Pagina 1 van 1

Koffie met een rietje. (deel 7)

Geplaatst: do 11 jun 2026, 11:27
door Amexic
Koffie met een rietje. (deel 7)

Ze werden allebei pas laat wakker.
‘Ben je wakker?’ hoorde Hannes zacht op dezelfde fluistertoon als in het ziekenhuis, maar subtiel anders. Minder professioneel. Meer vertrouwd.
Hannes opende zijn ogen. Zijn armen lagen nog steeds op de kussens zoals Marnix ze had achtergelaten.
‘Eerst ontbijten,’ vroeg hij, ‘of eerst douchen?’
‘Douchen?’
‘Het moment van de waarheid,’ zei Marnix.
Hij haalde twee plastic zakken uit de badkamerkast en begon zorgvuldig het gips rond Hannes’ armen in te pakken. Met brede stroken tape sloot hij alles af om lekken te voorkomen.
‘Waterdichte mode,’ mompelde Hannes.
‘Hopelijk waterdicht genoeg.’
Hannes stond in zijn korte pyjamabroek in de kleine badkamer terwijl Marnix probeerde te anticiperen hoe ze dit gingen aanpakken zonder ongelukken.
‘Oké,’ zei hij. ‘We doen dit stap voor stap.’
Hannes trok zijn short zelf uit en stapte voorzichtig de douchecabine binnen. Meteen botste zijn rechter gips tegen de glazen wand.
‘Dit is echt geen assistentiewoning,’ stelde Marnix vast.
‘Zo klein als voor een kluizenaar gebouwd.’
Marnix draaide de douchekraan open en testte eerst met zijn hand de temperatuur. Daarna stapte hij half mee in de cabine om de douchekop vast te houden. Binnen de minuut waren zijn pyjamabroek en één mouw doorweekt.
Toen hij achteruit probeerde te stappen, gleed zijn sok half weg over de natte bodem. Hij kon zich nog net aan de kraan vastgrijpen.
Hannes schoot in de lach.
‘Niet vallen. Dan hebben we straks twee patiënten. Waarom heb je sokken aan?’
Marnix keek omlaag alsof hij die sokken nu pas zelf opmerkte.
‘Uitstekende vraag.’
Hij deed ze één voor één uit terwijl hij balanceerde op de beperkte droge vloeroppervlakte die buiten de douche nog overbleef.
Het wassen zelf verliep onhandig. Hannes kon nauwelijks helpen; zijn armen hield hij omhoog alsof hij gearresteerd was. Marnix werkte rustig verder: schouders, rug, borstkas, gewone handelingen die lenigheid vroegen in een veel te kleine ruimte.
Water liep langs de randen van het plastic rond het gips. Regelmatig controleerde Marnix of het plastic nog goed aansloot en of het gips droog bleef.
Hannes stond afwisselend met zijn rug en zijn buik tegen de koele tegels terwijl Marnix hem waste. Hij waste ook zijn haren.
Ondanks de situatie voelde het vreemd ontspannen. Hannes’ naaktheid had niets persoonlijks. Hij was vooral iemand die geholpen moest worden bij de eenvoudigste dingen. Zo wilde Marnix het zien.
Na de douche merkte Marnix hoe nat hij zelf geworden was. Zijn pyjamabroek plakte tegen zijn benen.
‘Ik zie eruit alsof ik mee gewassen ben,’ stelde hij vast.
‘Efficiënt werken noemen ze dat.’
Ze manoeuvreerden uit de douchecabine. Marnix sloeg onmiddellijk een grote handdoek rond Hannes en begon hem droog te deppen.
Terwijl hij Hannes afdroogde, besefte Marnix hoe anders alles hier voelde. In het ziekenhuis was Hannes een patiënt geweest. Hier stond gewoon een tweeëntwintigjarige jongen in een veel te kleine badkamer met twee armen in het gips.
Hannes’ lichaam verried fysieke training: smalle heupen en lange pezige benen, geschikt voor een langdurig uithoudingsvermogen. Het lichaam van een wielrenner, dacht Marnix automatisch. Hannes’ lichaamstype was eerder voor de bergen gemaakt dan voor de massaspurt. De gipskokers aan zijn armen leken nauwelijks bij dat atletische lichaam te horen.
Het voelde aangenaam: de warmte van de handdoek en de rustige vanzelfsprekendheid waarmee Marnix zonder haast bezig bleef.
‘Draaien,’ zei Marnix.
Hannes gehoorzaamde automatisch terwijl Marnix zijn rug en schouders droogde. Daarna hurkte hij neer om ook zijn benen en achterste af te drogen.
Toen Hannes zich wat draaide zodat Marnix zijn rug kon afdrogen, verscheen op zijn rechterbil een vale blauwgroene plek die een aantal dagen oud was. Dit soort kneuzing was eerst donkerpaars geweest en trok langzaam weg in kleuren van groen tot geel.
Marnix depte er voorzichtig op met de handdoek.
‘Die botsing heeft toch meer geraakt dan alleen je armen. Je achterwerk is momenteel artistiek gekleurd.’
Hannes keek half over zijn schouder.
‘Die had ik nog niet gezien, enkel gevoeld.’
De naaktheid verdween deels in de conversatie. Niet letterlijk natuurlijk, maar in het hoofd. Toch bleef Marnix zich bewust van hoe jong Hannes eruit zag zonder kleren of zijn koppige zelfstandigheid maar voortdurend met droge humor. Gewoon een jongen die nu hulp nodig had bij afdrogen en aankleden.
Eenmaal terug in de slaapkamer hielp Marnix hem aan te kleden. Hij trok hem een onderbroek aan. In de kast vond hij propere sokken van Hannes en een loszittende short van zichzelf.
Het viel Marnix op hoe jong Hannes eruit zag in zijn eenvoudige witte onderbroek. De twee gipsen zorgden voor meer kleur.
‘Zal ik zo een foto van je nemen als herinnering?’
'Sommige dingen wil ik me herinneren en sommige absoluut niet.’
Het T-shirt van gisteren lag klaar. Eerst schoof Marnix voorzichtig de verbrede linkermouw over de arm van Hannes, daarna manoeuvreerde hij het grotere gat over de rechter gips.
‘Kijk,’ zei Marnix tevreden nadat Hannes zijn short aan had. ‘Bijna een normale mens. Nu nog scheren.’
Het viel Hannes op hoe zacht en zorgzaam Marnix was in de kleine dingen.
Marnix keek naar zijn eigen natte kleren en zuchtte.
‘Volgende keer begin ik zonder sokken.’
‘Dat lijkt me een sterk medisch inzicht,’ antwoordde Hannes kort op de bal.
Marnix was goed uitgeslapen en erg tevreden dat hij Hannes in huis had gehaald. Toch was er iets waarover hij zich serieus zorgen maakte.
Echte honger, een soort gretigheid waarbij je lichaam opnieuw belangstelling krijgt voor het leven.
Vanuit de woonkamer keek Hannes uit over de Berninavallei terwijl de geur van koffie het appartement vulde.
Hannes wilde iets nuttigs doen. De tafel dekken, eieren uit de koelkast halen en spek bakken. Een attente huisgenoot had dat ondertussen al gedaan.
Confronterend. Van Hannes mocht het gips onmiddellijk van zijn armen verdwijnen.
Marnix kwam uit de badkamer, nog half bezig zijn haar droog te wrijven met een handdoek.
‘Als ik ertoe in staat was geweest, had ik de eieren voor je gebakken,’ zei Hannes.
Hij keek intussen op van het fornuis.
‘Maar voorlopig ben ik jouw armen.’ zei hij luchtig.
Marnix bakte spek en eieren terwijl Hannes aan tafel zat als een licht gefrustreerde toeschouwer. Eerst liet hij hem halsstarrig proberen zelf te eten. Dat leverde een onhandige strijd met het vork op. Uiteindelijk zuchtte hij.
‘Oké. Geef toe dat dit niet lukt.’
‘Ik was dicht bij succes.’
‘Je hebt een kwart van je eieren op vijf minuten gegeten.’
Daarna voerde hij hem zonder verdere discussie omdat het de efficiëntste oplossing was.
Na het ontbijt zette Marnix de wasmachine aan. Bovenop stond een droogkast.
‘Ik ga even naar de supermarkt,’ zei hij. ‘Mijn Nederlandse fiets blijkt toch nog nuttig.’
‘Ik wacht hier braaf op redding.’
Toen hij weg was, dwaalde Hannes wat rond tussen woonkamer en raam, keek naar zijn armen in het gips en probeerde de gedachte te verdrukken hoe absurd afhankelijk hij nog een hele maand zou blijven.
Een klein uur later hoorde hij de voordeur weer open gaan.
Marnix kwam binnen met twee volle boodschappentassen.
‘Die nieuwe supermarkt hier is groot,’ zei hij terwijl hij alles begon uit te laden. ‘Ik vind er bijna alles wat ik thuis ook koop.’
Hannes volgde hem de keuken in.
‘Dat klinkt alsof je opgelucht bent.’
‘Na een paar maanden Zwitserland ben je blij dat pindakaas geen luxeproduct blijkt.’
Hij legde yoghurt, pasta, groenten en een grote verpakking ontbijtgranen op het aanrecht.
‘Binnenkort neem ik je wel eens mee.’
Hannes keek naar zijn armen.
‘Dat wordt moeilijk achterop de fiets.’
Daarna viel er een soort stilte van mensen die nog moeten ontdekken hoe ze samen tijd doorbrengen zonder ziekenhuis of praktische problemen als onderwerp.
Tegen de middag waren alle praktische problemen voorlopig opgelost. Voor het eerst moesten ze uitzoeken hoe ze gewoon samen tijd konden doorbrengen.
‘Zin in een spelletje?’
Marnix keek op.
‘Hoe bedoel je?’
‘Ik schaak graag.’
‘Jij lijkt eerder iemand die mountainbiket en impulsieve beslissingen neemt.’
‘Dat klopt ook.’
Marnix glimlachte en liep naar een kast.
‘Ik heb zelfs een schaakbord.’
Even later zette hij het zorgvuldig op tafel, zo gedraaid dat Hannes zijn ingegipste armen nog enigszins kwijt kon zonder pionnen omver te maaien.
‘Jij wit,’ besliste hij.
Het bleek verrassend leuk. Marnix verplaatste de stukken op Hannes aanwijzingen omdat hij ze meerdere keren per ongeluk omstootte. Ze bleken behoorlijk aan elkaar gewaagd.
‘Je denkt veel te lang na,’ klaagde hij halverwege.
‘Strategisch plannen.'
‘Twijfel.’
Uiteindelijk eindigde de partij op remise.
Marnix leunde achterover en keek naar het bord.
‘Dat was frustrerend.’
‘Dat betekent dat ik goed gespeeld heb.’
Hij knikte langzaam.
‘Nog eentje voor het eten?’
Hannes glimlachte.
‘Graag. Eentje met een winnaar.’
‘Eerst de was in de droogkast steken.’
De tweede partij verliep nog trager omdat ze steeds vaker vergaten verder te spelen. Eén van hen deed een zet, daarna volgde een gesprek. De concentratie in het spel ging telkens verloren.
Marnix stond recht om pasta te koken en dat maakte een einde aan het onvoltooide spel.
‘Ik kook automatisch voor twee personen,’ zei hij terwijl hij in de pot roerde.
‘Handig. Dan blijf ik.’
‘Dat was voorlopig toch al het plan.’
Tijdens het eten ging het gesprek niet meer over praktische dingen maar steeds meer over wie ze waren.
Marnix vertelde over Nederland. Over zijn opleiding verpleegkunde, over zijn eerste maanden in Zwitserland en hoe hij van de bergen hield.
‘Iedereen denkt dat dit avontuur spectaculair voelt,’ zei hij. ‘Meestal werk ik, doe ik gewoon boodschappen en probeer ik niet eenzaam te worden.’
Hannes knikte begrijpend.
‘Ik denk dat mensen het romantischer voorstellen dan het is.’
‘Absoluut.’
Later vertelde Hannes over thuis. Zijn ouders behandelden hem nog altijd half als kind, ondanks zijn gedwongen vroege zelfstandigheid door de winkel. Zelfs nu hij alleen woonde, bleef de relatie dezelfde. Over wielrennen met vrienden ging het verder. Over hoe hij nooit van plan was geweest een maand bij een verpleegkundige in Zwitserland te gaan wonen. ‘Dat stond oorspronkelijk niet op mijn verlanglijstje.’
‘En toch zit je hier.’
‘En toch zit ik hier.’
Ze lachten samen zo hard dat Hannes rechterarm protesteerde. Voor het eerst sinds zijn ongeval vergat hij tijdelijk dat hij twee armen in het gips had.