Pagina 1 van 1

(On)Toegankelijk. Deel 9.

Geplaatst: do 12 mar 2026, 07:10
door Wimmie
We worden vroeg wakker. Het voelt fijn om weer samen op te staan en samen te douchen.We genieten van elkaar en laten elkaar genieten.
Vandaag fietsen we van Volendam naar Huizen.

“Jij hebt deze route al eens met je vader gefietst. Voelt het als dezelfde route?” vraag ik aan Evert.
“Eigenlijk weet ik dat niet, misschien omdat we nu andersom gaan, of omdat wij nu samen zijn. Het voelt als een nieuwe reis. Alsof ik hier voor het eerst ben.”
“Toen sliepen jullie in een tent, dat was vast heel anders.”
“Ja, elke middag de tent opzetten, elke ochtend weer afbreken. Ook het douche-gebruik op de camping in een toiletgebouw is toch anders dan een hotel.”
Ik glimlach. “Alleen al daarom ben ik blij dat wij hotels hebben. Over een camping lopen met een douchestoel in de regen lijkt me niet echt leuk.”

Als ik naar Evert, die naast mij fietst, kijk krijg ik het helemaal warm. Ik suggereer: “Zullen we even stoppen?”
“Waarom?”
“Om jou te laten voelen hoeveel ik om je geef.”
We zoeken een rustige plek op, zoenen gepassioneerd en kijken elkaar glimlachend aan.
“Vanavond meer, niet iedereen stelt dit op prijs in het openbaar,” fluister ik.
Evert zucht. “Het is krom. Twee jongens worden scheef aangekeken, terwijl het bij anderen normaal lijkt. Waarom mag het wel met een meisje, of zelfs tussen twee meisjes?”
“Mensen zijn soms erg onverdraagzaam, vastgeroest in verouderde normen over wat hoort.”
We zoenen nog een keer en fietsen verder.

Op een terras in Muiden komt een oudere dame naar ons toe.
“Mag ik jullie wat vragen?”
“Natuurlijk,” zegt Evert vriendelijk.
Ze kijkt naar mij. “Ik zag jou in die rolstoel met iets ervoor rijden. Wat is dat precies?”
“Dat is mijn handbike. Daarmee wordt mijn rolstoel een soort fiets. Zo kan ik sneller en verder komen. Mag ik u ook iets vragen?”
“Tuurlijk.”
“Bent u gewoon nieuwsgierig?”
“Ja en nee. Ik werk als vrijwilliger in een opvangcentrum voor asielzoekers. Daar zit een jongetje van twaalf in een rolstoel, barstensvol energie. Toen ik jou zag, dacht ik: misschien is dit iets voor hem.”
“Er zijn handbikes speciaal voor kinderen.” reageer ik.
Ze vraagt hoe snel ik ermee kan rijden.
“We fietsen voor ons plezier, zo’n twintig kilometer per uur. Het wereldrecord ligt boven de zeventig kilometer.”
Ze bedankt ons en vraagt of ze een filmpje mag maken voor het AZC. “Natuurlijk” reageer ik en vertel over ons verslag op ‘WaarBenJij.nu’, waar ze ons kan volgen.
Ze filmt mijn transfer, aankoppelen en het wegrijden.

“Word je vaak aangesproken over je handbike?” vraagt Evert.
“Nee, dit is nieuw voor mij. Thuis fietste ik vaak. Ik ging niet in mijn uppie op een terras zitten. Dat is misschien het verschil.”
“Dus als we thuis op een terras gaan zitten, kan het ook gebeuren?”
“Geen idee. Maar ik vind het leuk, misschien help je zo onverwacht iemand.”

We fietsen verder en komen aan in Huizen. Het hotel heeft een lift. Om daar te komen moeten we eerst twee opstappen nemen. Het lukt me prima, tot verbazing van de receptioniste.
“Wie bedenkt het: een lift achter 2 opstappen. Dat is zelfs voor mensen met een rollator niet zo simpel.”
“Vreemd dat ze bij het reserveren niets vertelden over de opstapjes, terwijl ik daar toch naar vroeg.”
“Dat hangt af van wie je spreekt, of die echt goed luistert.”

“Nog twee dagen, Erwin.”
“Ja, daarna slapen we niet meer elke nacht samen. Ik moet er niet aan denken.”
“Eerst gaan we ook nog met onze ouders op vakantie. Gelukkig tegelijk. Dan zien we elkaar drie weken niet.”
“Daar zie ik echt tegenop. Het was altijd fijn: op vakantie gaan; nu voelt het niet zo.”
“Het kan niet anders.”
“Nu zijn we nog samen. Laten we genieten van deze tijd.”

De volgende dag een ontspannen tocht naar Harderwijk. Spakenburg is het enige stadje dat we onderweg tegenkomen.

Het is grijs als we wakker worden. “Buienradar zegt dat het droog blijft.” Ik glimlach: “Mooi zo!”

We halen herinneringen op aan regenachtige fietstochten naar school.
“Ga je thuis droog weg, begint het vlak voor je bij school bent te plenzen. Eerste uren met een zijknatte broek in de les…”

Onderweg is er een onverwacht probleem: mijn voorband klapt. Dat is de band van mijn handbike, zeg maar het achterwiel van een fiets. Ik koppel af en we proberen de band in de handbike te plakken. Dat lukt niet: het gat is te groot. Bovendien zit er ook een scheurtje in de buitenband. Een binnenband hebben we bij ons, geen buitenband.

Wat ben ik blij dat ik een abonnement pechhulp fiets van de Wegenwacht heb. Nu kunnen we de Wegenwacht laten helpen. Ik heb de Wegenwachtapp op de telefoon waar ik zo nauwkeurig mogelijk het probleem omschrijf. Ook dat er eigenlijk een nieuwe buitenband nodig is. Ik krijg bijna direct reactie dat gezien het feit dat het om een handbike gaat er gekeken zal worden welke deskundige wegenwacht in de buurt het eerst beschikbaar is.

We wachten geduldig, Evert is op de douchestoel gaan zitten. Is wat gezelliger: zitten we op gelijke hoogte. Na 45 minuten stopt de wegenwachtauto naast ons.
Als de monteur uitstapt en ons ziet zitten begint hij heel hard te lachen. “Jullie weten van pech iets gezelligs te maken. Zo heb ik nog nooit klanten met een lekke band aan een handbike aangetroffen.”
“Hebt u dan vaker handbikers onder uw klanten?” vraag ik.
“Ik ben de handbike-specialist. Dat komt omdat mijn zoon ook een handbike heeft.”
“Dan boffen wij dat we u treffen.”
“Zal ik eerst eens kijken voordat we het over boffen hebben?”
Er wordt nauwkeurig gekeken naar de binnen- en buitenband.
“Goed dat jullie niet zelf zijn gaan sleutelen. Je had het nooit meer goed gekregen.”
“Is het dan zo moeilijk?”
“Niet als je het al een keer eerder hebt gedaan met het goede gereedschap. Kijk maar goed wat ik ga doen.”
Ik ga er in mijn rolstoel met mijn neus bovenop zitten. Evert maakt wat foto’s.
In een kwartiertje is alles gefikst. Nieuwe binnenband erin, die hadden we bij ons. Achter het scheurtje in de buitenband is een stukje stevig dun canvas geplakt.
“Nu begrijp ik wat u bedoelde. We hebben die sleutel om de moeren los te draaien niet bij ons.”
“Klopt, ik zet op een briefje welke maat het is, kan je het de volgende keer met je vriend zelf doen.”
“Fijn.”
“Zijn jullie trouwens vrienden of vrienden?” vraagt hij olijk.
“Wij hebben een relatie en willen elkaar niet kwijt.”
“Dan is er hoop voor mijn zoon. Hij is 13. Wij maken ons best wel zorgen over zijn toekomst.”
“Naar wat voor school gaat hij?”
“Hij zat in de brugklas en gaat na de vakantie naar het atheneum.”
“En hij heeft een handbike?”
“Zeker, hij fietst als het maar even kan in de omgeving.”
“Dan moet u hem gewoon vooral aanmoedigen. Komt het denk ik wel goed.”
“Mag hij contact met jou opnemen, als hij wil?”
Natuurlijk, geen probleem, u gaf mij de sleutelmaat, ik geef u mijn telefoonnummer, kunnen we Whatsappen.”
“Dank je wel.”
We nemen afscheid na het nemen van nog een paar foto’s, ook met zijn telefoon.

“Wat boffen we weer. En goed geholpen en weer een leuk contact.”