Pagina 1 van 1

Koffie met een rietje (deel 13)

Geplaatst: za 13 jun 2026, 18:48
door Amexic
Koffie met een rietje (deel 13)

Hannes probeerde zo weinig mogelijk tot last te zijn. Met de vingers van zijn linkerhand kon hij inmiddels kleine dingen: zijn gsm bedienen, met enig risico een glas vasthouden of iets uit een kast nemen. Toch zou hij nog een hele maand beperkt blijven door twee armen die voortdurend in de weg zaten. Een trui of een jas aantrekken lukte eenvoudigweg niet; die kreeg hij met geen mogelijkheid over het gips heen.
Gelukkig was het hoogzomer. Een veel te ruim T-shirt en een korte joggingbroek zonder knopen maakten hem functioneel genoeg om buiten te komen. Marnix had hem die ochtend geholpen met aankleden, iets wat routine begon te worden.
Hoewel hij zich licht schuldig voelde omdat hij niets omhanden had, trok Hannes er die middag toch op uit voor een wandeling. Buiten het beperkte gebruik van zijn armen ondervond hij nauwelijks nog hinder en het deed hem enorm deugd om buiten te zijn. Maar waar hij ook liep, zijn gedachten dwaalden uiteindelijk altijd weer af naar Marnix.
Hannes wandelde zonder haast door Samedan. Hij stak de Inn over en volgde het pad richting Lej da Gravatscha, terwijl in de verte af en toe een propeller vliegtuig opsteeg van de luchthaven.
Onderweg dacht hij opnieuw terug aan de ochtend. Niet alleen aan wat ze gedaan hadden, maar vooral aan hoe vanzelfsprekend alles tussen hen had gevoeld.
Eigenlijk hadden zijn gebroken armen hen gered.
Zonder die gipsen waren ze waarschijnlijk veel bewuster geweest van hun gebrek aan ervaring. Dan zou elke aarzeling zijn opgevallen, elke stilte waarin een van hen zich afvroeg of hij het wel goed deed.
Nu had de chaos van zijn armen alles opgeslokt.
Ze hadden vanaf de eerste seconde moeten improviseren.
Hoe draai je je om zonder te steunen?
Hoe kom je dichterbij wanneer twee gipsen voortdurend in de weg zitten?
Natuurlijk was het stuntelig geweest. Alles was ingewikkeld op deze manier. Ze waren automatisch beginnen lachen, verschuiven en opnieuw proberen, zonder schaamte of gêne.
Hannes trapte een steentje van het wandelpad terwijl hij verder langs het meer liep. Aan de oever van Lej da Gravatscha bleef hij staan kijken naar het water dat tussen de bomen glinsterde.
Achter het meer rezen de beboste bergen donker omhoog. Aan de andere kant van het dal scheerde een dalend toestel laag richting de landingsbaan.
Hannes dacht aan hoe het zou zijn zónder gipsen.
Het idee veroorzaakte onmiddellijk fantasieën in zijn hoofd.
Hij wilde Marnix kunnen vastgrijpen en hem echt voelen met zijn handen. Hij wilde eindelijk iets kunnen terugdoen zonder eerst te moeten berekenen hoe ver een arm kon draaien voor alles blokkeerde.
Geen harde kunststof meer tussen hun lichamen.
Met een glimlach wandelde hij verder langs het water.
Hoe snel had Marnix zich centraal in zijn gedachten genesteld.
Toen hij later opnieuw het appartement binnenstapte, viel de stilte hem op.
Alleen de afwas wachtte nog op Marnix. En Hannes deed hetzelfde.
Hij keek reikhalzend uit naar het geluid van een sleutel in het slot.
De zon was al onder toen hij die uiteindelijk hoorde omdraaien.
Hannes zat televisie te kijken en zette het geluid zachter toen de deur open ging.
‘Rustige dienst?’
Marnix zuchtte en leunde even tegen de deurpost.
‘Verdacht rustig. Ik vertrouw het voor geen meter wanneer een ziekenhuis zó kalm is.’
Zijn blik gleed naar de zetel, waar Hannes er comfortabel bij lag. Een los T-shirt, een sportbroekje en beide armen ondersteund door een stapel kussens.
‘En?’ vroeg Marnix. ‘Hoe was je expeditie?’
Hannes kwam wat rechter zitten.
‘Ik ben tot Lej da Gravatscha geraakt. Het water was ongelofelijk helder. Er landden af en toe vliegtuigjes op de luchthaven en ze trokken zweefvliegtuigen omhoog met een lier.’
‘Amai, zo ver gestapt. 'Een ware avonturier.’
Marnix liet zich naast hem in de zetel vallen. Hun benen raakten elkaar meteen.
Terwijl Hannes honderduit vertelde over een heel enthousiaste Duitse toerist die hem de weg had gewezen, bestudeerde Marnix zijn gezicht.
‘Hij is nog een eind met me mee gewandeld,' zei Hannes.
‘Aha.’
‘Aangename kerel. En knap. Hij wilde graag met me op stap gaan.’
Marnix keek hem alert aan.
‘Dat wilde hij niet.’
‘Je bent jaloers.’
‘Nee.’
‘Dat klonk niet overtuigend.’
Marnix zuchtte. ‘Ik heb een hekel aan jaloezie.’
‘Omdat?’
‘Omdat het meestal neerkomt op iemand willen bezitten. Dat wil ik niet.’
Hannes glimlachte.‘Een klein beetje jaloers zijn is anders best flatterend.’
‘Je neus is verbrand.’
Hannes begon te lachen. ‘Onderwerp veranderd. Dus ik had gelijk. Nee, ik heb niet met de Duitser afgesproken en ja, de bergen hebben mijn neus verbrand.’ antwoordde Hannes nonchalant. ‘Professionele atleten noemen zoiets hoogteadaptatie.’
Marnix trok een wenkbrauw op. 'Zonnebrand.' en verder: ‘Snoever. Professionele atleten kunnen meestal wel hun eigen broek aantrekken.’ Hannes gaf hem een lichte schop tegen zijn kuit.
‘Flauwe opmerking.’
‘Ik ben morgen vrij, trouwens,’ zei Marnix terloops.
‘Hoeveel dagen?’
‘Drie.’
Hannes keek hem meteen aan.
‘Drie hele dagen?’
‘Drie dagen van vierentwintig uur, ja. Rustig blijven. Niet meteen beginnen te hyperventileren.’
Marnix strekte zijn benen uit over de lengte van de zetel. Hannes schoof wat verder onderuit om de spanning uit zijn rug te halen waarbij zijn blote voeten achteloos op Marnix’ benen terechtkwamen.
Tenminste, zo leek het.
Terwijl ze verder praatten over allerlei onbenulligheden, gleed Hannes’ voet tergend langzaam langs Marnix’ kuit omhoog. Toen zijn tenen de binnenkant van Marnix’ dij bereikten, viel die midden in een zin stil.
‘Ik beschik momenteel over beperkte middelen,’ grijnsde Hannes. ‘dus ik moet experimenteren.’
‘Serieus?’
Hannes zakte nog wat dieper weg in de kussens en duwde zijn andere voet zacht tegen Marnix’ bovenbeen.
Toen zijn tenen daar doelbewust bleven, ademde Marnix hoorbaar uit door zijn neus. Hij bleef doodstil zitten, maar zijn hand sloot zich steviger rond de rugleuning.
‘Je bent levensgevaarlijk creatief voor iemand zonder functionerende armen,’ zei hij zacht.
‘Wacht maar tot versie 2.0 weer online is.’
‘Daar ben ik eerlijk gezegd een beetje bang voor.’
‘Leugenaar.’
‘Misschien een beetje.’
Hun benen bleven tegen elkaar rusten terwijl het gesprek vanzelf verderging.
Later die avond trokken ze zich allebei terug naar hun eigen bed.
Drie vrije dagen lagen nog voor hen.
Het vooruitzicht van wat nog zou komen, bleek voor vanavond meer dan genoeg.
De dagen daarna trokken ze er vaak samen op uit, omdat te lang binnen zitten hen begon te vervelen.
Tijdens een van die wandelingen volgden ze een pad langs de rivier. De avondzon hing laag boven het dal. Hannes probeerde met zijn linkerhand een platte steen over het water te keilen, maar de steen zonk onmiddellijk.
'Dat was teleurstellend.'
'Je techniek heeft geleden onder de weken gips.’ grinnikte Marnix.
Even wandelden ze zwijgend verder. De Inn kabbelde langs hen.
'Je praat eigenlijk weinig over jezelf, alsof jouw leven vanzelf goed verlopen is,’ zei Hannes plots.
Marnix keek een tijdje naar de rivier voordat hij antwoordde.
‘Dat is ook grotendeels zo en daar ben ik eigenlijk heel blij om.’ Hij zocht naar de juiste woorden.
‘Toen ik naar Zwitserland kwam, zocht ik avontuur en iets spannends in mijn leven. Niet iets concreets. Gewoon... een antwoord op een vraag die ik niet goed kon formuleren.’
Hannes zei niets en luisterde.
‘Als je jong bent, moet je volgens mij eerst je blik verruimen. Andere plaatsen zien. Andere mensen leren kennen. Ontdekken hoe groot de wereld eigenlijk is.’
Marnix gooide een steentje het water in.
‘Er is later tijd genoeg om ergens wortel te schieten. Ik wilde niet op mijn tweeëntwintigste al doen alsof ik wist hoe de rest van mijn leven eruit moest zien.’
Hij haalde zijn schouders op.
‘Dus ben ik vertrokken. Er was thuis niets mis, integendeel. Mijn ouders zijn fijne mensen en ik heb een goede jeugd gehad. Er was niets waar ik voor weg vluchtte. Ik had een goede job.’
Zijn glimlach werd iets breder.
‘Mijn grootste trauma was een herkansing op school omdat ik te weinig vertrouwen in mezelf had.’
‘Jij?’vroeg Hannes verbaasd.
Marnix schudde geamuseerd zijn hoofd.
‘Achteraf gezien stelde het niet veel voor, maar op die leeftijd lijkt alles nu eenmaal gigantisch.’
Hij pauzeerde.
‘Misschien is dat wel wat ik hier geleerd heb. Dat de meeste dingen minder erg zijn dan je vooraf denkt.’
De wind speelde met het hoge gras langs het wandelpad.
‘Ik dacht vroeger dat volwassen worden betekende dat je op een bepaald moment alle antwoorden had, ging Marnix verder. ‘Waar je ging wonen, wat voor werk je wilde doen en met wie je oud ging worden.’
Hij staarde peinzend voor zich uit.
‘Maar hoe langer ik leef, hoe minder ik dat geloof.’
Zijn stem bleef rustig.
‘Volgens mij gebeurt het anders. Je leeft gewoon verder. Je werkt en je leert mensen kennen. Dan kijk je op een dag achterom en besef je dat je al een tijdje bezig bent iets op te bouwen zonder dat je het zelf doorhad.’
Hannes luisterde aandachtig.
‘Vroeger dacht ik dat een goed leven spannend moest zijn,’ vervolgde Marnix. ‘Ondertussen denk ik dat het veel eenvoudiger is.’
Hij glimlachte zacht.
‘Dat je 's avonds de deur dichttrekt en het gevoel hebt dat je bent waar je hoort te zijn. Dat heet thuiskomen.’
Hij keek even naar het stromende water voordat hij zijn hoofd naar Hannes draaide.
‘Dat was eigenlijk het enige wat ik hier in Zwitserland nog hoopte te vinden. Al heb ik geleerd dat je sommige dingen niet vindt door er bewust naar te zoeken.’
Hij haalde zijn schouders op.
‘Ze gebeuren gewoon terwijl je met iets anders bezig bent. Het leven gaat zijn gang. Mooie dingen, tegenslagen... je kunt ze niet plannen.’
‘Carpe diem dus?’
Marnix schudde zijn hoofd.
‘Niet echt. Eerder het vertrouwen hebben dat niet alles gepland hoeft te worden.’
Hij glimlachte.
‘En als er zich iets waardevols aandient, moet je het durven vastpakken.’
Hannes keek naar zijn twee armen.
‘Met beide armen?’
Marnix liet een korte lach ontsnappen.
‘Bij voorkeur.’
‘Dat komt goed uit.’