Koffie met een rietje (deel 2)
Geplaatst: di 09 jun 2026, 11:40
Koffie met een rietje (deel 2)
Marnix werkte nauwelijks een half jaar als verpleegkundige in Zwitserland, maar op zijn afdeling voelde hij zich al volledig thuis.
Meteen na zijn opleiding begon hij op de afdeling orthopedie in het ziekenhuis waar hij stage had gelopen. Tegen het einde van die stage hadden ze hem voorzichtig duidelijk gemaakt dat hij vooral niet te lang mocht wachten met solliciteren.
Verpleegkunde was nooit een toevallige keuze geweest. Van jongs af aan wist hij dat hij die richting uit wilde. Tenslotte droomde hij ervan spoedverpleegkundige te worden. Orthopedie was een goede plek om te beginnen.
Na een half jaar werken kreeg hij onverwacht een bericht van een oud-collega uit zijn stageperiode.
Die werkte intussen op een gelijkaardige afdeling in een Zwitsers ziekenhuis.
‘Ik wil terug naar Nederland,’ had hij geschreven. ‘Heb jij geen zin om mijn plaats over te nemen?’
Marnix had nauwelijks moeten nadenken.
Botbreuken door ski-ongevallen, werken in een ander land, betere talenkennis, een nieuw avontuur: het klonk te goed om te weigeren.
Zo was hij in februari in Zwitserland terechtgekomen.
Het ziekenhuis in Samedan beschikte over enkele appartementen voor buitenlandse verpleegkundigen. Hij had dat van zijn voorganger kunnen overnemen. De huur was stevig, maar ook zijn loon.
Hij kwam midden in het wintersportseizoen terecht.
De eerste maanden draaide de afdeling overuren. Skiërs kwamen binnen met knieletsels, gebroken polsen, schouders en enkels. Sommige patiënten zaten volledig vast in gips of konden nauwelijks bewegen na een operatie met platen en schroeven, anderen werden na evaluatie snel gerepatrieerd voor behandeling in eigen land.
Na zijn eerste maand had Marnix één besluit genomen: zelf zou hij nooit op ski’s gaan staan. Zijn collega’s probeerden hem te overtuigen: ‘ Je bent jong en je kan het altijd leren.’
‘Jullie zijn op ski’s geboren, dat is anders. Ik zie hier op het werk de gevolgen. Dat is voldoende voor mij.’ zei hij.
Hij leerde snel, niet alleen hoe je patiënten moest verplaatsen zonder extra pijn te veroorzaken, maar ook hoe afhankelijk mensen plots konden worden. Stoere mannen verontschuldigden zich omdat iemand hen moest wassen. Sommige mensen leden liever pijn dan om hulp te vragen.
Marnix probeerde zich in te leven in hoe anderen zich voelden en toonde zich meestal heel begripvol.
Hij hield de sfeer bewust licht. Een grapje werkte vaak beter dan medelijden.
Het internationale karakter van het ziekenhuis beviel hem. Dagelijks hoorde hij andere talen door elkaar spreken. Engels sprak hij vlot. Duits en Frans gingen behoorlijk. Alleen Italiaans bleef een ramp.
‘Gelukkig breken Italianen minder botten,’ grapte hij soms tegen collega’s. ‘En afhankelijk van het soort fractuur, zijn ze goed in gebarentaal.’
Op een verrassend korte tijd voelde Zwitserland vertrouwd aan.
Hij werkte hard, verdiende goed en had het naar zijn zin. Zijn contract liep een jaar en voorlopig zag hij geen reden om terug te keren.
Marnix werkte nauwelijks een half jaar als verpleegkundige in Zwitserland, maar op zijn afdeling voelde hij zich al volledig thuis.
Meteen na zijn opleiding begon hij op de afdeling orthopedie in het ziekenhuis waar hij stage had gelopen. Tegen het einde van die stage hadden ze hem voorzichtig duidelijk gemaakt dat hij vooral niet te lang mocht wachten met solliciteren.
Verpleegkunde was nooit een toevallige keuze geweest. Van jongs af aan wist hij dat hij die richting uit wilde. Tenslotte droomde hij ervan spoedverpleegkundige te worden. Orthopedie was een goede plek om te beginnen.
Na een half jaar werken kreeg hij onverwacht een bericht van een oud-collega uit zijn stageperiode.
Die werkte intussen op een gelijkaardige afdeling in een Zwitsers ziekenhuis.
‘Ik wil terug naar Nederland,’ had hij geschreven. ‘Heb jij geen zin om mijn plaats over te nemen?’
Marnix had nauwelijks moeten nadenken.
Botbreuken door ski-ongevallen, werken in een ander land, betere talenkennis, een nieuw avontuur: het klonk te goed om te weigeren.
Zo was hij in februari in Zwitserland terechtgekomen.
Het ziekenhuis in Samedan beschikte over enkele appartementen voor buitenlandse verpleegkundigen. Hij had dat van zijn voorganger kunnen overnemen. De huur was stevig, maar ook zijn loon.
Hij kwam midden in het wintersportseizoen terecht.
De eerste maanden draaide de afdeling overuren. Skiërs kwamen binnen met knieletsels, gebroken polsen, schouders en enkels. Sommige patiënten zaten volledig vast in gips of konden nauwelijks bewegen na een operatie met platen en schroeven, anderen werden na evaluatie snel gerepatrieerd voor behandeling in eigen land.
Na zijn eerste maand had Marnix één besluit genomen: zelf zou hij nooit op ski’s gaan staan. Zijn collega’s probeerden hem te overtuigen: ‘ Je bent jong en je kan het altijd leren.’
‘Jullie zijn op ski’s geboren, dat is anders. Ik zie hier op het werk de gevolgen. Dat is voldoende voor mij.’ zei hij.
Hij leerde snel, niet alleen hoe je patiënten moest verplaatsen zonder extra pijn te veroorzaken, maar ook hoe afhankelijk mensen plots konden worden. Stoere mannen verontschuldigden zich omdat iemand hen moest wassen. Sommige mensen leden liever pijn dan om hulp te vragen.
Marnix probeerde zich in te leven in hoe anderen zich voelden en toonde zich meestal heel begripvol.
Hij hield de sfeer bewust licht. Een grapje werkte vaak beter dan medelijden.
Het internationale karakter van het ziekenhuis beviel hem. Dagelijks hoorde hij andere talen door elkaar spreken. Engels sprak hij vlot. Duits en Frans gingen behoorlijk. Alleen Italiaans bleef een ramp.
‘Gelukkig breken Italianen minder botten,’ grapte hij soms tegen collega’s. ‘En afhankelijk van het soort fractuur, zijn ze goed in gebarentaal.’
Op een verrassend korte tijd voelde Zwitserland vertrouwd aan.
Hij werkte hard, verdiende goed en had het naar zijn zin. Zijn contract liep een jaar en voorlopig zag hij geen reden om terug te keren.