Koffie met een rietje. (deel 15)
Geplaatst: zo 14 jun 2026, 17:27
Koffie met een rietje. (deel 15)
Twee weken later waren de zwoele avonden met warmteonweders uit het dal verdwenen, vervangen door de klassieke, kraakheldere zomerdagen van het Engadin. De vroege ochtenden waren fris door een noordelijke wind, maar zodra de zon boven de bergkammen van de Berninagroep uitklom, werd het aangenaam warm.
Het gewone leven had zijn intrede gedaan in het appartement in Samedan. Marnix draaide opnieuw vroege en late shiften in het ziekenhuis. Hannes had intussen zijn eigen ritme gevonden tijdens de uren dat hij alleen was. Zijn linkerhand bleek een snelle leerling: hij kon inmiddels zonder ongelukken een glas water inschenken, de pagina's van een boek omslaan en met een lepel voorzichtig door een pan soep roeren.
Zijn dagelijkse wandeling hoorde bij zijn routine. Als hij alleen op pad ging, waagde hij zich niet aan grote uitstappen zoals naar Val Trupchun, maar beperkte hij zich tot rustige tochten langs de Inn, gekleed in zijn vertrouwde, veel te ruime T-shirt en korte joggingbroek. De lokale bevolking knikte hem inmiddels vriendelijk toe. Na drie weken hoorde de Belgische wielrenner met de twee gipsarmen er in het dorp een beetje bij.
De opwinding van de eerste weken had plaatsgemaakt voor een diepe, vertrouwde rust, maar het gevoel van thuiskomen was er niet minder om geworden.
Marnix stapte binnen, liet zijn rugzak op de grond glijden en plofte met een zucht naast Hannes op de bank. Hij rook naar frisse buitenlucht en vaag naar de desinfecterende zeep van de verpleegafdeling.
‘Drukke dag?’ vroeg Hannes terwijl hij zich naar hem toe draaide.
‘Valt mee. Gewoon de gebruikelijke dingen,’ antwoordde Marnix.
Zijn blik was kalm en vertrouwd. Zonder iets te zeggen pakte hij Hannes' linkerhand vast en begon met zijn duim over de knokkels te wrijven.
Het was een klein gebaar, maar de intimiteit ervan was onmiddellijk voelbaar. Het hoefde niet altijd uit te monden in een stormloop naar de douche of het bed. Juist in deze alledaagse momenten, tussen werk en avondeten lag hun nieuwe normaal vervat.
‘Ik heb de aardappelen al gewassen,’ zei Hannes trots, terwijl hij met zijn kin naar de keuken wees. ‘Schillen lukt me natuurlijk van geen kanten, maar ze zijn tenminste schoon.’
Marnix lachte zacht en boog zich voorover. Hij drukte een trage kus in Hannes’ hals, precies op de gevoelige plek onder zijn kaaklijn. Hannes ademde onwillekeurig wat dieper in.
De vooruitblik van wat er later die avond zou gebeuren, wanneer de vaat gedaan was en de rust definitief over het dal viel, hing meteen in de lucht. Het was een taal die ze inmiddels vloeiend spraken: een blik, een aanraking, de wetenschap dat ze alle tijd van de wereld hadden.
‘Goed gewerkt, assistent van me,’ fluisterde Marnix tegen zijn huid, waarna hij zich weer oprichtte en een knipoog gaf. ‘Kom op, dan gaan we koken. Jij mag instructies geven vanaf de zijlijn.’
Terwijl Marnix de keuken in liep en het mes ritmisch op de snijplank begon te hakken, keek Hannes hem na. De gipsen armen zaten er nog altijd en de logistieke problemen waren verre van verdwenen, maar het leven met Marnix voelde weidser dan de hoogste bergtoppen om hen heen.
‘Dit leven bevalt me best,’ merkte Hannes op.
‘Ik ben het met je eens,’ antwoordde Marnix. ‘Maar het zou prettig zijn als die dwangbuizen aan je armen eindelijk verdwijnen. Ze zitten ook mij regelmatig in de weg.’
‘Nog één week geduld.’
Een week later stapte Hannes opnieuw te voet naar het ziekenhuis. Deze keer niet met tegenzin om een nieuwe gips te laten aanbrengen, maar met het aanlokkelijk vooruitzicht om eindelijk verlost te worden van het gips om zijn linkerarm.
Eerst werd er een controlefoto genomen.
De verpleegkundige van de dienst orthopedie zaagde het gips vakkundig open met het gekende slijpschijfje, dat voor Hannes subjectief een verrassend mooi geluid maakte. De arts kwam de arm controleren en toonde de mooi genezen breuk op het computerscherm.
‘Niet meteen een sprintje trekken, hé,' waarschuwde hij vriendelijk.
Hij voelde aan de stijve pols van Hannes.
‘De breuk is prachtig hersteld, maar de spieren en gewrichten moeten de komende weken weer loskomen. En wat de rechterkant betreft...’
Hij tikte even tegen het harde gips dat nog om Hannes’ andere arm zat.
‘Daar kijken we over veertien dagen opnieuw naar. Die breuk heeft nog wat tijd nodig.’
De arm die links tevoorschijn kwam, was een schim van de getrainde arm van vier weken geleden. De huid was bleek, licht schilferig en de spiermassa was onmiskenbaar afgenomen. Maar toen Hannes voorzichtig zijn vingers bewoog en zijn pols probeerde te draaien, voelde het alsof hij een heroverd koninkrijk inspecteerde.
Buiten de ziekenhuisdeuren, in de warme middagzon van het Engadin, kon hij zijn geluk nauwelijks op.
Hannes zwaaide met zijn linkerarm alsof hij een overwinningsvlag droeg, terwijl zijn rechterarm nog altijd als een dood gewicht in de vertrouwde hoek tegen zijn buik rustte.
Hannes toonde zijn linkerarm opgetogen bij Marnix' thuiskomst later op de middag.
‘Rustig aan, avonturier,’ lachte Marnix. ‘Je lijkt wel een krab met maar één functionerende schaar.’
‘Je hebt werkelijk geen idee hoe geweldig dit voelt,’ zei Hannes. Hij streek met zijn herwonnen linkerhand demonstratief door zijn haren en krabde vervolgens uitgebreid over zijn neus. ‘Alleen al het feit dat ik aan mijn eigen gezicht kan komen zonder te foeteren, is pure luxe.’
Twee weken later waren de zwoele avonden met warmteonweders uit het dal verdwenen, vervangen door de klassieke, kraakheldere zomerdagen van het Engadin. De vroege ochtenden waren fris door een noordelijke wind, maar zodra de zon boven de bergkammen van de Berninagroep uitklom, werd het aangenaam warm.
Het gewone leven had zijn intrede gedaan in het appartement in Samedan. Marnix draaide opnieuw vroege en late shiften in het ziekenhuis. Hannes had intussen zijn eigen ritme gevonden tijdens de uren dat hij alleen was. Zijn linkerhand bleek een snelle leerling: hij kon inmiddels zonder ongelukken een glas water inschenken, de pagina's van een boek omslaan en met een lepel voorzichtig door een pan soep roeren.
Zijn dagelijkse wandeling hoorde bij zijn routine. Als hij alleen op pad ging, waagde hij zich niet aan grote uitstappen zoals naar Val Trupchun, maar beperkte hij zich tot rustige tochten langs de Inn, gekleed in zijn vertrouwde, veel te ruime T-shirt en korte joggingbroek. De lokale bevolking knikte hem inmiddels vriendelijk toe. Na drie weken hoorde de Belgische wielrenner met de twee gipsarmen er in het dorp een beetje bij.
De opwinding van de eerste weken had plaatsgemaakt voor een diepe, vertrouwde rust, maar het gevoel van thuiskomen was er niet minder om geworden.
Marnix stapte binnen, liet zijn rugzak op de grond glijden en plofte met een zucht naast Hannes op de bank. Hij rook naar frisse buitenlucht en vaag naar de desinfecterende zeep van de verpleegafdeling.
‘Drukke dag?’ vroeg Hannes terwijl hij zich naar hem toe draaide.
‘Valt mee. Gewoon de gebruikelijke dingen,’ antwoordde Marnix.
Zijn blik was kalm en vertrouwd. Zonder iets te zeggen pakte hij Hannes' linkerhand vast en begon met zijn duim over de knokkels te wrijven.
Het was een klein gebaar, maar de intimiteit ervan was onmiddellijk voelbaar. Het hoefde niet altijd uit te monden in een stormloop naar de douche of het bed. Juist in deze alledaagse momenten, tussen werk en avondeten lag hun nieuwe normaal vervat.
‘Ik heb de aardappelen al gewassen,’ zei Hannes trots, terwijl hij met zijn kin naar de keuken wees. ‘Schillen lukt me natuurlijk van geen kanten, maar ze zijn tenminste schoon.’
Marnix lachte zacht en boog zich voorover. Hij drukte een trage kus in Hannes’ hals, precies op de gevoelige plek onder zijn kaaklijn. Hannes ademde onwillekeurig wat dieper in.
De vooruitblik van wat er later die avond zou gebeuren, wanneer de vaat gedaan was en de rust definitief over het dal viel, hing meteen in de lucht. Het was een taal die ze inmiddels vloeiend spraken: een blik, een aanraking, de wetenschap dat ze alle tijd van de wereld hadden.
‘Goed gewerkt, assistent van me,’ fluisterde Marnix tegen zijn huid, waarna hij zich weer oprichtte en een knipoog gaf. ‘Kom op, dan gaan we koken. Jij mag instructies geven vanaf de zijlijn.’
Terwijl Marnix de keuken in liep en het mes ritmisch op de snijplank begon te hakken, keek Hannes hem na. De gipsen armen zaten er nog altijd en de logistieke problemen waren verre van verdwenen, maar het leven met Marnix voelde weidser dan de hoogste bergtoppen om hen heen.
‘Dit leven bevalt me best,’ merkte Hannes op.
‘Ik ben het met je eens,’ antwoordde Marnix. ‘Maar het zou prettig zijn als die dwangbuizen aan je armen eindelijk verdwijnen. Ze zitten ook mij regelmatig in de weg.’
‘Nog één week geduld.’
Een week later stapte Hannes opnieuw te voet naar het ziekenhuis. Deze keer niet met tegenzin om een nieuwe gips te laten aanbrengen, maar met het aanlokkelijk vooruitzicht om eindelijk verlost te worden van het gips om zijn linkerarm.
Eerst werd er een controlefoto genomen.
De verpleegkundige van de dienst orthopedie zaagde het gips vakkundig open met het gekende slijpschijfje, dat voor Hannes subjectief een verrassend mooi geluid maakte. De arts kwam de arm controleren en toonde de mooi genezen breuk op het computerscherm.
‘Niet meteen een sprintje trekken, hé,' waarschuwde hij vriendelijk.
Hij voelde aan de stijve pols van Hannes.
‘De breuk is prachtig hersteld, maar de spieren en gewrichten moeten de komende weken weer loskomen. En wat de rechterkant betreft...’
Hij tikte even tegen het harde gips dat nog om Hannes’ andere arm zat.
‘Daar kijken we over veertien dagen opnieuw naar. Die breuk heeft nog wat tijd nodig.’
De arm die links tevoorschijn kwam, was een schim van de getrainde arm van vier weken geleden. De huid was bleek, licht schilferig en de spiermassa was onmiskenbaar afgenomen. Maar toen Hannes voorzichtig zijn vingers bewoog en zijn pols probeerde te draaien, voelde het alsof hij een heroverd koninkrijk inspecteerde.
Buiten de ziekenhuisdeuren, in de warme middagzon van het Engadin, kon hij zijn geluk nauwelijks op.
Hannes zwaaide met zijn linkerarm alsof hij een overwinningsvlag droeg, terwijl zijn rechterarm nog altijd als een dood gewicht in de vertrouwde hoek tegen zijn buik rustte.
Hannes toonde zijn linkerarm opgetogen bij Marnix' thuiskomst later op de middag.
‘Rustig aan, avonturier,’ lachte Marnix. ‘Je lijkt wel een krab met maar één functionerende schaar.’
‘Je hebt werkelijk geen idee hoe geweldig dit voelt,’ zei Hannes. Hij streek met zijn herwonnen linkerhand demonstratief door zijn haren en krabde vervolgens uitgebreid over zijn neus. ‘Alleen al het feit dat ik aan mijn eigen gezicht kan komen zonder te foeteren, is pure luxe.’