten is zacht, de lucht doordrenkt met leven. Mos dempt geluiden en lage takken glijden over zijn vacht. Aangespoord door de wil om dichtbij de ander te zijn, de ander te voelen, aan te raken. Af en toe moet hij opnieuw bepalen waar hij heen gaat, want de andere, mooie wolf strooit met sporen, zoals Alda met vogelvoer. Daar is hij ... straks bereikt hij hem.

Zijn doel is slim, wijkt regelmatig uit, verdwijnt achter omgevallen bomen om even later vanaf een andere kant tussen struiken door weer op te duiken. Dario past zich aan en draaft soms sneller, soms langzamer, steeds dieper het woud in, steeds verder weg van het Roedel. Boven alles is hij verrast over hoe scherp hij ziet.

Echt in vorm is zijn wolf niet. De elegante bewegingen missen kracht en zijn schouders vangen de klap na elke sprong steeds slechter op. Waardoor Dario begrijpt, dat hij nu moet reageren met een grote sprong. De andere wolf draait zich om, precies op tijd om hem te zien aankomen... en opzij te rollen. Dario mist doel en geen moment later ligt hij zelf op de grond, voelt iets zijn nek vasthouden, ontdekt in zijn ooghoeken links en rechts twee voorpoten op de grond en wordt door iets zwaars op zijn rug tegen de grond gedrukt. Hij probeert zich onder de ander uit te draaien, wat ermee eindigt, dat ze grommend tegenover elkaar zitten, hijgend met de tong uit hun bek en een opgetrokken voorpoot, daarmee laten zien niet echt te willen vechten.

Dario piept en duwt met zijn neus tegen de andere kop. De piep terug vertelt Dario, dat het goed is. De voorpoten gaan terug naar de grond. Een moment vol hitte, trillingen en in de ogen van de ander verlangen in plaats van angst opmerken. De wild aantrekkelijke wolf steekt zijn kop naar voren en likt Dario over de kop, waarop hij tevreden gromt en de ander zijn kop naar beneden houdt, zodat Dario daar, tussen de oren, kan likken. Het is lekker en de beloning is een korte grom.

Dario gaat liggen, op zijn zij en de ander doet hetzelfde, ligt tegenover hem. Het oogcontact blijft. Met zijn voorpoot geeft hij aan meer contact te willen, waarop de onbekende andere wolf over de grond rolt en naast hem op zijn achterpoten gaat zitten en aarzelend met zijn kop Dario’s lichaam verkent. Snuffelen, likken en Dario geniet ervan. Het is nieuw, tegelijk vertrouwd, onbekend en heerlijk.

Bij het volgende directe oogcontact start iets anders. Ze voelen het aankomen. Het verlangen naar de ander trekt door hun hele lichaam, van de kussens onder de voorpoten of de neusharen tot in het puntje van hun staarten. Hun wolven hebben gekozen zonder te aarzelen. De lichaamstaal zegt ‘ja’ tegen de ander. Dario springt op, staat recht tegenover de ander, die direct zijn kop langs zijn schouder legt, daarmee Dario de ruimte geeft hetzelfde te doen. Van binnen worden ze warmer, voelen de ander meer dan zichzelf en dat door hun hele lichaam. De warmte gaat over in extase, begeleidt door piepen, grommen, licht huilen, terwijl hun poten ongecontroleerd in de grond graven. Het is meer dan instinct, eerder een teken en belofte voor meer. Hun adem getuigt van het effect. Het oude ritueel laat ze in een gelijk tempo ademhalen.

Re: Instinct

Geplaatst: do 18 jun 2026, 10:19
door Jablan
Instinct – 6 Elmo – Samen

Elmo snuffelt, terwijl hij zijn kop tegen de flank van de ander houdt en hij ruikt vacht, woud, blad, mos, wat bij elkaar zijn verlangen aanwakkert. De warmte in hem gaat over in het gevoel van hitte. Tegelijk rollen andere emoties zijn kop binnen, zoals verrassing en verbazing. Waarom deze wolf? Waarom nu? Is dit echt? Kan dit?

Dan volgt het besef. Dit is zoals het is bedoeld. De gedachte maakt hem rustiger. Snel komt het andere gevoel naar voren. Elmo geniet van het contact, wat door de ander kort wordt verbroken, die nu met zijn neus voorzichtig tegen zijn neus duwt, waardoor het oogcontact wordt hersteld.

Opnieuw staat alles even stil. De pupillen zijn groot, de blik daarachter vurig. Het windt hem op, zonder dat hij zelf direct merkt. Het moment strekt zich in de tijd, verovert een eigen plek in zijn geheugen. Tegelijk blijft hij onwrikbaar en kalm staan. Nog is het niet zover. Het is stil, afgezien van hun licht hijgende ademhaling. Totdat een zachte grom van de ander zijn instinct tot actie aanzet.

Hij springt op, draait zich in de lucht en landt bovenop de ander, bijt in de nek, waardoor de ander verstart. Met zijn voorpoten links en rechts van de schouders op de grond en dijbenen naast de heupen heeft hij genoeg grip om zijn verlangen om te zetten in daden. De andere wolf reageert met een gretige piep. Elmo’s borstkas gaat sneller op en neer, zijn ogen verliezen focus, zijn hormonen stuwen hem snel naar een orgasme, dat zo intens is, dat hij de nek vanzelf loslaat.

Het geeft de andere wolf de kans het spel razendsnel om te draaien. Voordat Elmo het goed en wel beseft, wordt zijn achterlijf tegen de grond gedrukt en voelt hij een greep in zijn nek, die hem deels verlamt, maar ook zijn verlangen verder vergroot. Bij de eerste druk op zijn achterlijf piept hij en houdt daarna zijn bek open om beter te ademen. Met zijn ogen halfopen voelt hij meer dan hij ziet. Een intense energie, het gewicht op zijn rug en de synchrone bewegingen. Voor hem de bevestiging, dat dit zijn wolf is. Totdat de voorpoten naast zijn kop licht trillen en hij zijn nek weer vrij kan bewegen. Voor nu is het voorbij, maar volgens zijn gevoel zijn ze nu pas begonnen. Hij rolt zich op zijn rug om zijn vertrouwen te tonen.

De andere wolf staat op en piept zacht. Hij wil iets, springt naar voren en kijkt achterom. Elmo begrijpt het, komt overeind en gaat naast hem staan. Nog even ruiken, een kleine grom en dan draven ze in een redelijk tempo naast elkaar over een pad ... over de paden, waarbij ze elkaar scherp in het oog houden – alsof ze allebei willen zeggen, dat ze elkaar gevonden hebben en niet meer kwijt willen, nog geen seconde.

Redelijk ver weg van de drukte in het woud wordt het tempo langzamer en merkt Elmo, dat de omgekeerde transformatie begint. De verandering eerder op de avond heeft hem compleet overvallen. Nu is hij gelukkig, dat er een ander bij is, die hetzelfde meemaakt. Als laatste veranderen zijn ogen, ineens ziet hij minder ver, minder scherp en herkent de ander. Dario!

In alle dromen de laatste tijd was de andere wolf altijd vaag, onherkenbaar, een contour. Nu staat Dario naast hem en Elmo kan maar één ding doen. Zijn armen om hem heen slaan, dicht tegen zich aan drukken en vol op de mond zoenen, proberen rechtop te blijven met trillende benen, licht grommen en de geur van de ander een plek in zijn hoofd geven. Hun wolven houden zich op in de achtergrond en hebben de laatste twijfels meegenomen naar hun rustplek.

Het woud vervaagt, hun lichamen wrijven tegen elkaar aan en Elmo geniet van het contact. Lief, stevig, intens en het verlangen komt terug, voor zover het weg is geweest. Dan valt het hem op. Hun opengescheurde broeken hangen om hun middel, maar eigenlijk zijn ze naakt ... en opgewonden. Ze laten elkaar los om de ander beter te bekijken. Elmo grijpt Dario bij de hand en trekt hem mee van het pad af, naar een kleine open plek tussen laag groen en gaat op de grond zitten, klopt naast zich op de bodem en kijkt vol verwachting omhoog. Dan ploft Dario naast hem neer en Elmo buigt zich direct opzij, sluit zijn vingers om de penis en brengt Dario naar een hoogtepunt, begeleidt door rauwe geluiden van allebei. Nog in de roes begint Dario hem op dezelfde manier te verwennen, met een zalig effect. Hijgend en genietend van de warmte van de ander leunen ze op hun ellebogen achterover, hun schouders en bovenbenen raken elkaar.

„Hallo Dario!“, lukt het Elmo om weer te praten. Dario moet eerst zijn keel schrapen, kijkt opzij, geeft hem een zoen op zijn wang en glimlacht, „Ook hallo, Elmo!“

Meer kunnen ze op dit moment niet zeggen. De ander is zo overweldigend aanwezig, dat hun geest tijd nodig heeft, alle emoties te verwerken, terwijl hun lichaam door wil, het verlangen hen volledig heeft overmand en een nieuw gevoel ontstaat – niet meer zonder de ander willen.

Elmo kijkt licht verbaasd naar zichzelf en naar Dario. Ze zijn weer hard. Terwijl zijn brein deze informatie verwerkt en zich afvraagt, wat ermee te doen, gaat Dario op zijn knieën dwars naast hem zitten en begint hem te strelen, van zijn kin tot aan zijn tenen. Het voelt zacht en ruw tegelijk, wat blijkbaar zichtbaar is, want Dario kijkt hem kort onzeker aan, een ogenblik later gevolgd door een glimlach, grijpt naar zijn middel en maakt het flesje olie los, dat hij op zijn handen leegt om daarna zijn eerdere beweging te herhalen. De handen, de olie bezorgen Elmo een glijdend, zacht, goed gevoel. Zo is het lekker. Dario gromt zacht en buigt zich iets naar rechts en voorover. Elmo kijkt gefascineerd toe, voelt een tong en ziet zijn harde uit beeld verdwijnen. Het bezorgt hem onverwachte prikkels en ... het is iets, dat ze samen, tegelijk kunnen doen. Hij komt iets overeind, tikt Dario aan, die opkijkt en zijn gebaren probleemloos begrijpt. Ze gaan erbij liggen. Glad, stevig, hard, Elmo heeft zijn mond vol en ziet toch kans met zijn tong te spelen. Dario bromt, een lagere toon dan eerder, duidelijk genietend. Zonder het te merken beweegt Elmo zijn heupen iets, direct gevolgd door Dario. Nu wordt het spannender, vanzelf liggen ze dichter tegen elkaar aan. Het is niet meer zien, alleen nog voelen en meegaan met de ander. Ademen lukt, door de neus. Voor zijn gevoel duurt het nu veel langer, maar is het nog een slag intenser dan hiervoor. Hij gaat volledig erin op ... en vrijwel tegelijk maken hun lichamen een schokkerige beweging. De ontlading volgt en smaakt naar meer.

Hijgend laten ze los, blijven eerst liggen, komen later iets overeind, leunend op een elleboog op de grond. Dario kijkt hem aan, „Je bent ontzettend mooi.“

Elmo kan alleen knikken en naar Dario wijzen, „Jij ook.“

„Jij ... en ik ... had ik niet gedacht ... ik dacht altijd, dat ik ...“, Dario valt even stil met een bijna gebroken stem, „... ik wist niet, dat dit in mij zit.“

Dario komt daarbij over, alsof hij net heeft ontdekt, dat alles hiervoor elke betekenis heeft verloren. Elmo gaat rechtop zitten en streelt kort over Dario’s schouder, probeert zo troost en medeleven vorm te geven. Op dat moment laait het verlangen weer op. Dario kreunt en voor ze het beseffen, zijn ze weer hard, inclusief donkere ogen. Het is verwarrend. Dario trilt, „Wat ... is dit?“

„Ik ... denk ... dat dit dagen aanhoudt,“ meent Elmo droog, wat Dario met iets tussen lach en grom aanneemt. Ze kijken elkaar aan, echt aan en schudden hun hoofd. Dario heeft zijn normale stem terug gevonden, „Kunnen we even rust nemen? Hij is wel mooi, die van jou, zo hard, zo recht, zo lang, maar echt ... het wordt teveel.“

Elmo kijkt hem verbaasd aan, „Nu al? We zijn net begonnen.“

„We hebben nog een leven lang samen.“

„Eh ... dat is waar,“ geeft Elmo hem gelijk en ontdekt op hetzelfde moment, dat hij een compliment heeft gemist.

Wat weet hij van Dario? Vandaag heeft hij hem gezien, met zijn vrienden, een middelpunt van een groep, maar ook met een glimlach, die meer door zijn mimiek en minder door zijn ogen werd gedragen. Verder weet hij niets. Heeft hij passies? Wat drijft hem? Kortom, wie is hij?

„Wil je wat over jezelf vertellen?“

Dario spert zijn ogen open, staart hem aan en lacht, om iets later hijgend te reageren, „Ik voel mij, alsof ik niet meer ben, wie ik was en jij komt met zo’n vraag. Nu?“

Elmo haalt zijn schouders op met een licht vermoeide grijns op zijn gezicht, „We kunnen nog een keer, al denk ik, dat ik dan niet meer stop.“

Tegelijk steekt hij zijn hand uit en pakt de andere, nog steeds behoorlijk harde, penis vast, „Hem heb ik al leren kennen.“

Dario kreunt, maakt Elmo’s hand los en gaat langzaam, nog steeds licht hijgend, rechtop zitten. Met een expressie tussen bewondering en verbazing, tussen ‘ik vind je ontzettend aantrekkelijk’ en ‘wie ben jij in hemelsnaam’. Een hand gaat door het haar en vergroot de chaos op zijn hoofd. Dan verandert zijn gezicht naar vriendelijk, bijna lief. „Ik ben sinds mijn achtste in het Roedel en de zoon van Luana en Hiltwin.“

„Waarom zijn jullie pas hierheen gekomen, toen je acht was? Luana is hier opgegroeid, mijn Oma kent haar en ik heb alleen maar goede dingen over haar gehoord,“ toont Elmo zijn interesse. Dario lijkt hem gespannen met iets minder controle over zijn adem en de ogen zoeken een rustpunt in de takken boven hen.

„We zijn gevlucht,“ brengt hij uit. Aan de toon, hoort Elmo, dat dit een onderwerp is, waar hij normaal niet over spreekt of voor het laatst lang geleden over heeft nagedacht. Zijn ogen zoeken en vinden Elmo, dwalen van zijn kruis – de glimlach komt terug – naar zijn ogen – die een vrolijke, onbevangen blik aan de wereld tonen – en houden het contact vast. Het helpt om rustig verder te vertellen.

„Mijn vader komt uit een ander Roedel, in het zuiden met strikte regels, onder andere bloedlijnen waren belangrijk. Mijn moeder was daar niet welkom. Ze was te wild, te vrij, te slim. Luana was op reis en toevallig in de buurt van het Roedel tijdens de zonnewende, ze was toen twintig. Ze heeft mijn vader ontmoet, deelgenomen aan het Ritueel en hun wolven kozen voor elkaar. Ze hebben daar een tijd samen geleefd, maar er waren veel conflicten met anderen.“

Dario praat langzaam, kiest zijn woorden zonder te aarzelen. Zijn ogen lijken naar binnen gericht, diep in de herinnering afgedaald.

„Ze werd zwanger en de Alpha daar wilde, dat mijn vader haar na mijn geboorte weg zou sturen, daarna een nieuwe, echte vrouw zou zoeken en ik zo zuiver zou opgroeien. Hij heeft geweigerd en daarom zijn ze in stilte, bij nacht en nevel, vertrokken. Ze hebben jaren alleen, buiten een Roedel geleefd uit angst, dat naar mij werd gezocht en dat het Roedel mij zou terughalen. Hiltwin heeft mij verteld, dat hij elke dag sporen heeft uitgewist. Zo hebben we lange tijd in het niets geleefd, mijn vader, mijn moeder en ik.“

Elmo valt de melancholie eronder op, terwijl Dario glimlacht.

„Pas na jaren verdween de angst voor achtervolging en hebben mijn ouders contact opgenomen met een ander Roedel. Jouw Oma kreeg dat bericht en heeft samen met Bernardo ons hierheen gebracht. Hier zijn we veilig.“

Dario haalt adem, een beetje opgelucht, en kijkt Elmo recht aan, terwijl hij zich voorover buigt en met zijn duim over de eikel wrijft, om vrij snel weer los te laten. Nu zit Elmo weer met een harde, terwijl hij zich juist aan het ontspannen was. Dario laat zich niet afleiden, „En nu ... zitten we hier en met jou voelt alles ... goed aan, misschien wel wild, zonder controle en toch ... is het alsof het zo had moeten zijn.“

„Oma heeft mij vroeger vaker over zulke roedels verteld. Oude lijnen, koude regels, alleen plichten, geen ruimte voor gevoel,“ bevestigt Elmo op zachte toon, tegelijk beslist en probeert met veel warmte en begrip te reageren. Zo te zien raakt hij Dario meer dan gedacht. De ogen gaan verder open, laten alles zien.

„Ik kan mij nauwelijks voorstellen, wat het met jou heeft gedaan. Het idee, dat jouw geboorte het leven van je ouders overhoop heeft gehaald, alleen omdat er iemand is, die vindt, dat jij niet mag bestaan.“

Zijn woorden raken Dario’s hart. Misschien heeft hij een waarheid verteld, die tot nu toe niet uitgesproken mocht worden. Dario reageert met een droge, breekbare en boven alles vermoeide lach, „Je zegt het goed. Weet je, de afgelopen weken is alles echt tot mij doorgedrongen. Ik heb mij aangepast, gefunctioneerd, zoveel moeite voor anderen gedaan, dat ik niet meer kan zeggen welk deel van mijzelf is en wat van buiten komt.“

Dario verbreekt het oogcontact en haalt weer een hand door zijn haar, wat geen verschil maakt. Elmo glimlacht, hij zal er zelf niet veel beter uitzien.

„Zelfs met Panja ... Het leek allemaal goed, misschien wel perfect, maar ik had het gevoel naar mijzelf te kijken in een rol, die ik nu eenmaal had geleerd.“

„Dat klinkt ... eenzaam,“ vat Elmo zacht en eerlijk samen, waarop Dario hem recht aankijkt, „Herken je dit?“

„Ik ben de kleinzoon van de genezeres, die als niemand anders met het Roedel verbonden is ... en ik ben er buiten opgegroeid,“ verklaart Elmo op een nuchtere toon en gaat bij het zien van gefronste wenkbrauwen verder, „Op zijn twintigste heeft mijn vader besloten alles achter zich te laten, nadat mijn Oma hem had verteld, dat hij haar niet zou opvolgen. Hij heeft zich hier in de stad verstopt en ik ben het resultaat van een nacht met een vrouw, die niets met deze wereld te maken heeft en er niets van begrijpt. Ik ben opgegroeid met stenen muren, drukte en lawaai van een stad en nergens was plek voor de wolf in mij. Soms is eenzaamheid mijn tweede voornaam.“

Elmo merkt, dat onder zijn huid onrust opkomt en hij voorbij zijn weerstand moet gaan, terwijl Dario juist opleeft, herkent wat hij vertelt.

„Mijn moeder heeft nooit aangevoeld, wat in mij zit, dat ik zoiets als een woud of roedel nodig heb. Mijn vader heeft besloten, dat hij het niet wil begrijpen.“

Nu zoekt Elmo het oogcontact, open, moedig, met een glimlach en uitgestoken hand.

„Hij heeft mij verboden vandaag mee te doen aan het Ritueel, omdat ik daarmee alles kapot maak, nieuwe problemen veroorzaak. Ik heb geen idee hoe hij reageert, als hij merkt, dat ik het wel gedaan heb.“

Dario slikt en Elmo zwijgt, ze denken hierover na met een emotie tussen woede en warmte, tussen bescherming en erkenning, elkaar begrijpen. Ze hebben meer gemeen dan verwacht, al vroeg geleerd je zelf te verbergen en weten niet goed hoe het is, wanneer je jezelf mag zijn. Hun wolven zijn op elkaar gebotst, hun eigen lichaam vindt het andere lichaam de moeite waard en hun geest heeft een verbinding met de ander gemaakt. Alles nog pril, tegelijk belangrijk, interessant en aantrekkelijk genoeg om eraan vast te houden in plaats van los te laten.

Dario ontdekt de uitgestoken hand van Elmo en beweegt zelf langzaam om de hand vast te pakken. Het voelt warm, stevig, eerlijk en Elmo merkt het effect. Dario lijkt iets los te laten. Het is weer een andere verbinding tussen hen, vertrouwen zonder voorbehoud. Tegelijk is het een schok, die de magie, de lust en de begeerte versterkt oproept. Inclusief een diep keelgeluid van beiden en erecties op maximale sterkte. Dario’s hand wordt warmer, Elmo hapt naar adem. Ze kijken elkaar aan, dit is zoveel meer dan het ontwaken van het beest in hen.

Dario gaat liggen en wijst naar Elmo’s middel, die nu zelf omlaag kijkt en zijn flesje olie ontdekt. Elmo neemt de tijd om Dario te ontspannen, het lichaam te verkennen. Het wordt een herhaling van de laatste ronde, nu met van alles meer. Geluid, trillen, warmte, verlies van controle, genieten, de geuren, het zweet en uiteindelijk het langste orgasme van deze nacht als bevestiging van wat ze al beseffen – nooit meer alleen, nooit meer zonder jou – om daarna tegen elkaar aan in slaap te vallen.

Erg lang slapen ze niet. Bij het begin van de ochtendschemering worden ze wakker, kloppen het ergste vuil van zich af en wandelen door het woud, richting het dorp of het Roedel. Bij de rand van het woud kruipen de eerste zonnestralen al door de bladeren boven hen.

Elmo neemt langzame, zekere passen. Het is wennen. De grond onder zijn voeten is niet veranderd, terwijl het anders aanvoelt. Zijn benen dragen hem, hij gaat werkelijk terug na een nacht vol exclusieve passie, seks en een band met iemand, waar hij nooit eerder over had durven dromen.

Dario loopt naast hem en hun handen hebben elkaar gevonden. Vanzelfsprekend, zonder een woord, zonder twijfel. Het lijkt meer dan een simpel gebaar, ze ondersteunen elkaar, lichaam en geest. Gelukkig zijn hun wolven in een diepe slaap verdwenen, anders zou de terugweg erg lang en erg wild worden. Zoals ze nu lopen, genieten ze meer van het moment en de ander. Elmo is nog half in droomtoestand en de lappen stof om hun lichaam roepen vooral goede herinneringen op. Het is gelukt de resten zo aan elkaar te knopen, dat ze min of meer zo over een strand zouden kunnen wandelen, zonder dat alle hoofden zich omdraaien. Heupen zichtbaar, billen en kruis bedekt. Wie de neus van een wolf heeft, zal ze anders waarnemen. Ze zijn vuil, ruiken naar pure natuur, maar zijn verder onbeschadigd. Alleen de erecties willen niet helemaal verdwijnen.

Bij elke stap veranderen de geuren. Het ene moment vochtig mos, kapot getrapte planten of verse bladeren. Bij elke kleine open plek, opening van een grot of een dichtbegroeide nis de nadrukkelijke geur van rauwe, pure seks. Paarvorming tussen wortels en rotsen en wel zo intens, dat dit nog dagen later te ruiken zal zijn.

Elmo begrijpt nu, waarom hij als kind na de zonnewende alleen op de weides of bij de huizen mocht spelen. Dat zijn de speelplekken voor kinderen, dit hier is een speelplek op weg naar volwassenheid. Toch verbaast iets hem. Als dit woud al jaren voor het Ritueel wordt gebruikt, waarom is er niet ergens een natuurdouche en kledingkast gebouwd? Dan glimlacht hij om zichzelf. Zoals het nu is, is het goed.

Het pad, dat ze nu volgen, wordt meer open. Minder bomen, meer struikgewas, een eerste weide. De geluiden van de vroege vogels wijzen hen de weg. Ergens klinkt een hamer, de lach van een kind. Het leven gaat verder.

Re: Instinct

Geplaatst: do 18 jun 2026, 10:20
door Jablan
Instinct – 7 Dario – Onlogica

Dario recht zijn schouders, „Het is beter om terug te keren, zodat ze ons niet missen en wij deel uitmaken van het Roedel.“

Echt serieus bedoelt Dario het niet, maar Elmo knikt instemmend. Toch wil Dario nog iets meer en spreidt zijn armen uit. Elmo’s warmte en geur overspoelen hem. De eerste zoen is nog voorzichtig, teder, uit angst, dat het te veel wordt. Het is genoeg om de eerdere passie terug te laten komen. Met de handen op elkaars billen houden ze elkaar vast, rechtop en starten een volgende zoen. De ogen worden donkerder, intenser en de zoen wilder. De handen verhuizen naar de heupen voor meer huidcontact en onder de lappen stof zoekt iets daglicht. Elmo protesteert fluisterend, „Dario, we willen terug in plaats van nog een keer.“

„Ik weet het, maar je ruikt zo goed,“ merkt Dario met hese stem op.

Elmo staat op het punt om toe te geven, wanneer geluiden ze weer bewust van omgeving maken. Knappende takjes, voetstappen, een vrolijke lach kondigen de komst van een ander koppel aan, dat over een smal zijpad vanuit het woud tevoorschijn komt. De haren zijn vol mos en takken, aan de knieën kleeft gras en resten van de kleding houden ze los in de hand. Hij heeft krassen op zijn schouder, zij een tandafdruk op haar heup. Hun geur is eerder bij Dario en Elmo dan zijzelf. Ze ruiken naar een nacht, zoals ze die zelf hadden.

De jonge vrouw blijft staan, aarzelt, knippert met ogen en bekijkt Elmo en Dario nog een keer – ze staan nog tegen elkaar met de handen op elkaars billen. Elmo lijkt gespannen, zijn hand drukt harder tegen Dario’s lichaam. Dario glimlacht en kijkt opzij. De jonge man herkent hem, knikt beleefd, „Dario.“

„Woldemar,“ knikt Dario zonder verdere reactie. Zij kijkt nog een keer naar Elmo, slaat haar ogen neer, legt een hand op de rug van Woldemar en ze wandelen verder. Toch draait ze zich drie keer om voor een laatste blik. Pas als de twee zijn verdwenen, laten Elmo en Dario elkaar los, ontspannen ze zich. Dario trekt zin wenkbrauwen licht op, „Waarschijnlijk gaan we dit vaker meemaken.“

„Zolang het bij kijken blijft, is het goed,“ probeert Elmo tegelijk zijn penis weer achter stof te krijgen. Dario doet hetzelfde en blijft eerlijk, „Tegen roddelen is weinig te doen.“

Elmo zucht, het klinkt berustend, „Ik weet het. Zo, alles op zijn plek.“

Prompt verergert Dario het probleem door met een vinger over zijn kruis te strelen, maar Elmo glimlacht en doet hetzelfde. Een manier om elkaar te testen – kun je tegen plagen? Ja!

Ze wandelen verder en concentreren zich meer op de omgeving. Het Roedel komt dichterbij, iemand is hout aan het hakken. Ze komen bij een splitsing. Dario vermijdt even oogcontact, maar is wel nieuwsgierig, „Ga jij naar je oma?“

Elmo aarzelt, „Ja ... ik wil zo niet bij mijn ouders aankomen.“

„Begrijpelijk,“ steunt Dario hem, „Wanneer zien we elkaar weer?“

„Vanavond?“

„Bij je Oma, de nieuwe huizen of op het plein?“, geeft Dario de plek aan, waarop Elmo hem vragend aankijkt. Dario haalt zijn schouders op, „Vanavond wordt op het plein het Ritueel met een maaltijd afgesloten.“

„Ik wil de nieuwe huizen eerst zien. Als ik later terug ben, mag je een plek op het plein voor mij vrijhouden,“ beslist Elmo.

„Goed, ik zal daar op je wachten. Ik wil mij eerst wassen, omkleden, mijn ouders zien. Ze zullen uit hun dak gaan, maar daarna ...“ grijnst Dario.

„Je ouders? Vanwege mij?“

„Vanwege alles, maar dat zal goed komen. Denk je, dat je Oma zal schrikken?“, pakt Dario weer Elmo’s hand vast. Het voelt al heel vertrouwd. Elmo glimlacht flauw, „Alda zal blij zijn, waarschijnlijk weet ze het al. Ze heeft gisteren een paar cryptische tips gegeven.“

„Ze is een geweldige vrouw. Je hebt geluk met haar.“

Ze kijken elkaar aan en de stilte tussen hen voelt comfortabel. Woorden zijn op dit moment overbodig, ze begrijpen elkaar. Tijd om los te laten en met een simpel ‘Tot later’ elk hun pad in te slaan. Geen knuffel, geen zoen, alleen vooruit kijken. Meer lichaamscontact is nu te gevaarlijk, dan moeten ze terug het woud in.

Dario loopt verder over de lage heuvelrug, die het gebied van het Roedel scheidt van de rest van de vallei. Het gras onder zijn voeten is vochtig en heerlijk koel. Zo kun je wakker worden. In zijn hoofd nog een echo van het woud, dat hij steeds verder achter zich laat. De omgeving hier is geen plek, waar iemand hem op zijn uiterlijk aan zal spreken. Eerder het tegendeel. Iedereen, die hem nu ziet en vroeger de zonnewende in het woud heeft doorgebracht, zal uit eigen ervaring alles aan hem herkennen en wellicht glimlachen. Belangrijker dan de lappen stof is de geur van Elmo, die hij zich diep heeft ingeprent. De zon staat hoog aan de hemel, wanneer hij het pad naar het huis van Luana en Hiltwin inslaat. Een stil welkom van elke steen en elke boom langs de rand en bij elke stap dringt het beter door. Hij is veranderd, hij is gegroeid.

Net zoals het kleine, maar ruime huis van zijn ouders door de jaren heen is gegroeid en nu uitgebouwde erkers heeft. Bij het tuinpad hoort hij de stemmen binnen, licht gedempt, tegelijk warm en bruisend van leven. Hij schuift de deur open, stapt naar binnen en blijft staan, kijkt even naar zijn moeder, die met een grote lepel in haar hand krachtig in een pan roert. Luana heeft hem gehoord, draait zich om en staart kort, waarbij de lepel uit haar hand valt.

„Dario! Bij je voorouders, je bent terug!“, klinkt een lach en vooral opluchting in haar stem. Haar schort gooit ze op een stoel en rent naar hem toe met gespreide armen, die zich om hem sluiten. Dario ruikt lavandula, terwijl ze zich tegen hem aan drukt, „Je bent ... je bent echt terug.“

„Ik ben nog geen dag weggeweest,“ mompelt Dario net zo zacht, terwijl hij haar rustig omarmt. De stem van zijn vader komt van achter hem, „Een dag, waarop je had kunnen sterven, een vrouw vinden of voor eeuwig in het woud achterblijven.“

Hiltwin komt uit de kamer achter hem, leunt tegen de deurpost, met zijn haar in de war en alerte, onderzoekende ogen, „Nou, heeft je wolf iemand gevonden?“

Heel even aarzelt Dario, dan knikt hij vol overtuiging. Luana laat hem los, doet een stap achteruit en kijkt hem met vochtige ogen aan, „En? Wie is het? Kennen we haar?“

„Elmo,“ en meer dan de naam kan Dario niet uitbrengen. Zijn ouders blijven stil om hun gedachten op orde te krijgen, maar de gezichten vertellen het al. Ze wisselen een blik en zijn moeder gaat voor zekerheid, „Een man?“

Dario knikt, waarop ze kort met haar ogen knippert – ze wil niet huilen – en dan glimlacht, „Dat gebeurt zelden, maar vaker dan iedereen denkt.“

Hiltwin slaat zijn armen over elkaar en kijkt naar Luana, „Zijn we in Acebedo niet een oud echtpaar, twee mannen, tegengekomen, die elkaar in het Lenteritueel daar hebben gevonden?“

„Ja en later in Chabanier een jonger stel, een loodgieter en een timmerman. Hun band was uitzonderlijk sterk.“

Hiltwin klopt hem op zijn schouder, „Dan is het duidelijk. Jij gaat je eigen weg en ik zie graag, dat je dat blijft doen in de toekomst.“

„Ik hoop het,“ wordt Dario een klein beetje timide.

„Dan wordt het de hoogste tijd, dat wij je helpen een eigen plek te vinden. Weet je, ik heb mijn oog laten vallen op een nieuw huis met rubus idaeus in de tuin en al veel ideeën, hoe wij het voor jullie gezellig kunnen maken. Ik beloof je, Elmo zal zich hier welkom voelen,“ is Luana totaal zichzelf, terwijl ze met haar hand wat vuil van zijn gezicht veegt. Dario geniet van de vanzelfsprekendheid, waarmee Hiltwin en Luana op het nieuws reageren, zonder voorbehoud of ‘ja, maar’ of wantrouwen, daarvoor met open armen. Hij komt niet goed uit zijn woorden en houdt het bij, „Dank je wel.“

„Wanneer wil je hem voorstellen?“, wrijft Luana over zijn hand. Dario kijkt naar buiten, waar de zon de daken in warm licht zet. Elmo komt zijn hoofd binnen als een schaduw in de warmte, dichtbij, tastbaar en wakker, „Hij moet nog wat regelen met zijn familie en wil dan hierheen komen.“

Luana zwijgt even, terwijl ze naar de tafel loopt, „Komt hij uit ons Roedel?“

De vraag verrast Dario en hij kijkt op, „Ja, hij is de kleinzoon van Alda. Zijn vader is Severin.“

Luana knikt, langzaam en komt ineens jonger over. Ze is afgedaald in haar geheugen en haar stem klinkt breekbaar, „Severin kan ik mij herinneren. Toen hij vertrok, was ik zeventien. Severin had ruzie met het Roedel, met alles wat daarbij hoorde en keerde alles en iedereen de rug toe. Het was kort ...“

Ze valt stil, met haar hand op tafel, met licht trillende vingers. Hiltwin komt bij haar staan, legt zijn hand over die van haar. Ze herpakt zich, „Het was kort voordat ik ben vertrokken, op pad ben gegaan.“

Dario kent het verhaal. Luana heeft het hem een keer verteld en verder komt het onderwerp nooit langs. Een dodelijk ongeluk, waardoor ze alles heeft meegenomen bij haar vertrek. Nu haalt ze diep adem, herstelt zich, „Ik had niet verwacht, dat Severins familie nog hier is of dat uitgerekend onze kinderen ...“

Ze valt stil, glimlacht schuchter, als een klein meisje, „Het leven heeft een eigen gevoel voor ironie.“

„Zijn vader heeft uit alle macht geprobeerd Elmo bij het Roedel weg te houden, waardoor hij denkt, dat er iets mis met hem is,“ vat Dario zijn indruk samen. Luana schudt haar hoofd en reageert met nadruk, „Arme jongen. Vertel hem, dat hij hier geen vreemde is. Hij hoort bij ons, al is zijn vader dat vergeten. Wanneer jullie zover zijn, breng hem mee.“

Waarna Hiltwin en Luana samen werken om Dario een ontbijt na een doorwaakte nacht voor te zetten. Brood, geitenkaas, olijven, bessen, thee, het smaakt naar thuis en deze keer heeft hij genoeg honger om alles op te eten. Tussendoor geven Hiltwin en Luana aan, dat ze nooit echt hebben geloofd in zijn vriendinnen. Als zijn wolf voor Elmo heeft gekozen, zal Elmo een prima man naast hem zijn. Waarop Dario een flinke brok in zijn keel moet wegslikken, voordat hij verder kan eten.

Zijn eigen wolf mist Elmo nu al, maar het beest komt tot rust, terwijl Dario geniet van alle goede zorgen voor hem. Daarna wil hij zich weer toonbaar maken en onder de douche dwalen zijn gedachten vanzelf naar Elmo en alles aan of van de ander. Het is een moedige jonge man, die vastberaden naar zijn familie ging. Na de persoonlijke verzorging vertelt een blik naar buiten hem, dat hij nog ruim de tijd heeft, totdat hij Elmo weer ziet, genoeg tijd om met de jongens rond te hangen. Wat oudere kleding lijkt hem de beste keus, onzeker als hij is over de rest van de dag.

Bij vertrek roept hij nog, „Ik ga nog even op stap.“

„Pas goed op jezelf,“ komt direct terug. Alles is weer normaal.

Op deze tijd van de dag geeft de zon zoveel warmte, dat het met moeite uit te houden is. Op het pad voor het huis loopt hij direct tegen iemand aan, „Oh! Sorry!“

Panja is de ongelukkige, die hij nu met twee armen vasthoudt, zodat ze niet op haar rug valt. Ze heeft aan het Ritueel geen schade overgehouden en zodoende meer dan genoeg kracht om zich op zijn borstkas af te reageren met trommelende vuisten.

Op dit moment zit ze vol met verwijten. Waar was hij? Hoe kon hij? Ze had al haar kaarten op hem gezet. Pas na haar eerste aanval, gevolgd door een huilbui, lukt het Dario om iets te zeggen, „Panja, het Ritueel kent geen logica. Je kunt zelf niet kiezen, de wolf in je trekt je mee naar een ander.“

Zoveel is hem duidelijk geworden na haar woordenstroom. Iemand heeft haar veroverd en hoewel Panja het ontkent, is het iemand naar haar wensen. Attent, zorgzaam, meegaand. Hij heeft haar niet verwond en net zo lang omarmd, totdat ze het zelf warm genoeg had. Bovendien is de kleding heel gebleven, ook belangrijk.

Na haar relaas voegt Dario ‘respect’ toe aan haar verovering. Hoewel ze het ontkent, heeft haar wolf overduidelijk voor hem gekozen, simpelweg omdat ze bij elkaar passen. De consequentie vindt ze moeilijker. Om de familie te ontmoeten, moet ze mee naar zijn Roedel op drie dagen reizen naar het oosten. Pas daar willen ze beslissen, waar ze gaan leven. Een grote stap voor Panja, die nooit ergens anders heeft gewoond in haar leven.

Hoewel ze was gekomen om Dario in elkaar te slaan, vindt ze troost bij hem en nemen ze met een melancholisch gevoel afscheid van elkaar. Wanneer ze weg is, valt het Dario op. Ze heeft niet gevraagd hoe zijn nacht was, wie hij heeft gevonden. Het ging alleen om haar, niet om hemzelf en daarmee is het goed, dat ze tijdens het Ritueel elkaar zijn misgelopen.

Rustig wandelt hij naar zijn eigenlijke doel, de vaste plek van de jongens. Zodra hij uit de schaduw in het licht stapt, begroet Rulan hem, „Eindelijk, daar is hij!“

„We dachten al, dat je er met haar vandoor was gegaan,“ grijnst Tarje, terwijl hij rondkijkt. Jaquan zit op de omgevallen boom, „Of in slaap gevallen in het woud.“

Dario gaat erbij zitten, het hout voelt ruw aan en de lucht ruikt naar aarde en kruiden, vermengd met geursporen van het Ritueel. Tarje raakt kort zijn bovenarm, „Vertel. Wie is het? Panja?“

Dario kijkt op, tegen het felle licht van de zon in, weerstaat de verleiding van een grap of leugen. De waarheid is vele malen mooier en aantrekkelijker, „Elmo.“

De stilte laat hem glimlachen. Corvin glimlacht. Rulan schrikt op, Jaquan denkt na, Tarje opent zijn mond en brengt geen woord uit. Dat doet Rulan, „Elmo? De kleinzoon van Alda?“

„Ja. Onze wolven ... je weet hoe het gaat,“ kijkt Dario rond en iedereen zwijgt. Jaquan legt zijn handen over elkaar, voor zijn kruis, „Maar ... hij is een man.“

„Dat is mij opgevallen,“ pareert Dario. Jaquan verdwaalt in zijn gedachten en probeert iets samenhangends te brengen, „Ik bedoel ... ik dacht altijd, dat bij het Ritueel jongens en meisjes worden gekoppeld ... ik wist niet, dat het ook anders kan.“

Jaquan is onzeker, Dario blijft eerlijk, „Ik wist het ook niet, totdat het gebeurde.“

Waarna Jaquan lacht en instemmend knikt, „Elk Ritueel een verrassing.“

„Apart,“ leunt Tarje achterover. Rulan schudt zijn hoofd, „Hoe is het mogelijk? Ik bedoel, het Ritueel is ...“

„We hebben elkaar gevonden,“ blijft Dario kalm. Het blijft stil, totdat de woorden uit Tarje breken, „Is dit nu een uitzondering of vergissing?“

„Was het bij jou een vergissing? Of was je al blij, dat niemand je wolf voor een hond aanzag?“, wordt Dario scherper. Tarje krabbelt terug, op vier hele kleine pootjes, „Ik vroeg het alleen maar.“

Iedereen blijft stil, ze denken na over het nieuwe. Toch brandt Rulan als eerste los. Hij is nauwelijks te stoppen, lijkt gevangen in een oude, diepgewortelde weerstand, die hij zonder verdere vragen van vorige generaties heeft overgenomen. Als eerste houdt hij een kort betoog over het Ritueel – man en vrouw komen samen, niet man en man of vrouw en vrouw.

De laatste combinatie onthoudt Dario. Het is iets om na te vragen bij wie er het meeste van weet. Een Alpha of een genezeres bijvoorbeeld. In zijn Roedel met zekerheid twee mensen, die zo’n vraag serieus nemen en op zoek gaan naar antwoorden.

Twee mannen samen is voor Rulan smerig, abnormaal, ziek, walgelijk, maar hij krijgt geen enkele steun of reactie van de anderen. Dan schakelt hij door, alsof hij de hele wereld wil overtuigen van zijn gelijk over het doel van afgelopen nacht. Het gaat om de sterkte van de ontstane band, om nakomelingen, om het voortbestaan. Voor hem is het Ritueel heilig. Ondanks zijn totale weerzin presteert Rulan het om die ene vraag te stellen, op scherpe toon en met dwingende ogen, „Hebben jullie het echt gedaan? Heb je of ben je geneukt?“

Rulan is zo in zijn eigen gedachten verstrikt, dat hij niet eens een reactie afwacht, maar nog een keer zijn afwijzing herhaalt en pas stopt, wanneer Dario opstaat en tegenspreekt, „Wat is normaal? Is het natuurlijk om wolf te worden, wanneer je wilt jagen? Is het normaal om met een vreemde plotseling een band voor het leven te ervaren?“

Iedereen zwijgt. De wind waait over de open plek, laat de bladeren bewegen en dat is het enige geluid. Corvin zit op het einde van de boomstam en alleen zijn vingers kloppen in een ritme, dat een nieuw lied aankondigt. Dan reageert Corvin met zachte stem, „Je weet, dat het klopt, Rulan, maar je wilt het niet aannemen. Jullie kennen elkaar twaalf jaar. Geloof je nu echt, dat het niet echt is, omdat het anders is?“

„Niet echt is nog onschuldig, dit is verkeerd en ik heb het nooit eerder gezien of gehoord en ik wil het ook niet begrijpen. Het klopt niet en ik kan niet geloven, dat iemand dit serieus accepteert,“ brengt Rulan uit, terwijl hij naar de bodem kijkt, elk contact mijdt. Dario reageert snijdend, „Voor mij is het waar, echt en mooi.“

Tarje klopt Dario op zijn bovenbeen, „Al is het heftig, het is goed. Eerlijk gezegd had ik erger verwacht.“

Dario kijkt hem aan, „Zoals?“

„Zafrina of de zus van Rulan,“ grijnst Tarje in een poging de spanning te breken. Jaquan mompelt, „Ze zouden zeker minder lawaai hebben gemaakt.“

Waarmee de spanning verder wegvalt. Dario kijkt rond, Rulan ontwijkt zijn blik. Daarvoor wordt zijn nonverbale communicatie sterker. Armen over elkaar, de schouders lijken smaller, de benen over elkaar, de ogen dwarrelen – Rulan kan zich nergens op concentreren. Alleen op een onbewaakte moment kijkt hij naar Dario, die te veel wolf is om het niet te merken. Het nieuws heeft het effect van een stevige aardbeving, die een tsunami op gang brengt.

Dario laat het gaan. Rulan moet in zijn eigen tempo leren omgaan met de nieuwe situatie. De afgelopen weken was Rulan in eerste instantie afwijzend tegenover de jongens en meisjes uit andere Roedels, die vanwege het Ritueel hier waren. Een keer ademhalen en met opgeheven hoofd en ontspannen toon over iets anders beginnen, „Zo, genoeg over mij. Wie van jullie heeft de hoofdprijs binnengehaald of wat anders moois meegemaakt vannacht?“

„Ik!“, slaat Tarje trots op zijn borstkas en grijns over zijn hele gezicht, „Ik weet zeker, dat ze met opzet nog een keer met haar nagels over mijn arm is gegaan, zodat iedereen weet, dat ik bij haar hoor.“

„Of omdat je zou vergeten, dat je met haar samen bent?“, merkt Jaquan adrem op, wat Tarje ongekend eerlijk bevestigt, „Waarschijnlijk wel.“

„Wie is ze?“, gaat Dario weer zitten.

„Ylvari van het noordelijke Kynna-Roedel. Ze is zwaardvechtster, totaal gespierd en krachtige stem. Voorlopig blijft ze hier, maar ik wil zeker mee naar Kynna, kijken hoe het daar is,“ is Tarje nog onder de indruk. Corvin kijkt niet op of om, „Je houdt van drama.“

„Ik val op vrouwen, die tegen mij op kunnen en tot het uiterste drijven. Ze heeft me drie keer omver geduwd, voordat we konden praten. Ik denk, dat ik verliefd ben,“ reageert Tarje zonder aarzeling. Het levert hem een schouderklop en hartelijk gelach op, waarna Tarje naar Jaquan kijkt, „En jij?“

„Nadin, uit ons Roedel. Op zich kennen we elkaar, maar toen ik zag met wapperend haar in die eenvoudige jurk, was alles op de een of andere manier anders. Mijn wolf wilde haar,“ Jaquan gaat met een hand door zijn vlecht om de woorden te vinden, die hij zoekt, „Op dat moment viel alles op zijn plek. Niets dramatisch, meer het gevoel van thuiskomen.“

Corvin knikt, begrijpt wat Jaquan bedoelt. Dario mist nog iets, „Hoe heeft zij gereageerd?“

„Ze heeft mij recht in mijn gezicht geslagen,“ snuift Jaquan, waarop iedereen naar hem staart en hij de verklaring geeft, „Dat ging per ongeluk. Ze was net weggedoken en ik rolde op hetzelfde moment van de helling af. Mijn neus heeft het overleefd, mijn trots niet.“

Tarje rolt bijna van de boomstam af van het lachen.

„Maar daarna was het goed. Het was ... alsof onze wolven al hadden gekozen, voordat wij er waren. Het wordt mooi met Nadin,“ kijkt Jaquan op het einde dromerig naar de anderen. Darin knikt, dit spreekt hem aan. Soms is een band direct heel diep in plaats van met veel tumult te starten. Tijd voor de laatste, „Corvin, jij?“

Ze kijken elkaar direct aan, kunnen eerlijk zijn zonder te plagen. Corvin heeft weinig te melden, „Ik wacht nog. Ze was er niet.“

Tarje kijkt verrast op, „Hoe bedoel je? Heb je haar gemist of was ze er helemaal niet?“

„Ik weet het niet. Ik heb overal gezocht, gerend, gejaagd, maar niets trok mij aan, geen enkele geur of andere energie. Misschien volgend jaar,“ haalt Corvin zijn schouders op. Dario laat het op zich inwerken en knikt, „Je zal haar vinden of zij zal jou vinden.“

„Misschien,“ kijkt Corvin weer omlaag. Hij is niet verdrietig, alleen teleurgesteld over de afloop. Met spanning in zijn stem meldt Rulan zich, „Ik ben gekoppeld aan Varya.“

Niemand reageert, alleen Tarje durft verder te vragen, „Varya uit het Vyganashchanska-Roedel?“

„Ja. Ze was zo stil, dat ik heel goed moest luisteren om haar te vinden.“

„Jou horen we op drie kilometer afstand, wanneer een tak op je kop valt,“ merkt Jaquan op. Rulan glimlacht half en kort, „Precies. Ik heb haar bijna omver gelopen. Ze stond gewoon stil en keek mij aan ... zo kalm ... ik kon alleen stamelen.“

Tarje acteert verontwaardiging, „Geen gevecht? Niet worstelen in de struiken?“

„Ze heeft mij zo aangekeken, dat ik helemaal niets meer kon. Mijn wolf is omgevallen ... ik denk, dat ik nog tijd nodig heb om uit te zoeken hoe het verder gaat,“ mompelt Rulan en oogst zacht gelach. Jaquan blijft oprecht, „Dat komt goed.“

De stilte keert terug op een goede manier. Dario kijkt rond. Ze zijn vrienden, tegelijk volgt iedereen een eigen pad, verzorgt de eigen mentale wonden en kijkt naar voren, nieuwsgierig naar wat de toekomst brengt. Soms kan het zo eenvoudig zijn. Totdat Tarje zijn hand uitsteekt en Jaquan aantikt, „Wat ik wil weten ... hoe vaak hadden jullie seks en hoe was het?“

„Je bent onmogelijk,“ weert Jaquan af.

„En jij ontwijkt de belangrijkste vragen,“ lacht Tarje, waar de rest mee instemt. Pas als ze weer stil zijn, valt Dario iets anders op, „Waar is Gilgian?“

„Hij is één van de vermisten. Er wordt naar hem gezocht,“ meldt Corvin aarzelend. Dario wordt bezorgd, „Hebben jullie hem in het woud gezien?“

„In het begin. We renden redelijk dicht bij elkaar, maar daarna volgde iedereen een eigen spoor en ... ik werd snel afgeleid,“ vertelt Jaquan. Tarje glimlacht breed, „Je bedoelt, dat je helemaal weg was van haar en alles vergeten bent.“

Jaquan knikt, terwijl hij zijn schouders ophaalt. Rulan blijft optimistisch, „Ik denk, dat hij opduikt. Misschien is het bij hem heel erg ... intensief.“

„Zoals bij jou? Jullie konden elkaar niet loslaten. Het is wonder, dat jullie niet direct in de grot zijn gebleven, waar jullie het deden, terwijl jij haar naam brulde,“ merkt Tarje uitdagend op. Rulan kijkt hem abrupt aan, „Zeg dat nog eens.“

„Wat? Dat haar oren waarschijnlijk nog trillen van jouw stemgeluid of dat iedereen erover dacht om jullie met een breekijzer los te maken, terwijl jullie praktisch naakt over het plein liepen?“, blijft Tarje provocatief onderkoeld, waarop Rulan opspringt en Tarje met zijn schouder met zoveel kracht tegen de grond werkt, dat dit duidelijk geen spel kan zijn.

„Hé!“, lacht Tarje, terwijl hij overeind komt en op zijn beurt Rulan met een schouderworp op de grond werkt. Het leidt tot een ronde worstelen. Het grommen geeft de onderliggende spanning aan. Stof wervelt door de lucht, takken kraken en gras wordt platgemaakt. Een kreun, een grom, de kleren scheuren. Jaquan beweegt zijn ogen, „Geweldig. Ze weten nog steeds niet waar ze hun testosteron moeten laten.“

„Laat ze fijn gaan, Rulan heeft het nodig,“ mompelt Corvin, terwijl Rulan op de grond nu een arm om Tarje’s bovenlijf heeft en zijn andere om Tarje’s hoofd.

Dario kijkt toe en wil hierbuiten blijven. Rulans eerde, harde afwijzing heeft een bittere nasmaak achtergelaten en stelt hun vriendschap op de proef. Ze kennen elkaar al jaren en ergens hoopt hij, dat het goed komt, het liefst voordat Rulan zijn Varya volgt.

Rulan hijgt inmiddels, „Geef het op. Zeg, dat je het niet zo meent.“

„Waarom? Het is allemaal waar,“ grijnst Tarje, al zit zijn gezicht klem in Rians arm, „Maar laat mij leven. Van ons tweeën zie ik er het beste uit.“

Rulan briest nog een keer en laat los, staat op, schudt zich als een natte wolf, die zich wil drogen, doet een stap achteruit en haalt uiteindelijk diep adem, „Je bent een nachtmerrie, Tarje.“

„Weet ik, een enorm, roekeloos aantrekkelijke droom,“ veegt Tarje het vuil van zijn schouders. De andere lachen kort, Dario lukt het niet meer. Waar de anderen brullen, grappen maken, weer een groep van vrienden zijn, houdt Dario zich in. De rest pakt de draad weer op en gaat door, alsof er helemaal niets is gebeurd. Voor hem is er meer veranderd.

Dit waren zijn vrienden, maar Elmo staat ineens veel dichterbij hem dan een Gilgian, Tarje of Jaquan om over Rulan maar te zwijgen. Dario heeft niets verwacht, maar alles overrompelt hem en hij voelt zich kwetsbaar. Een dikke vacht biedt op dit moment nog geen warmte of bescherming. Zijn aandacht gaat naar Corvin, die stil alles observeert. Ze zien elkaar en Corvin knikt onopvallend met een kleine glimlach, wat bij Dario een golf aan emoties oproept, warmte en zich veilig voelen voorop. Corvin begrijpt hem zonder woorden en Dario vertrouwt Corvin volledig. Ook na vandaag zullen ze voor elkaar klaarstaan en opkomen, wanneer dat nodig is.

Een andere besef dringt zich op. Vanaf nu is Elmo zijn man, Corvin zijn beste vriend en de rest zijn goede bekenden. Ook na vandaag is hij allesbehalve alleen en dat is een heel goed gevoel.

Re: Instinct

Geplaatst: do 18 jun 2026, 10:21
door Jablan
Instinct – 8 Elmo – Doorzetten

Elmo wacht in de schaduw van de bomen met hun uitgestrekte takken en bladeren. Het woud eindigt pas bij het eerste huis. Oma’s huis staat iets verder, de achtertuin grenst direct aan het woud. Zijn fiets staat nog een paar bomen verder, eenzaam en verlaten. Hij staat achter een grote struik, een juniperus, en observeert de omgeving, langs de huizen, over de paden. Stemmen vullen het plein, de meesten klinken jong en druk. Een groep kinderen is ergens aan het spelen. Tot nu toe heeft niemand hem opgemerkt.

Eerste zonnestralen kruipen over het dak van het gemeenschapshuis en verwarmen zijn schouders. Een goed gevoel, hij doet een stap naar voren voor meer zon. Niemand let op hem. Nog een blik op zijn geïmproviseerde broek. De stof is goed aan elkaar geknoopt, maar het maakt nauwelijks verschil. Wie goed kijkt, ziet alles en daar kan hij niets aan doen. Andersom weet iedereen wel wat de jongens en meiden van rond de twintig vannacht in het woud hebben gedaan. Desondanks voelt hij zich compleet naakt en vraagt zich af of dat een gevolg is van in de stad opgroeien of diep uit hemzelf komt.

Het geluid van een dichtslaande deur laat hem schrikken. Automatisch gaat hij door zijn knieën, houdt even zijn adem in en probeert te bepalen waar het precies vandaan komt. Dan wordt het stiller. Een paar kinderen rennen weg van het plein, verdwijnen tussen de huizen aan de andere kant.

Verderop komt een jong koppel tevoorschijn uit de struiken, praktisch naakt lopen ze innig verstrengeld het plein op. Twee passen, een zoen, de handen om de ander, elkaar ronddraaien, weer twee passen en ze beginnen van voren af aan. De jongen stond gisteren in de groep rond Dario. Elmo houdt zijn hand voor zijn mond om geen geluid te maken. De twee leiden de aandacht mooi af, dit is zijn kans.

Elmo zet zich af en sprint langs de rand van het plein naar Oma’s huis. De tuin ligt hoger dan het pad en met een grotere sprong landt hij op het tuinpad. Het uitstekende dak geeft zoveel schaduw, dat hij daarin verdwijnt. Hij blijft staan en kijkt over het plein, waar het koppel nauwelijks vooruitkomt. Binnen hoort hij zachte geluiden, gelukkig is Oma thuis. Langs de muur sluipt hij verder naar de voordeur en precies wanneer hij wil kloppen, gaat de deur open.

Zoals altijd loopt Alda op blote voeten. Vandaag draagt ze een omslagdoek, die naar gedroogde lavandula en salvia ruikt. Als eerste valt haar oogopslag op. Elmo is onzeker of ze hem hoorde aankomen, al verwacht had of zijn aanwezigheid eerder heeft gevoeld, lang voordat Dario en hij in het woud ‘tot later’ zeiden. Ze briest even en doet een stap opzij, zodat hij naar binnen kan. Hij reageert niet direct, waarop ze hem aanmoedigt, „Kom binnen, voordat je kou vat. Ik heb iets voor je.“

Alda doet de deur dicht, zodra hij binnen is en raakt zijn arm op haar eigen manier aan. Net als zijn andere Oma kan ze met een eenvoudige beweging tegelijk commanderen, aanmoedigen en uitnodigen. Alda mag dit doen, bij zijn andere Oma stoort het hem en wil hij direct weer weggaan.

Terwijl ze over de krakende vloer loopt en hij haar volgt, mompelt ze, „Zo kom je alleen vandaag mijn huis in, op andere dagen blijf je buiten.“

Duidelijk meer voor zichzelf dan voor Elmo bedoeld. Al zou hij onder de modder voor de deur staan, zou ze nog opendoen. Het idee roept een glimlach bij hem op. Het ruikt vertrouwd. Artemisia, juniperus en iets zoets concurreren met elkaar om de eerste plek in zijn reukcellen. Direct voor de kachel staat op hoge poten de grote tobbe klaar, helemaal van hout, dat met olie is behandeld. Hij is gevuld met warm water, waaruit dampen opstijgen. Elmo blijft abrupt staan en in het water herkent hij blad van rosmarinus, thymus en verbena. Hij is verrast, „Heb je werkelijk een bad voor mij klaargezet?“

„Natuurlijk,“ pakt Alda een grote pollepel uit het water en zet hem tegen de tobbe neer, voelt tegelijk met een vinger hoe warm het water is, „Je was nog in het woud, toen ik je rook. Jij bent eraan toe, je lichaam heeft het nodig en je geest helemaal.“

„Hm ... ik had gehoopt op een douche? Ken je dat, met privacy, tegels op de vloer en stromend warm water?“, protesteert Elmo met zachte stem en zijn duimen in het koord om zijn middel. Alda kijkt over haar schouder hem aan, alsof hij voorstelt het huis met brandstof te zegenen en zet hem direct op zijn plek, „Wat voor onzin heeft die jongen je verteld?“

„Sorry, dat is het stadskind in mij,“ verontschuldigt Elmo zich direct, maar ze wuift het weg en draait zich helemaal naar hem om, waarbij haar lange, witte haar even voor haar ogen valt. Met haar linker hand gaan de haren weer over haar schouder en met de rechter hand vol kruiden klopt ze op zijn onderste ribben, „Elmo, luister even naar mij. Dit is een ritueel bad, een complete reiniging, meer dan het vuil afspoelen. Dit is voor je hoofd, je buik, je huid, je wolf. Alles aan jou stinkt. Daarom gaan die lappen uit en jij gaat in de tobbe. Als het je helpt, draai ik mij om.“

Elmo haalt diep adem en schikt zich in zijn lot. Zodra hij opkijkt, hebben ze oogcontact en vanzelf lachen ze allebei ingehouden. Haar toon heeft hij gemist, het onvoorwaardelijke houden van gecombineerd met doorzettingsvermogen. Misschien heeft ze voor het laatst zo tegen hem gesproken, toen hij zijn eerste melktanden verloor en hij daar te lang over klaagde. Terwijl hij de knoop van het koord losmaakt, vraagt hij luchtig na, „Je draait je echt om?“

„Ik doe alsof ik blind ben.“

„Prima.“

Duidelijk familie. Grootouder en kleinkind hebben dezelfde humor. Onder Alda’s waakzame ogen krijgt hij het koord los, laat alles vallen en stapt voorzichtig in de tobbe. Het warme water voelt goed voor zijn vermoeide spieren, geeft hem het idee op adem te komen. Alda kijkt hem tevreden aan en pakt een stoffen tas uit een rek. De gedroogde bladeren daaruit laat ze in het water dwarrelen. De geuren veranderen. Elmo neemt alles intenser waar of dieper in zich op. Dan draait ze zich om en gaat de kamer uit, terwijl ze zacht in zichzelf zingt. Het geeft Elmo tijd om van het bad te genieten, terwijl zijn gedachten naar Dario gaan. Voor Elmo was het een extreem vermoeiende en eindeloze mooie nacht met hem. In zijn ooghoek verschijnt ineens een hand, die een kop kruidenthee vasthoudt, die een zoete geur verspreidt. De kop wordt op de kachel naast de tobbe neergezet. Zelf gaat Alda in haar fauteuil naast de kachel zitten, doet een dunne deken over haar benen en zwijgt. Alleen het geluid van brandend hout in de kachel vult de ruimte.

„Dario,“ bevestigt Elmo stemloos wat Alda al weet. Ze knikt tevreden en wijst naar de kop op de kachel. Elmo drinkt in alle rust de thee en glijdt weer terug het water in. Zijn spieren zijn ontspannen, maar ergens voelt hij nog een knoop in zijn zenuwen. Kijkend naar Alda haalt hij diep adem en probeert te praten. De eerste poging mislukt, hij moet zijn keel schrapen, „Heb je ooit eerder gehoord, dat twee mannen elkaar vinden in het Ritueel?“

Alda reageert met vertraging. Ze denkt na, terwijl ze stil zit met de vingers van beide handen in elkaar gevlochten en haar ogen gericht op het vuur in de kachel. De vlammen reflecteren in de zonnevanger, die het meest dichtbij is. Dan begint ze zacht te vertellen, vanuit haar geheugen, zonder hem aan te kijken, „Er zijn talloze verhalen. Sagen, anekdotes of zaken, die in de zomer ’s avonds rond het vuur worden verteld of in de winter ’s nachts van generatie op generatie worden doorgegeven. Ik kan mij er een van bijzonder goed herinneren, omdat die anders was. Geen sprookje, maar waargebeurd. Een verhaal, dat iemand van ver weg had meegenomen.“

Haar stem heeft een licht melancholische toon, die soms tevoorschijn komt, wanneer ze over vroeger spreekt. Zacht, maar met een diepgang, die soms rillingen oproept bij wie luistert. Nu kijkt ze hem aan en haar ogen laten haar kalme overwegingen zien. Over elk woord denkt ze na, „Ongeveer dertig jaar geleden vonden twee mannen in het Karvianjoki Roedel elkaar. Ik kende ze zelf niet, maar het nieuws bereikte ons vrij snel. Niemand had het verwacht, zij zelf nog het minste. Hoewel ze wilden blijven, zijn ze gegaan, omdat in de hoofden van de anderen geen plek was voor hen als paar. Zodoende hebben ze ergens een eigen plek gecreëerd.“

Elmo zwijgt. Hij voelt zich ineens onrustig. Alda zal het opmerken, op de een of andere manier en daarmee komt zijn rust gedeeltelijk terug.

„Ik weet niet hoe het ze verder is vergaan of waar ze tegenwoordig leven. Ze zijn hun weg gegaan en de wereld is daarna niet vergaan,“ pakt Alda de draad weer op om fluisterend af te sluiten, „En ook deze keer zal dat niet gebeuren.“

Ze valt weer stil met haar ogen gericht op het vuur. Elmo weet, dat ze voorbij de vlammen hem in de gaten houdt. Hij kent haar niet anders. Ze is iemand, die in de stilte mensen hoort praten en in het donker alles ziet. Nu hij zich langzaam aan beter voelt, probeert hij de voorbije uren terug te halen. Zijn stem is nog aangeslagen van de warmte, de dampen en zijn emotionele achtbaan, „Vannacht waren twee dingen vreemd. Dario en ik waren helemaal wolf ...“

Alda’s ogen schieten open. Ze is totaal verrast door zijn mededeling. Elmo begrijpt, dat hij iets meer moet vertellen, „We hebben elkaar als wolven gevonden en na de eerste keer ... hoe zeg ik het netjes ... snuffelen, begroeten, spelen, accepteren ... zijn we teruggegaan naar onze normale verschijning. Bij anderen heb ik de hele tijd een tussenvorm opgemerkt, alsof hun wolf aan de lijn liep.“

Hij kijkt haar vragend aan en zij knikt als teken, dat ze hem begrijpt. Haar open hand is de aanmoediging verder te vertellen.

„Dat zag ik terug bij het stel, dat op onze terugweg uit het bos kwam, onder de schrammen, met bijt- en krabsporen. Ze zagen ons en zij begon te fluisteren, hij hield het bij beleefd knikken en zij bleef maar omkijken, terwijl ze verder liepen. Het was ... Er klopte iets niet aan hun reactie. Dat was het tweede vreemde.“

Alda trekt de deken over haar benen verder op en laat haar handen op de warme wol rusten, „Op zich is een reactie goed. Het betekent, dat zij zich voor anderen interesseren en je zien. Zolang mensen met je willen praten, kun je gedachten uitwisselen.“

„Of dat ze het apart vinden, dat ze niet weten hoe met ons om te gaan. Ik merkte dat. Ze hadden ons niet verwacht en hun beeld van de wereld heeft nu een grote barst,“ vertelt Elmo vlakker dan hij eigenlijk wil. Alda briest zo luid, dat het bijna een lach is, „De wereld heeft barsten, breuken en scheuren nodig. Anders ontstaat stilstand. Je denkt toch niet, dat over elk koppel wordt gejuicht? Elk jaar opnieuw wordt over elk stel na het Ritueel gefluisterd, gemompeld, geroddeld of naar elkaar gekeken. Bij jullie zal het iets meer zijn, omdat jullie zijn, waar zij in hun stoutste dromen niet aan durven te denken.“

„Wat als ze zeggen, dat het verkeerd is en niet kan? Als ze ons alleen laten?“, kijkt Elmo haar aan. Alda aarzelt geen moment, „Dan kunnen ze hier beter mijn tuin uit sluipen, voordat ik mijn theepot naar hun hoofd gooi. Je denkt toch niet, dat ik je heb geleerd je te schamen voor je liefde?“

Ongewild glimlacht Elmo bij het beeld, dat ze oproept. Waarschijnlijk blijft de theepot heel, terwijl de getroffene omvalt. Alda fluistert, „Jullie zullen mensen verwarren of ze worden onzeker, misschien bang, maar er zijn ook mensen, die jullie op afstand respecteren of bewonderen. De oprechte mensen, die het met jullie goed menen, leer je snel genoeg herkennen.“

Elmo zakt tot zijn nek in het water ... en na een blik van Alda even helemaal. De warmte trekt nu door zijn hele lijf en hij probeert zo lang mogelijk helemaal in het water te verdwijnen. Als hij weer opduikt, opent Alda haar ogen. Ze voelt aan, dat hij nog een restant onrust in zich heeft en Elmo denkt aan een stil meer, dat een strakblauwe hemel spiegelt, als hij haar aankijkt. Voorzichtig stelt hij zijn volgende vraag, die onder water in hem opborrelde, „Wat zeggen de oude verhalen? De sagen, waar je het eerder over had? Geven die een reden, waarom twee mannen elkaar vinden en waarom de wolf in hen dat wil?“

Alda heeft deze vraag al verwacht. Ze trekt een wenkbrauw op, vouwt de deken terug, schuift rustig naar voren in haar fauteuil en leunt met haar ellebogen op haar knieën. Haar stem is scherp, zoals vaker, wanneer ze onderwerpen aansnijdt, die niet voor alle oren bestemd zijn. Dan luistert Elmo niet meer naar zijn Oma, maar naar de genezeres.

„De oude verhalen hebben het over spiegelen, over dezelfde kleur van twee zielen. Het gaat verder dan elkaar aanvullen of een evenwicht creëren. Ze versterken elkaar. Ze dragen elkaar. Het zou gaan om twee vlammen, die elkaar niet opeten, maar samen groter worden,“ komt ze iets meer overeind en kijkt Elmo recht aan, zodat elk woord direct in zijn geheugen aankomt, „Sommige versies houden het erop, dat de wolven elkaar al kenden, lang voordat de mannen elkaar vonden. Andere versies vertellen, dat dit gebeurt, wanneer de wereld een aardbeving nodig heeft in plaats van evenwicht om verder te groeien.“

Elmo legt zijn handen op de rand van de tobbe. Langzaam aan wordt het water koeler, de warmte is zijn lichaam binnengetrokken. Rustig legt Alda haar hand op die van hem. Een hand met warme, stevige vingers, terwijl haar stem zowel zachter als krachtiger wordt en tegenspraak zinloos is.

„Jij bent een bijzondere man. Je ziet het woud met meer dan je ogen, met meer dan je zintuigen. Jij ziet mensen en herkent direct, wat ze zelf over het hoofd zien. Je ziet wat mensen verbindt en splijt, nog voordat ze het zelf beseffen. Er zijn maar weinig mensen, die dat kunnen en jij doet het met een vanzelfsprekendheid, alsof je nooit iets anders hebt gedaan.“

Elmo slikt stevig. Deze mening, dit compliment komt totaal onverwacht. Alda wordt emotioneel met licht trillende stem, „Ik denk, dat jij de volgende genezer van dit Roedel wordt en als ik eerlijk ben, misschien wordt jouw rol zelfs groter dan die ik nu heb. Jouw macht en invloed zal groot zijn, omdat jij met open ogen vindt, waar anderen op de tast naar zoeken. Zolang je op een goede manier met die rol omgaat, zal dat iedereen ten goede komen. Juist vanwege alles eromheen heb jij iemand nodig, die op jou let en er voor jou is. Genezers geven veel, vaak zo veel, dat ze zichzelf vergeten. Jij hebt iemand nodig bij wie je zelf mag wegkruipen en ontspannen.“

Ze houdt haar hoofd licht scheef en glimlacht vanuit haar hart, „Zonder dat jij het weet, heb je mij al veel gegeven. De moed om door te gaan, de kracht om vol te houden. Als kleine jongen stelde je al de goede vragen, die mij hebben geholpen dingen anders te zien. Zo’n iemand heb jij zelf nodig en ik geloof, dat jouw wolf die al heeft gevonden. Dario is zowel sterk als kalm. Hij zal je opvangen als jij harder rent, dan je aankunt. Ik denk, dat jij en Dario nu al een sterke band hebben en die zal alleen maar groeien.“

Haar vingers knijpen licht in zijn hand, „Ik denk, dat hier ook de verklaring ligt, waarom jullie vannacht verder zijn gegaan dan alle anderen. Jij en Dario zijn zo moedig, dat jullie je wolf helemaal vrijgelaten hebben en daarom hebben jullie elkaar als wolf gevonden.“

Haar ogen dwalen over hem en ze knikt nog een keer, vooral voor zichzelf, „Genoeg hierover. Ik ga zo je hoofd wassen en daarna ga jij doen, wat nodig is.“

Wat direct wordt uitgevoerd en als laatste wordt zijn haar met een luizenkam rustig in model gebracht, want na een nacht in het woud weet je nooit wat er mee naar huis is gereisd. Elmo weet nu zeker, dat op zijn hoofd alleen haren zitten en verder niets. Daarna mag hij uit de tobbe en zich afdrogen, terwijl ze toekijkt, „Heb je ooit geleerd in welke volgorde je moet afdrogen?“

Elmo weet het nu. Als laatste van voor naar achteren tussen de benen en daarna moet de handdoek de wasmand in. Zijn eigen kleren en rugzak zijn al een plek verder en draaien rondjes in water achter glas. Elmo gelooft direct, dat die na de fietstocht van gisteren al stonken. Morgen mag hij ze ophalen en dat is een verkapt bevel om Dario mee te nemen. Met een groeiende glimlach accepteert hij elke volgende opdracht. Via die omweg laat Alda zo merken hoe blij ze met hem is, vooral ook dat hij zonder zichtbare sporen en met iemand naast zich uit de voorbije nacht is gekomen.

Nu staan ze voor een kist, die Elmo nooit eerder is opgevallen. Vol met reserve kleding voor mannen en jongens in de maten groot, groter, grootst. Alda blijkt te vaak gehavende leden van het Roedel over de vloer te krijgen, waarvan ze de kleding moet openknippen om de wonden te verzorgen, als die kleding al niet aan alle kanten is gescheurd. Met een iets te grote broek en iets te wijd shirt is hij weer toonbaar. Want grootmoeder en kleinzoon zijn het roerend eens met elkaar. Op deze zomerdag, met een strakblauwe lucht betekent zonder kleren op de fiets stappen aankomen met dieprode billen.

Voordat hij mag gaan, moet hij eerst nog aan tafel gaan zitten. Voor zijn neus worden een kom soep, vers brood met gesmolten kaas en een in stukken gesneden appel neergezet. Hij heeft ook honger, eet alles op en praat nauwelijks. Haar ogen zeggen alles – Alda is hartelijk, op de hoogte, beschermend. Bij het afscheid legt ze een hand op zijn rug, „Je bent hier altijd welkom. Altijd.“

Eenmaal buiten zoekt Elmo zijn fiets. De tweewieler staat eenzaam en verlaten één boom verder dan vanmorgen. Opstappen en fietsen maar ...

Elmo kreunt, wanneer hij een betere plek op het zadel zoekt, met een hand aan het stuur verder fietst en met de ander over zijn bovenbenen wrijft, tegelijk mompelt, „Wie is zo dom om in hemelsnaam te fietsen na zo’n nacht?“

Op hetzelfde moment hobbelt hij over een grote boomwortel, die dwars over het bospad uitsteekt en verliest bijna zijn evenwicht. Elke spier in zijn lichaam protesteert en hij ontdekt nu, dat hij spieren heeft op plaatsen, waarvan hij dacht, dat daar vet zat. De broek schuurt aan zijn benen en zijn shirt plakt aan zijn armen en rug. Op deze tijd van de dag staat de zon hoog aan de hemel. De stralen vallen door het bladerdak van de bomen en geven de bodem het uiterlijk van een tijger of giraf. De lucht is droog, het stof wervelt op waar hij fietst. Het licht is helder, te helder voor mensen die nog in de roes van de nacht ervoor zitten. Elke centimeter van zijn lichaam voelt moe of ruw. Zijn dijen en bovenarmen branden, zijn billen vinden het zadel een marteling.

Misschien was de bus een betere keuze geweest.

Vlak voordat het woud overgaat in weide, wordt het pad smaller ... en het zonlicht feller. Nog een klein stukje, dan begint de weg. Gladder, rechter, steviger dan het stuk achter hem. Tegelijk ziet hij er tegenop, want waar asfalt begint, komt zijn doel dichterbij.

De groene, relatief koele wereld met vogelgeluiden, schaduw en buiten de paden vochtige aarde maakt plaats voor smeltend asfalt, trillend hete lucht en het verkeer van een stad in de vroege middag. Al snel gevolgd door de eerste huizen. In dit deel van de stad kleinere huizen voor families, dicht op elkaar gebouwd. De voortuin keurig onderhouden, alleen kinderfietsjes verstoren het opgeruimde beeld. Iemand is gras aan het maaien en over een korte afstand hoort Elmo verschillende soorten muziek uit de huizen. De geuren vertellen over de warmte. Broei in de afvalcontainers en er wordt volop gegrild. De combinatie van deze twee is pure aanmoediging sneller door te fietsen, waarbij hij voor een afslaande bus, spontaan overstekende giechelende meisjes en een loslopende hond mag uitwijken. Elmo fietst in hetzelfde tempo verder, over die vervelende drempel voor een fietsenwinkel, waar de modellen van vorig jaar in de etalage hangen. Nog een keer afslaan en dan is hij er.

Ineens staat hij onder hoogspanning. Een politiewagen blokkeert een oprit en wel die van het huis van zijn ouders. Geen zwaailicht, tegelijk niet over het hoofd te zien. Een buurvrouw kijkt geïnteresseerd toe vanuit haar huis aan de overkant. Hij remt abrupt, want de spanning bereikt zijn maag en hij leunt met zijn onderarmen op het stuur. Tijdens de jacht met Dario was de spanning leuker en gezonder. Dit hier is tijdens plotseling opkomend zwaar onweer op warme zomerdagen, waarbij je je afvraagt wanneer de bliksem direct naast je inslaat. Elmo haalt adem, stapt af en zet zijn fiets tegen het hek.

De voordeur staat op een kier, daarachter bewegingen en stemmen, die ineens stilvallen. Iemand heeft hem gezien. Op naar de voordeur, die van binnen uit opengaat. Daar staat zijn moeder met rode ogen, vlekken op de wangen en het kapsel uit model. Ze ziet hem en blijft hem aankijken om met gebroken stem te fluisteren, „Elmo, we dachten ... we hebben alles geprobeerd en overal gezocht, we ...“

„Mama,“ lukt het Elmo om tenminste iets te zeggen, want ze slaat haar armen zo stevig om hem heen, dat hij bijna zijn evenwicht verliest. Met een hand op haar rug kan hij verder naar binnen kijken en ziet zijn vader, die in de gang staat met zijn brede schouders, die nog breder lijken, omdat hij zijn armen over elkaar heeft. Met een zuinige blik blijft de man zwijgend stilstaan. Achter hem een agent, die tegen een collega zegt, „Vermissing opgelost.“

Waarop de twee naar buiten willen. Het duurt even, want iedereen moet een stap opzij doen. Hun vertrek bevrijdt Elmo uit de armen van zijn moeder, die hem met aandacht in zich opneemt. Alles aan hem is heel en schoon. Hij ademt. Kortom, het kan niet beter. In haar stem vibreert bezorgdheid, „Waar was je?“

„Oma, niet jouw moeder, maar die van je man,“ laat Elmo zijn ogen dwalen van zijn moeder naar zijn vader. Desondanks ziet hij de spanning oplopen, „Ik mocht aan het Ritueel meedoen.“

„Wat?“, schiet zijn vader vanuit pols en heup tegelijk, „Wat zei je?“

Elmo gaat rechtop staan en schudt zijn schouders los, „Ik heb aan het Ritueel meegedaan. Met succes. In principe hebben jullie een schoonzoon erbij gekregen.“

Zijn vader heeft slechts weinig tijd nodig om te reageren, „Je hebt nu een man uit dat ... dat vervloekte Roedel? Uitgerekend dit Roedel? Na alles, wat ik je heb geleerd? Na alles, wat ik daar heb meegemaakt? Ik heb je je hele leven ingeprent, dat je daar alleen arrogantie en verraad ontmoet en jij kiest iemand uit die bende? Ben je nog welp?“

Zijn vader is tegelijk dichterbij gekomen en zijn gezicht wordt steeds roder, de aderen zichtbaar, de vuisten gebald. De man schreeuwt bijna. Elmo zet de tegenaanval in, „Wat welp? Ik ben twintig, sinds twee jaar meerderjarig, al negeer je dat al te graag. Het gaat om mijn eigen leven en daarin maak ik mijn eigen keuzes.“

Zijn vader valt hem in de rede, totaal emotioneel, „Nee! Je bent ondankbaar! Je bent blind! Ik heb je uit hun invloed gehouden, zodat je goed terecht komt, er niet aan onderdoor gaat en wat doe jij? Je gedraagt je als een straatkind, dat nooit geleerd heeft wat trots is en kruipt ernaar terug!“

Elmo beseft, dat hij een zoon van zijn vader is, wanneer hij net zo scherp wordt, „Trots? Je praat over trots, alsof je dat niet leert, maar erin slaat. Je hebt mij niet van Roedel gered, maar daardoor juist beschadigd. Ik heb mijn hele leven lang geloofd, dat bij mij ergens iets niet klopt, omdat ik altijd iets miste. Je hebt zonder na te denken een kant van mij onderdrukt, die er wel is en af en toe naar buiten komt. Jouw haat tegen het Roedel komt door jezelf. Je hebt nooit geaccepteerd, dat jij geen genezer zou worden. Daarom heb je mij gedwongen alleen als mens te leven, maar dat ben ik niet! Ik heb ook die wolf in mij, al zou je die het liefste in een betonnen kluis opsluiten! Ik mocht van jou niet op atletiek, puur om te verbergen, dat ik goed kan rennen, beter dan anderen. Ik was bijna vergeten, dat die wolf in mij er is, heb nooit ergens bij gehoord. Misschien begin je nu te begrijpen wat je mij hebt aangedaan met je koppigheid. Ik heb mij jaar na jaar verstopt en geprobeerd die andere helft van mij te negeren en te vergeten, dat die bestaat. Maar die wolf is er altijd geweest en jij wilde dat nooit weten.“

Zijn vader wil reageren, maar Elmo schudt zijn hoofd. In de stilte is alleen het zware ademen van zijn ouders te horen. Daar heeft hij zichzelf beter onder controle. Zijn vader kijkt hem aan, alsof Elmo net de grond onder zijn voeten heeft weggehaald en nog een klein duwtje nodig heeft om in de afgrond te verdwijnen. Zijn moeder heeft vochtige ogen en trillende handen. Hij kijkt ze afwisselend aan, „In de komende dagen kom ik langs om mijn spullen op te halen. Hier ben ik niet meer thuis, wel op het terrein van het Roedel. Ik had gehoopt, dat jullie blij zouden zijn, dat ik mijn geluk heb gevonden.“

Elmo draait zich om en in de deuropening valt hem nog iets in, „Oh ja, hij heet Dario.“

Waarna hij doorloopt, zijn fiets pakt en met de zekerheid, dat dit een goede beslissing is, met hernieuwde energie aan de fietstocht naar zijn werk in het café en daarna naar zijn nieuwe thuis begint.

Re: Instinct

Geplaatst: do 18 jun 2026, 10:21
door Jablan
Instinct – 9 Thuis

Dario zit op de onderste trede van het trapje naar de deur van het nieuwe huis voor hem en Elmo. De zon staat al lager, zal straks achter de horizon verdwijnen, en zorgt voor langere schaduwen op het nieuwe pad, dat vanaf het plein omhoog slingert. Op een mooie zomeravond zoals vandaag zorgt het voor licht met een rand goud. De rubus idaeus, waar Luana het over had, bewegen rustig in de lichte wind. Een paar vruchten zijn al rijp, dieprood in plaats van groen. Zijn moeder heeft mooi werk afgeleverd, waarschijnlijk door haar levendige aanwezigheid en overtuigingskracht. Dit huis is voor Elmo en hemzelf. Er komt veel daglicht binnen en staat duidelijk op de best mogelijke plek. Al moet er nog wat gebeuren, voordat een thuis is voor hen beiden.

Zo te horen, komt Elmo er aan. Iets eerder dan hij had verwacht. Eerst het geluid van banden over het pad, dan een zware ademhaling en tenslotte een piepende rem. Dario kijkt met een glimlach op. Daar is Elmo. Zijn Elmo. Bezweet, het shirt lijkt te groot voor zijn schouders, het haar staat alle kanten op en hij blijft nog even zitten met zijn rechter voet op het pedaal en linker op de grond. Zijn borstkas gaat snel op en neer en zijn ogen vertellen over onzekerheid, trots, protest en opluchting, dat hij is aangekomen.

„Leef je nog of val je zo om?“, wil Dario weten. Elmo kijkt hem open, zonder een spoor van twijfel aan, „Allebei.“

„De bushalte is een goede kilometer lopen en de bussen hebben koeling.“

„Bedankt, ik heb gisteren en vandaag al genoeg gelopen. Ik wilde wat nieuws proberen. Fietsen als sport.“

„Een dapper idee. Je kijkt alleen of de eerste poging is mislukt.“

„Je medeleven is hartverwarmend,“ grijnst Elmo, briest even en stapt eindelijk af. De fiets zet hij naast de trap om daarna zijn shirt uit te trekken en over het stuur te gooien, gevolgd door het zweet uit zijn ogen wrijven en de omgeving bekijken, „Hoe gaat dit hier? Worden de huizen toegewezen?“

Zijn ogen dwalen over de rij huizen, die hier langs de rand van het woud gebouwd zijn. Een paar jaar geleden zijn hier een paar bomen geveld, alleen waar het echt nodig was, om voldoende plek en hout te hebben. De wortels zijn in de grond gebleven, hier en daar groeien al nieuwe bomen. Dit is een project van het hele Roedel. Elk huis heeft twee of drie kamers, een overhangend dak en een stenen schoorsteen. Geen enkel huis is hetzelfde. Een raam of deur op een andere plek, de nok van het dak wisselt. Uniformiteit gaat te veel in tegen de wolf in hen en het Roedel is meer van organisch bouwen dan van rechthoeken.

Dario staat op en gebaart richting de andere huizen, „Min of meer. Luana heeft Bernardo bewerkt en om welke reden dan ook gezegd, dat dit huis voor ons de beste plek is. De Alpha is akkoord gegaan.“

„Je moeder moet wel goede argumenten hebben gebruikt,“ lacht Elmo ingehouden.

„Misschien. We hebben het huis met het beste uitzicht, de meeste privacy en volgens Luana de beste plek voor een moestuin,“ wijst Dario op het bouwwerk achter hen.

Hun huis staat iets apart van de andere huizen en biedt woudzicht. De rubus idaeus probeert elke vrije meter te veroveren. Elmo geniet hiervan en neemt gelijk de kans waar om Dario beter in zich op te nemen. Breder en gespierder door het leven hier, maar zoals hij staat eerder een geboren leider dan een harde werker. Veerkrachtig met aandacht voor anderen. Dario bevalt Elmo steeds meer en hij gaat naast hem staan, slaat een arm om hem heen en kijkt rond, „Niet slecht. Het is ... een mooie plek.“

Dario legt zijn hand op Elmo’s schouder, „Dat was ook mijn eerste gedachte. Zullen we naar binnen gaan?“

Elmo knikt en laat hem los, loopt de korte trap op en wil de deur openen, maar die is nog op slot. Dario blijft even staan en ziet Elmo met andere ogen. Zijn rug en schouders zijn smaller dan bij hemzelf, maar hij is compleet gespierd. Lenig en beweeglijk in plaats van plompe spiermassa. Aangeboren elegantie. Niet zo zongebruind als een Corvin en dat wekt zijn fascinatie op. Elmo is niet voor het buitenleven geboren, maar zal er zeker op uit trekken. Iemand, die na een val altijd opstaat, letterlijk en figuurlijk.

„Heb jij sleutels?“, haalt Elmo hem uit zijn observatie, draait zich helemaal naar hem om en glimlacht. Dario betrapt zichzelf erop, dat zijn ogen aan Elmo vastkleven en de glimlach vertelt hem weer, dat Elmo hem door heeft. Hm ... Als ze nu al zo tegen elkaar opgewassen zijn, dan wordt het een mooi leven met elkaar. Desondanks briest hij kort, „Komt eraan. Je bent te mooi om niet wat langer naar je te kijken.“

Elmo steekt alleen zijn hand uit, „De deur wil open, Dario.“

Dario grijnst en haalt twee hangers uit zijn broekzak, geeft er een af en houdt zijn eigen omhoog. De hangers hebben een wolfskop, Elmo knikt goedkeurend. Ze aarzelen allebei, totdat Dario knikt en Elmo vastbesloten de deur opent, voor Dario openhoudt om tegelijk naar binnen te gaan.

„Jij bent hier al geweest?“, vraagt Elmo. Dario lacht even, „Ik heb aan de bouw meegewerkt.“

„Veel werk,“ geeft Elmo hem een indirect compliment en trekt zijn schoenen uit. Alles is nieuw, ruikt naar geolied hout en hars. Elmo loopt door en draait zich om, neemt alles in zich op. Voordeur, kleine hal met kapstok en schoenenrek, daarna de woonkamer. Achter hem sluit Dario de voordeur en Elmo protesteert, „Laat maar open. Frisse lucht en mijn gevoel zegt, dat we nog bezoek krijgen.“

Dario knippert met zijn ogen. Elmo verwacht nog mensen? Toch doet hij wat de ander vraagt, want verse lucht is altijd goed, en loopt naar de woonkamer, direct door naar de glazen wand, „Wat vind je hiervan?“

„Alsof het woud de kamer binnenkomt,“ vat Elmo zijn eerste indruk samen. Het is een goede keus aan die kant glas te gebruiken. Direct aan de woudzijde moet het hout sneller vervangen worden dan aan de dalzijde met meer zon. Elmo kijkt rond, dan naar Dario, „Wat vind jij van de inrichting?“

„Startklaar. Alles is er, maar niet alles vind ik mooi of praktisch,“ geeft Dario zijn mening en Elmo stemt toe. Houtkachel, bank, eettafel, stoelen, keuken, karpet en gordijnen. Bij elkaar een kamer, die op leven wacht. Dario moedigt Elmo aan, „Verder rondkijken? Daar is een trap naar boven.“

Elmo knikt en loopt rond, bekijkt alles van dichtbij en dan valt het Dario op. Elmo is gespannen, de rust van vanmorgen is verdwenen. Tijd om er wat aan te doen. Dario gaat voor Elmo staan en legt zijn handen op de schouders, „Ik wil de stemming niet bederven, maar zou je mij willen vertellen, hoe het bij je ouders ging?“

De aarzeling zegt alles. Andersom is Elmo blij, dat Dario erover begint, want zelf weet hij niet goed waar te beginnen. Misschien bij einde, „Niet goed, eerder erg slecht.“

Ineens voelt Elmo zich moe en zoekt een plek om te zitten. Bank of tafel? De tafel is dichterbij, de bank comfortabeler. Hij pakt Dario’s hand en neemt hem zo mee naar de stoelen rond de tafel, waar ze naast elkaar kunnen zitten, tegen elkaar aan. Als hij wil loslaten, pakt Dario weer zijn hand en kijkt hem alleen aan. Genoeg aanmoediging om de middag samen te vatten.

„De politie was bij mijn ouders, want ze hadden mij als vermist gemeld. Dat was het begin van het drama. Ik heb over het Ritueel verteld. Mijn vader is ontploft en heeft de longen uit zijn lijf geschreeuwd. Ik kreeg verwijten over mij heen, hij probeerde mij weer in de rol van de gehoorzame, volgzame zoon te dwingen. Mijn moeder stond erbij, keek ernaar en bleef huilen. Ergens heb ik met haar te doen. Ik heb gezegd, dat ik hierheen zou gaan. Oma zei vandaag al tegen mij, dat ik hier altijd welkom ben. Dat is meer dan bij mijn ouders. Ik ben vandaag niet veel verder dan de voordeur gekomen.“

Dario haalt goed adem en legt zijn andere hand om Elmo’s schouder, „Je bent meer dan welkom hier, bij mij.“

Bij oogcontact wordt het duidelijk. Op dit moment toont Elmo zich kwetsbaar en trots, Dario meer bezorgd en opgelucht. Bij Elmo komt een lach door in zijn ogen, „Hoe ging het bij jouw ouders?“

Dario aarzelt, want het komt hem opeens vreemd voor, na het relaas van Elmo. Toch wil hij het kwijt, Elmo bij alles betrekken wat hem bezighoudt, „Het was ... goed. Ze waren thuis, toen ik terugkwam. Je weet hoe we eruit zagen vanmorgen en ze hebben ... gelachen, waren enorm opgelucht. Het was eerst alles vertellen, daarna eten en tenslotte opfrissen. Mijn vader heeft alleen gezegd, dat ik mijn eigen weg heb gevonden en die ook moet volgen. Mijn moeder wil het hier verder inrichten, maar ik denk, dat we haar een beetje moeten afremmen, voordat zij zich hier meer thuis voelt dan wij.“

„Dat is lief van haar,“ knikt Elmo, „Tegelijk klinkt het onwerkelijk.“

Dario wrijft even met zijn hand over de schouder, „Dat was het ook wel. Ik voel me bijna schuldig, dat het zo makkelijk ging.“

Elmo knijpt even met zijn hand in die van Dario en kijkt hem beslist aan, „Niet. Doen. Je hebt geluk met ze en ik zou eerder trots zijn, dan mij te verontschuldigen.“

Ze blijven even stil, kijken elkaar aan. De warmte komt terug. Het klopt. Elmo laat langzaam alles los, opent zich en Dario voelt zich zekerder, „Mijn ouders willen je ontmoeten, wanneer je er klaar voor bent.“

Elmo aarzelt, „Dat is ... fijn. Ik weet niet of ik dat nu goed aankan ... maar ik wil het proberen ... en jij? Voor gisteravond. Had je een relatie? Wist je, ... dat je mannen aantrekkelijk vond ... vindt?“

Elmo vraagt alles heel voorzichtig, wat Dario waardeert. Zo is het voor hem makkelijker alles te vertellen, niets achter te houden, „Geen idee. Er waren een paar meisjes, maar iedere keer heel kort. Voor het Ritueel was ik ... vier maanden met Panja. Dat was oké, maar ik miste altijd iets. Echt erover getwijfeld heb ik niet, het was gewoon zo.“

Elmo luistert, geeft hem de tijd, die hij nodig heeft. Het oogcontact houden ze vast, „Naar mijn idee had ik alles, waar iedereen altijd over praat, en toch voelde het niet goed. Daarom dacht ik, dat ik het niet genoeg kon waarderen of ervan genieten. De laatste week begon alles als een achtbaan te voelen. Het idee, dat na het Ritueel, het altijd zo zou zijn, maakte mij gek. Gelukkig is het nu anders.“

„Wat is met Panja gebeurd? Lijkt mij apart om voor het Ritueel iemand te hebben en erna een ander.“

Elmo stelt goede vragen, ontdekt Dario, want hij moet elk woord voor zichzelf herhalen en erover nadenken, „Het is zeker apart ... en voor haar meer dan voor mij. Ze hoopte zo, dat wij als paar bij elkaar zouden blijven ... maar ik heb haar niet geroken, niet gezien, ik was niet eens bij haar in de buurt. Ik denk, dat dat haar nog het meest heeft geraakt.“

Elmo volgt Dario en probeert alles te begrijpen. Zijn open blik houdt Dario in het hier en nu, „Ze heeft mij vandaag opgezocht. Ze was woedend en teleurgesteld, wilde mij in elkaar slaan, maar eigenlijk was ze vooral verdrietig en ... onzeker. Ze heeft nu iemand uit een Roedel ver weg en ze gaat eerst mee daarheen, pas later beslissen ze waar ze willen leven. Ik heb geprobeerd haar te steunen. Ze is sterk. Tussen alle tranen door kwam wel naar boven, dat ze hem leuk vindt, maar ik moest het eerst hardop uitspreken.“

Elmo is niet helemaal tevreden, „Goed, maar ik wil weten hoe het voor jou is.“

„Ze is mooi, dapper, heeft humor en ik ging altijd graag met haar om ... maar ze heet Panja, niet Elmo. Bij jou voel ik mij nog vele malen beter, in elk opzicht. Alleen al vannacht met jou ... dat was heerlijk.“

„Dank je, al klinkt alles vreselijk naar een cliché,“ glimlacht Elmo.

„Alles is absoluut waar,“ glimlacht Dario en knikt nog een keer, leunt met zijn hoofd tegen dat van Elmo om een ogenblik later weer oogcontact te zoeken. Van buiten komt het bekende geluid, dat de avond aankondigt. Het ritmische tjilpen van krekels.

Elmo maakt zich los en loopt naar de bank, gaat er schuin op zitten, „Kom je? Dit zit beter.“

Dario volgt en kiest een plek, zodat ze tegenover elkaar zitten. Dan valt hem op wat Elmo aanheeft en hij trekt zijn shirt uit, zodat ze allebei min of meer hetzelfde aanhebben. Als eerste wil hij het gesprek weer oppakken, „En jij? Heb jij iemand achtergelaten?“

Elmo lacht even en kijkt hem open aan, de glimlach blijft, „Nee. Eerlijk gezegd had ik helemaal geen interesse in zoiets als vannacht met jou. Voor het Ritueel was ik doof, blind en stom tegelijk op dat gebied. Niets of niemand sprak mij aan of maakte iets in mij los. En als ik wel had, dan ... geen enkel idee hoe het aan te pakken.“

De ogen gaan naar binnen, zoeken in het verleden, „Terugkijkend ... keek ik in het zwembad vaker naar de jongens dan naar de meisjes. Maar ik heb daar nooit verder bij stilgestaan of wilde daar niet over nadenken.“

Dario leunt zich iets naar voren, legt een hand op Elmo’s knie, „Je had niets met seks, niets met jongens en tegen de wil van je ouders heb je meegedaan aan het Ritueel? Na vannacht met jou in het woud verlies ik je nu, ben ik bang.“

Elmo haalt zijn schouders op. Vandaag tijdens het fietsen en zijn gedachten vrij baan geven kwam de reden vanzelf naar voren, „Het Ritueel was voor mij de kans de wolf in mij vrij te laten en misschien er een partner aan over te houden. Ik heb het op gevoel gedaan. Doen, proberen, kijken waar het eindigt. Nu zitten we hier.“

Plotseling grijnst hij, op een sluwe, licht provocerende manier en beweegt zijn hand van Dario naar zichzelf, „Het was de moeite waard.“

Dario geniet van de lach in het gezicht en gromt zacht. Het donkere geluid diep uit zijn keel komt op, voordat hij zich ervan bewust is. Zijn hand verhuist van de knie naar het bovenbeen, „Je hebt werkelijk geen idee, hoe aantrekkelijk je bent en wat je soms uitlokt bij mij.“

„Niet echt,“ worden Elmo’s ogen groter, „Je bent met alles mijn eerste.“

Dario herpakt zich, bang om zichzelf te veel op te dringen, „Dan moet je het aangeven als ik te ver ga. Die wolf in ons raakt soms in trance, weet je.“

„Mijn wolf en ik hebben op dit moment een beetje honger,“ geeft Elmo droog retour, „Voor de rest hebben we nog de hele avond. Is er eten in dit huis?“

Een vraag, waarop Dario geen antwoord heeft. Zodoende staan ze op en inspecteren de keuken. Daar vinden ze in de kasten ... niets eetbaars. Daarom verkennen ze de rest van het huis. De slaapkamer ziet er goed uit. Er zijn kussens, dekens, dekbedden, lakens, een matras en een bed. De kamer ernaast is leeg. Beneden naast de trap zit de deur naar de badkamer. Tot Elmo’s grote opluchting keurig ingericht met tegels, toilet, wastafel, douche en zelfs een wasmachine. Dario lacht om Elmo, die hem met een simpele opmerking terughaalt, „Of zelf doen of elke dag je moeder over de vloer, kies maar wat je wilt.“

Dario kiest voor de eerste optie. Hij had zich nog niet gerealiseerd, dat ook dit bij op eigen benen staan hoort, terwijl hij bij elke stap in het ontwerp en de bouw mee heeft gedaan. Terwijl ze elkaar verder plagen, klinkt buiten een voor beiden bekende stem. Alda staat bij de deur en ze is niet alleen. Bernardo is bij haar.

„Kom binnen,“ roepen ze tegelijk om daarna elkaar verrast aan te kijken over de synchrone uitnodiging. In de woonkamer kijkt Alda even rond, gebaart met haar hand en iedereen gaat aan de eettafel zitten. Dario kijkt Elmo kort aan, „Jouw voorgevoel is goed.“

Elmo knikt, kijkt rond, „Waaraan hebben we deze eer te danken? Als ik het goed heb, bent u de Alpha.“

Bernardo lacht kort, „Voor jou ben ik Bernardo en ‘jij’. Ik wil even kennismaken met jou, omdat je nu hier bent of gaat leven. Wil je kort iets over jezelf vertellen?“

De man straalt een warmte uit, waardoor Elmo zich direct ontspant en zich veilig voelt. Hij vertelt, wat hij eerder al Dario heeft verteld en Alda sowieso weet. Als hij verder wil gaan, steekt Bernardo zijn hand op, „Voor nu weet ik genoeg en in de komende tijd zullen we vaak genoeg langere gesprekken hebben met ons vieren, precies zoals we nu hier aan tafel zitten. Ik hoop, dat je je hier overal welkom en thuis zal voelen.“

Waar Elmo licht emotioneel van wordt. Bernardo kijkt opzij en Alda begint, „Dario, Elmo vertelde mij vanmiddag, dat jullie helemaal wolf waren, toen jullie elkaar ontdekten. Bernardo en ik willen daar graag meer van weten.“

Hiervoor hoeven ze zich niet te schamen. Vrij kort na de start was geen enkele geur aantrekkelijk genoeg om achteraan te gaan en pas als wolf ontdekten ze elkaar. Niet door de geur, maar door de energie van de ander. Daarna was het niet meer jager en prooi, maar elkaar opjagen en het geschikte moment afwachten. Zowel Alda als Bernardo luisteren aandachtig, waardoor Dario en Elmo zich vrij genoeg voelen om de rest te vertellen, behalve de seks tussen hen. Pas wanneer ze klaar zijn, durft Dario de tegenvraag te stellen, „Wat was hier zo bijzonder aan?“

„Het gaat Alda en mij om hoe sterk de band tussen jullie is en wellicht wordt,“ lijkt Bernardo niets achter te houden, „Alda?“

Ze knikt, wat Bernardo eerder lijkt te voelen dan te zien, want hij zit naast haar en ziet haar nauwelijks. Elmo ontspant en leunt iets achterover, Dario volgt zijn voorbeeld. Dan spreekt Alda verder, „Ik heb Elmo vandaag verteld, dat ik denk, dat hij mijn opvolger wordt.“

„Ik zeg nu tegen Dario, dat ik in jou mijn opvolger zie. Jullie twee samen ...,“ valt Bernardo stil en Alda glimlacht. Elmo kijkt naar Dario, die geen woord kan uitbrengen, en neemt een besluit, „Dat is een onverwachte toekomst voor ons. Toch wil ik dit absoluut stil houden. Eigenlijk ken ik in dit Roedel alleen Dario en jou, Oma, daarom alles ...“

„... stap voor stap,“ maakt Dario automatisch de zin af en vult hem aan, „Elmo heeft gelijk. We hebben nog heel wat voor ons, voordat we zo goed worden als jullie nu zijn.“

„Jullie stellen mij zeker niet teleur. Dat is precies zoals Alda en ik het vanmiddag voor ons zagen. Maar jullie hebben nu een doel voor ogen en wanneer het zover is, zien we dan wel,“ sluit Bernardo met een opgewekt gezicht af. Alda kijkt naar buiten, naar het plein, „Ze zijn al begonnen.“

Waarop Dario zich voor zijn hoofd slaat, „Elmo, dat ben ik helemaal vergeten. De afsluiting van het Ritueel.“

„Je hebt het vanmorgen verteld,“ glimlacht Elmo.

„Ook daarom ben ik nu hier. Jullie twee lopen straks voor Alda en mij naar het plein. Niet te snel, luister naar Alda’s voetstappen. Het moet genoeg zijn om het goede signaal af te geven, want man, man, man, jullie zijn het gesprek van de dag.“

„Minder roddels?“, vragen Dario en Elmo, opnieuw synchroon, waarop ze elkaar aankijken en kort lachen.

„Minder roddels,“ bevestigt Bernardo, waarop Dario glimlacht, „Dank je wel.“

„Over vijf minuten gaan we, die heb ik nodig voor rust in mijn hoofd,“ beslist Elmo, waarna hij en Dario tegen elkaar aan leunen, onder toeziend oog van Bernardo en Alda. Wanneer hij denkt, dat ze het niet merken, geeft Bernardo Alda een zoen op haar wang ... en het is de eerste keer, dat Elmo haar ziet blozen als een klein meisje.

EINDE

Reageren?