Pagina 1 van 1

De andere kant van de maan. (deel 16) SLOT

Geplaatst: wo 21 jan 2026, 01:00
door Amexic
De andere kant van de maan. (deel 16)

Margot solliciteert nog niet. Ze werkt twee maanden in het hondenopleidingscentrum bij papa. Het werk is eenvoudig: voeden, hondenhokken poetsen, de honden uitlaten. Ze lacht meer. Papa zegt dat ze talent heeft. Margot wuift het weg. Papa heeft gelijk want ik weet dat ze heel goed met onze hond Stark overweg kan.
‘Wat dacht je van opnieuw druiven plukken bij Marcel en Gretl?’
Margot straalt. ‘Zou jij dat willen?’
‘Als ze ons nog willen?’
‘Natuurlijk zullen we welkom zijn.'
Juli en augustus glijden voorbij. Ik werk door. Mijn verlof leg ik vast in september.
We reizen met de trein naar Kaysersberg. Het voelt vreemd, maar vertrouwd. Gretl heeft geregeld dat we opnieuw op dezelfde kamer slapen alsof ze ons voorrang heeft gegeven. We schuiven de bedden tegen elkaar. Ik kies vanzelfsprekend het linkse bed. We maken onze rugzakken leeg in de kast. Ze zijn minder zwaar dan vorig jaar.
‘Ik ga even langs bij Gretl.’ Ze blijft lang weg. Dan stormt ze onze kamer binnen. Ze steekt haar rechterhand uit. ‘Margot.’ zegt ze. Ik druk haar de hand. ‘Freya. Ken ik jou van ergens?’ lach ik.
‘s Avonds kruipt ze tegen me aan. Er ligt niets meer tussen ons in. Morgen werken we weer.
Het werk is hard. Ik ontwikkel opnieuw blaren. Desondanks voelt als vakantie. Voor Margot zeker. Voor mij ook, zeker weten. ‘s Avonds zijn we moe op een goede manier. Onze lichamen moeten een paar dagen wennen.
Op zondag wil Margot naar haar berg.
‘Ik wil nog eens,’ zegt ze.
Margot regelt een rugzak. Gretl stopt er weer een picknick in en een fles wijn. Ze kijkt ons even aan, langer dan nodig. Ze knijpt Margot in de arm.
‘Het is de laatste keer dat ik een picknick maak,’ zegt ze alleen.
We vertrekken vroeg. De lucht is helder. Margot loopt voorop, zeker van haar stappen. Ze kent elke bocht, elke open plek. Ik volg haar tempo. Mijn vrees reist met me mee, maar blijft op afstand. We praten over niets belangrijks: het werk, de druiven of over onze stramme spieren. Wanneer we boven komen, is het uitzicht hetzelfde.
We eten en drinken een glas wijn op de top. De zon staat hoog genoeg om warm te zijn zonder te branden.
‘De berg is veranderd,’ zegt Margot.
‘Of jij,’ zeg ik. ‘Mogelijk is het niet de berg.’
Ze glimlacht. ‘Misschien,’ zegt ze. ‘Ik vind dat het hier mooier is geworden.'
We nemen ruim de tijd voor de afdaling. Mijn vrees is voorbarig geweest.
In bed die avond fluistert ze. ‘ Vandaag heb ik afscheid genomen van mijn berg. Mijn toekomst ligt bij jou.’

Tijdens het plukken leert Margot me Franse kinderliedjes en plaatselijke liederen. Haar stem schalt over de wijngaard. Links en rechts wordt meegezongen. Ze zingt echt. Ik hoor het aan de ondertoon in haar stem… en ik zing mee.

(L’infinito, Giacomo Leopardi)
Altijd dierbaar was mij deze eenzame heuvel
en deze heg, die aan zo’n groot gedeelte
van de uiterste horizon de blik onttrekt.
Maar zittend en starend, verzink ik in gedachten
achter die haag grenzeloze ruimten,
bovenaardse stilten en een diepe,
onpeilbare rust; waarin mijn hart
bijna verstijft van angst. En zodra ik de wind
hoor ruisen door deze planten, vergelijk ik
die oneindige stilte met dit stemgeluid:
en de eeuwigheid komt mij voor de geest,
en de dode seizoenen, en het huidige dat nog leeft,
en de klank ervan. Zo verdrinkt mijn geest
in deze onmetelijkheid:
en schipbreuk lijden is mij zoet in deze zee.