(On)Toegankelijk. Deel 10, SLOT.
Geplaatst: za 14 mar 2026, 07:37
We fietsen nog wat door Spakenburg en vervolgen onze weg richting Harderwijk, waar we door de pech later aankomen.
Het hotel heeft een aangepaste kamer; op hun website las ik:
‘Mindervalide kamers.
Kamer met douche en toilet, speciaal aangepast. Helaas niet geschikt voor elektrische rolstoelgebruikers.’
Ik struikel over het woord ‘mindervalide’. Dat ik in een rolstoel zit maakt me niet mindervalide, alleen anders. Bovendien ben ik hartstikke gezond. Ik vind 'mensen met een beperking' veel passender. Ik heb een beperking, net als ieder ander vast ook wel een beperking heeft.
Bij de receptie leg ik dit heel vriendelijk uit aan de medewerker. Hij begrijpt me.
“Wat zou er volgens jou kunnen staan?” vraagt hij.
“ ‘Kamers voor rolstoelgebruikers. Helaas niet groot genoeg voor een elektrische rolstoel.’ Dat is duidelijk en respectvol.” Hij knikt en belooft het door te geven.
Onze kamer is praktisch, vooral de badkamer. Evert kijkt me aan:
“Ik wil nooit ruzie met je krijgen. Je was net heel aardig. Hoe aardig ook zei je de dingen heel scherp. Je had helemaal gelijk.”
Ik glimlach: “Belangrijk is dat ik aardig bleef.”
Tijdens het eten komt de directeur van het hotel naar ons toe. Hij bedankt me voor mijn suggestie en beloofd dat de tekst op de website wordt aangepast. Als blijk van waardering krijgen we een consumptiebon en mogen we hem boos mailen als de tekst volgende week nog niet ‘aangepast’ is.
Evert grapt: “Zo kan je van je rolstoel een verdienmodel maken.”
Ik lach: “Laat maar zitten. Dit was zo wel genoeg.”
Op onze kamer belt Evert zijn ouders, ik daarna de mijne. We spreken af dat ze ons morgen rond drie uur ophalen in Kampen, op dezelfde plek waar ze ons gebracht hebben. Nu is het tijd om elkaar te verwennen en lekker in slaap te vallen, voldaan na weer een bijzondere dag.
We blijven als we wakker zijn geworden nog even liggen. “Het is alweer de laatste dag,” zeg ik zacht. “Wat was dit bijzonder. Misschien kunnen we er een traditie van maken: elke zomervakantie een aantal dagen fietsen door Nederland. Langs de kust, door het binnenland, zolang we met elkaar fietsen is er vast wel een mooie route.”
“Goed idee, Erwin. Ik heb genoten. Je leert elkaar veel beter kennen, zo’n aantal dagen op de fiets.”
Na het douchen gaan we naar het restaurant, waar opnieuw een buffet voor ons klaarstaat. Ook krijgen we weer een lunchpakket.
De jongen uit de keuken die het brengt grapt: “Volgens mij weten ze dat jullie flink wat op kunnen.” Evert kijkt in een pakket en lacht: “Je hebt gelijk, het ziet er goed uit. Die lunchpakketten zijn echt top.”
“Dat is bewust,” reageert de jongen, “anders nemen mensen van alles mee bij het ontbijt. Zo wordt dat voorkomen, al zie ik toch mensen stiekem iets meenemen. Maar we hoeven er niets van te zeggen, gelukkig.”
Tijdens het fietsen zegt Evert met een vleugje heimwee: “Dit is voorlopig ons laatste nachtje samen.”
“Dacht je dat?”
“Niet dan? Ik bedoel dat slapen lastig wordt. Jij kan nooit bij mij thuis blijven slapen.”
“Dat klopt.”
“Dus we kunnen niet om en om bij elkaar slapen.”
“Dat is waar, maar betekent dat echt dat we minder vaak samen kunnen slapen?”
“Ik vind het onprettig dat ons huis zo ontoegankelijk is voor jou. Vooral als dat gevolgen heeft.”
“Die gevolgen zie ik niet zo. Tenzij jij of je ouders vinden dat samen slapen minder vaak kan omdat jij alleen bij mij kan slapen.”
“Dat verwacht ik niet. Het blijft lastig. Ons huis is altijd zo geweest. Ik ben er geboren. Keuze is er niet meer.”
“Ik zie jullie niet snel vanwege mij verhuizen.”
“Toch blijft het stom.”
“Evert, laten we ergens stoppen. Kan ik je laten zien hoeveel ik van je houd. Dat alles wat je nu zegt voor mij helemaal niet belangrijk is.”
Evert kijkt mij verbaasd aan.
“Wil je echt stoppen?”
“Ja, jij ziet een probleem, ik zie een uitdaging.”
“Dat ben jij, Erwin. Altijd positief.”
“Daar ben ik trots op.”
“Je hebt gelijk. Laten we stoppen. Ik wil je zoenen.”
We zoeken een bankje. Als we zitten trek ik Evert naar me toe en zoen hem voorzichtig, oplettend op voorbijgangers. Toch voelt het goed, even samen.
“Evert, ik houd van jou. Ik wil je nooit kwijt. Ik zal alles doen om samen te zijn, ook samen slapen. We moeten er met onze ouders over praten. Het is mijn probleem, niet dat van jou. Maak je geen zorgen, lieve Evert, we komen er wel uit.”
We spreken af het snel bespreekbaar te maken. Bij aankomst zal ik meteen vragen of we vannacht nog bij mij kunnen slapen.
De zon schijnt vandaag volop. We hebben geluk gehad, de hele tocht geen druppel regen. Met gebruinde huid fietsen we verder. We hebben het erover gehad onze shirts uit te doen, maar doen het toch niet. Niet uit schaamte, maar om niemand te provoceren.
Elburg is een charmant havenplaatsje waar vissers vroeger hun thuis hadden. We blijven er tot het eten, nestelen ons bij een picknicktafel en kijken samen op ‘WaarBenJij.nu’. Wij zijn blij dat tientallen mensen onze reis gevolgd hebben, familie, klasgenoten, bekenden. Soms hebben zij gereageerd.
Na de lunch fietsen we door. We nemen de tijd om Kampen te verkennen, een stad met geschiedenis. De gezellige kade, de hefbrug met gouden wielen, die schitteren in de zon.
Als het bijna tijd is dat onze ouders komen, steken we de brug over en wachten op ons vertrekpunt.
Precies op tijd arriveren de bekende auto’s, moeders en vaders gemixt. Het weerzien is hartelijk; voor mijn ouders was dit de eerste keer dat ik langer van huis was.
Onze ouders hebben afgesproken: eerst alle twee naar huis, uitpakken. Later met zijn allen barbecueën bij Evert. Zijn moeder lacht: “We begrijpen het als je daarna met Erwin mee gaat om daar te slapen!” Evert knipoogt, ik knipoog terug.
Thuis pak ik mijn rolstoelkoffer uit met vooral veel vuile was. Ik neem een douche en zoek daarna mijn ouders op in de tuin.
“Dit was een schitterende ervaring. Veel mensen ontmoet. Zoveel mensen hebben ons gevolgd. Dat doet me goed.”
“Wij zijn blij dat het zo goed is gegaan. En als er iets mis ging, wisten jullie je te redden.”
Met mijn ouders rijd ik naar Evert. Hij staat al buiten te wachten. Zijn vader heeft toen wij weg waren de oprit stroef geverfd zodat ik makkelijker omhoog kan rollen. Dat kleine gebaar betekent veel: het laat zien hoe er met ons mee wordt gedacht.
In de tuin zijn ook Everts broer en zus. We willen het onderwerp ‘samen slapen’ voorzichtig aankaarten. Het is Marije die het aanroert.
“Hoe gaan jullie dat doen met samen slapen?”
“Hoe bedoel je dat?” vraag ik voorzichtig.
Marije lacht: “Kom op, dat wil iedereen van jullie leeftijd. Evert kan jou niet de trap op dragen!” Ze knipoogt naar Evert.
Evert reageert: “Samen slapen kan eigenlijk alleen bij Erwin thuis.”
“Tenzij wij creatief zijn,” reageert Everts vader. We kijken hem verrast aan.
“Hoe bedoel je dat, pap?”
Everts vader legt uit dat ze het huis nooit hebben gekocht met het idee dat het vriendje in een rolstoel van hun jongste nog ongeboren zoon er zou moeten kunnen blijven slapen.
Iedereen schiet in de lach. Hij vertelt verder dat ze een oplossing hebben. Er is op de begane grond een kamertje waar een opklapbed past. “Dan kun je ’s avonds gezellig bij ons zijn, hier wakker worden en ontbijten. Douchen moet dan later thuis.”
Evert en ik kijken elkaar verbaasd aan, geraakt door het meedenken van zijn ouders.
“Ik weet niet wat ik moet zeggen,” stamel ik.
Everts moeder grapt: “Kan je van tijd tot tijd zonder douchen?”
“Als ik moet kiezen tussen slapen met Evert of douchen, weet ik het wel,” antwoord ik.
“Dan kies je voor hier slapen met mij en bij jou thuis douchen met mij,” vult Evert aan.
Iedereen lacht – de lastige kwestie was nauwelijks een probleem.
Ik voel me gezien en gewaardeerd.
“Wat moet ik zeggen! Dit is fantastisch.”
Everts moeder grapt: “Dus wij krijgen een ongewassen Erwin aan de ontbijttafel?”
“Wat mij betreft wel!”
Evert zegt zacht: “Problemen zijn er om op te lossen. Erwins lijfspreuk. Dank jullie wel voor jullie begrip en meedenken.”
Opgelucht kunnen we van de barbecue genieten.
Later die avond, samen in bed, kijken Evert en ik elkaar aan. “Wie had dit ooit verwacht?”
“Ik niet, ik was gewoon sprakeloos,” zegt Evert.
Het is even stil. Ik denk terug aan het moment dat Evert mij vroeg om af te spreken; wat er sindsdien allemaal is veranderd. Nu maken we deel uit van elkaars leven, zijn we samen op vakantie geweest, kunnen we binnenkort ook bij Evert samen slapen. Dat hij mijn rolstoel en mijn benen ziet als iets van mij, iets dat bij me hoort, maakt alles zoveel makkelijker. Wat ik ooit spannend vond, is door Everts openheid en acceptatie helemaal goed gekomen.
“Dank je wel.”
Evert glimlacht: “Jij hebt mij ook veel geleerd. Jou accepteren was een kort proces. Omdat jij bent zoals je bent, wilde ik dat beslist. Houden van en accepteren: het hoort bij elkaar. Dank je wel, lieve Erwin.”
“Ik heb te maken met toegankelijkheid en ontoegankelijkheid. Bij jou trof ik alleen toegankelijkheid. Dank je wel, lieve Evert!”
Het hotel heeft een aangepaste kamer; op hun website las ik:
‘Mindervalide kamers.
Kamer met douche en toilet, speciaal aangepast. Helaas niet geschikt voor elektrische rolstoelgebruikers.’
Ik struikel over het woord ‘mindervalide’. Dat ik in een rolstoel zit maakt me niet mindervalide, alleen anders. Bovendien ben ik hartstikke gezond. Ik vind 'mensen met een beperking' veel passender. Ik heb een beperking, net als ieder ander vast ook wel een beperking heeft.
Bij de receptie leg ik dit heel vriendelijk uit aan de medewerker. Hij begrijpt me.
“Wat zou er volgens jou kunnen staan?” vraagt hij.
“ ‘Kamers voor rolstoelgebruikers. Helaas niet groot genoeg voor een elektrische rolstoel.’ Dat is duidelijk en respectvol.” Hij knikt en belooft het door te geven.
Onze kamer is praktisch, vooral de badkamer. Evert kijkt me aan:
“Ik wil nooit ruzie met je krijgen. Je was net heel aardig. Hoe aardig ook zei je de dingen heel scherp. Je had helemaal gelijk.”
Ik glimlach: “Belangrijk is dat ik aardig bleef.”
Tijdens het eten komt de directeur van het hotel naar ons toe. Hij bedankt me voor mijn suggestie en beloofd dat de tekst op de website wordt aangepast. Als blijk van waardering krijgen we een consumptiebon en mogen we hem boos mailen als de tekst volgende week nog niet ‘aangepast’ is.
Evert grapt: “Zo kan je van je rolstoel een verdienmodel maken.”
Ik lach: “Laat maar zitten. Dit was zo wel genoeg.”
Op onze kamer belt Evert zijn ouders, ik daarna de mijne. We spreken af dat ze ons morgen rond drie uur ophalen in Kampen, op dezelfde plek waar ze ons gebracht hebben. Nu is het tijd om elkaar te verwennen en lekker in slaap te vallen, voldaan na weer een bijzondere dag.
We blijven als we wakker zijn geworden nog even liggen. “Het is alweer de laatste dag,” zeg ik zacht. “Wat was dit bijzonder. Misschien kunnen we er een traditie van maken: elke zomervakantie een aantal dagen fietsen door Nederland. Langs de kust, door het binnenland, zolang we met elkaar fietsen is er vast wel een mooie route.”
“Goed idee, Erwin. Ik heb genoten. Je leert elkaar veel beter kennen, zo’n aantal dagen op de fiets.”
Na het douchen gaan we naar het restaurant, waar opnieuw een buffet voor ons klaarstaat. Ook krijgen we weer een lunchpakket.
De jongen uit de keuken die het brengt grapt: “Volgens mij weten ze dat jullie flink wat op kunnen.” Evert kijkt in een pakket en lacht: “Je hebt gelijk, het ziet er goed uit. Die lunchpakketten zijn echt top.”
“Dat is bewust,” reageert de jongen, “anders nemen mensen van alles mee bij het ontbijt. Zo wordt dat voorkomen, al zie ik toch mensen stiekem iets meenemen. Maar we hoeven er niets van te zeggen, gelukkig.”
Tijdens het fietsen zegt Evert met een vleugje heimwee: “Dit is voorlopig ons laatste nachtje samen.”
“Dacht je dat?”
“Niet dan? Ik bedoel dat slapen lastig wordt. Jij kan nooit bij mij thuis blijven slapen.”
“Dat klopt.”
“Dus we kunnen niet om en om bij elkaar slapen.”
“Dat is waar, maar betekent dat echt dat we minder vaak samen kunnen slapen?”
“Ik vind het onprettig dat ons huis zo ontoegankelijk is voor jou. Vooral als dat gevolgen heeft.”
“Die gevolgen zie ik niet zo. Tenzij jij of je ouders vinden dat samen slapen minder vaak kan omdat jij alleen bij mij kan slapen.”
“Dat verwacht ik niet. Het blijft lastig. Ons huis is altijd zo geweest. Ik ben er geboren. Keuze is er niet meer.”
“Ik zie jullie niet snel vanwege mij verhuizen.”
“Toch blijft het stom.”
“Evert, laten we ergens stoppen. Kan ik je laten zien hoeveel ik van je houd. Dat alles wat je nu zegt voor mij helemaal niet belangrijk is.”
Evert kijkt mij verbaasd aan.
“Wil je echt stoppen?”
“Ja, jij ziet een probleem, ik zie een uitdaging.”
“Dat ben jij, Erwin. Altijd positief.”
“Daar ben ik trots op.”
“Je hebt gelijk. Laten we stoppen. Ik wil je zoenen.”
We zoeken een bankje. Als we zitten trek ik Evert naar me toe en zoen hem voorzichtig, oplettend op voorbijgangers. Toch voelt het goed, even samen.
“Evert, ik houd van jou. Ik wil je nooit kwijt. Ik zal alles doen om samen te zijn, ook samen slapen. We moeten er met onze ouders over praten. Het is mijn probleem, niet dat van jou. Maak je geen zorgen, lieve Evert, we komen er wel uit.”
We spreken af het snel bespreekbaar te maken. Bij aankomst zal ik meteen vragen of we vannacht nog bij mij kunnen slapen.
De zon schijnt vandaag volop. We hebben geluk gehad, de hele tocht geen druppel regen. Met gebruinde huid fietsen we verder. We hebben het erover gehad onze shirts uit te doen, maar doen het toch niet. Niet uit schaamte, maar om niemand te provoceren.
Elburg is een charmant havenplaatsje waar vissers vroeger hun thuis hadden. We blijven er tot het eten, nestelen ons bij een picknicktafel en kijken samen op ‘WaarBenJij.nu’. Wij zijn blij dat tientallen mensen onze reis gevolgd hebben, familie, klasgenoten, bekenden. Soms hebben zij gereageerd.
Na de lunch fietsen we door. We nemen de tijd om Kampen te verkennen, een stad met geschiedenis. De gezellige kade, de hefbrug met gouden wielen, die schitteren in de zon.
Als het bijna tijd is dat onze ouders komen, steken we de brug over en wachten op ons vertrekpunt.
Precies op tijd arriveren de bekende auto’s, moeders en vaders gemixt. Het weerzien is hartelijk; voor mijn ouders was dit de eerste keer dat ik langer van huis was.
Onze ouders hebben afgesproken: eerst alle twee naar huis, uitpakken. Later met zijn allen barbecueën bij Evert. Zijn moeder lacht: “We begrijpen het als je daarna met Erwin mee gaat om daar te slapen!” Evert knipoogt, ik knipoog terug.
Thuis pak ik mijn rolstoelkoffer uit met vooral veel vuile was. Ik neem een douche en zoek daarna mijn ouders op in de tuin.
“Dit was een schitterende ervaring. Veel mensen ontmoet. Zoveel mensen hebben ons gevolgd. Dat doet me goed.”
“Wij zijn blij dat het zo goed is gegaan. En als er iets mis ging, wisten jullie je te redden.”
Met mijn ouders rijd ik naar Evert. Hij staat al buiten te wachten. Zijn vader heeft toen wij weg waren de oprit stroef geverfd zodat ik makkelijker omhoog kan rollen. Dat kleine gebaar betekent veel: het laat zien hoe er met ons mee wordt gedacht.
In de tuin zijn ook Everts broer en zus. We willen het onderwerp ‘samen slapen’ voorzichtig aankaarten. Het is Marije die het aanroert.
“Hoe gaan jullie dat doen met samen slapen?”
“Hoe bedoel je dat?” vraag ik voorzichtig.
Marije lacht: “Kom op, dat wil iedereen van jullie leeftijd. Evert kan jou niet de trap op dragen!” Ze knipoogt naar Evert.
Evert reageert: “Samen slapen kan eigenlijk alleen bij Erwin thuis.”
“Tenzij wij creatief zijn,” reageert Everts vader. We kijken hem verrast aan.
“Hoe bedoel je dat, pap?”
Everts vader legt uit dat ze het huis nooit hebben gekocht met het idee dat het vriendje in een rolstoel van hun jongste nog ongeboren zoon er zou moeten kunnen blijven slapen.
Iedereen schiet in de lach. Hij vertelt verder dat ze een oplossing hebben. Er is op de begane grond een kamertje waar een opklapbed past. “Dan kun je ’s avonds gezellig bij ons zijn, hier wakker worden en ontbijten. Douchen moet dan later thuis.”
Evert en ik kijken elkaar verbaasd aan, geraakt door het meedenken van zijn ouders.
“Ik weet niet wat ik moet zeggen,” stamel ik.
Everts moeder grapt: “Kan je van tijd tot tijd zonder douchen?”
“Als ik moet kiezen tussen slapen met Evert of douchen, weet ik het wel,” antwoord ik.
“Dan kies je voor hier slapen met mij en bij jou thuis douchen met mij,” vult Evert aan.
Iedereen lacht – de lastige kwestie was nauwelijks een probleem.
Ik voel me gezien en gewaardeerd.
“Wat moet ik zeggen! Dit is fantastisch.”
Everts moeder grapt: “Dus wij krijgen een ongewassen Erwin aan de ontbijttafel?”
“Wat mij betreft wel!”
Evert zegt zacht: “Problemen zijn er om op te lossen. Erwins lijfspreuk. Dank jullie wel voor jullie begrip en meedenken.”
Opgelucht kunnen we van de barbecue genieten.
Later die avond, samen in bed, kijken Evert en ik elkaar aan. “Wie had dit ooit verwacht?”
“Ik niet, ik was gewoon sprakeloos,” zegt Evert.
Het is even stil. Ik denk terug aan het moment dat Evert mij vroeg om af te spreken; wat er sindsdien allemaal is veranderd. Nu maken we deel uit van elkaars leven, zijn we samen op vakantie geweest, kunnen we binnenkort ook bij Evert samen slapen. Dat hij mijn rolstoel en mijn benen ziet als iets van mij, iets dat bij me hoort, maakt alles zoveel makkelijker. Wat ik ooit spannend vond, is door Everts openheid en acceptatie helemaal goed gekomen.
“Dank je wel.”
Evert glimlacht: “Jij hebt mij ook veel geleerd. Jou accepteren was een kort proces. Omdat jij bent zoals je bent, wilde ik dat beslist. Houden van en accepteren: het hoort bij elkaar. Dank je wel, lieve Erwin.”
“Ik heb te maken met toegankelijkheid en ontoegankelijkheid. Bij jou trof ik alleen toegankelijkheid. Dank je wel, lieve Evert!”