Pagina 1 van 1

De andere kant van de maan. (deel 15)

Geplaatst: di 20 jan 2026, 16:40
door Amexic
De andere kant van de maan. (deel 15)

Wanneer de resultaten bekend zijn, is ze primus van de klas. Ze haalt het met een marge die zelfs haar leerkracht verrast. Ella kan ook mooie cijfers voorleggen. Mijn ouders zijn zichtbaar trots. Zoals altijd stellen ze voor om samen uit eten te gaan.
Het is een traditie. Goede resultaten verdienen een deftig restaurant.
We zitten met z’n vieren. Margot luistert meer dan ze praat. Ze glimlacht wanneer Ella iets vertelt over haar studie. Mijn vader heft het glas. Mijn moeder zegt dat ze blij is dat het huis weer vol zit. Ik spreek haar niet tegen. Margot laat zich een extra dessert opdringen. Ze lijkt opgelucht.
De dag nadien is het huis leeg. Ella is met vrienden weg. Mijn ouders zijn naar familie. Vaak mis ik tijd voor ons met twee in ons huis. De stilte is plots totaal.
Margot zit aan de keukentafel. Haar jas ligt nog over de stoel. Ze heeft haar schoenen niet uitgedaan. Ik heb haar een kop koffie ingeschonken. Eerst denk ik dat ze zich verslikt.
Dan barst ze los.
Het is geen discreet huilen, geen tranen die voorzichtig hun weg zoeken. Het is alsof iets dat lang strak werd vastgehouden ineens loslaat. Haar schouders schokken. Ze slaat haar handen voor haar gezicht, buigt voorover en maakt geluiden die ik nog niet van haar ken.
Ik weet niet wat te doen. Ik ga naast haar zitten en leg een hand op haar rug. Ze duwt me niet weg, maar reageert ook niet. Haar hele lichaam huilt onstuitbaar verder.
‘Margot?’ zeg ik zacht.
Ze schudt haar hoofd. Er komt geen antwoord. Ze ademt gebroken en onregelmatig.
Het voelt onlogisch. De examens zijn voorbij. Ze zijn goed gegaan. Alle lichten staan op groen en toch stort ze in.
Ik denk aan ontlading en te lang gedragen spanning. Ik denk ook aan dingen die ik niet ken. Aan wat ze nooit verteld heeft.
Na een tijd,ik weet niet hoe lang, is het voorbij. Ze leunt tegen me aan, haar gezicht nat, haar ogen rood en leeg tegelijk.
‘Het spijt me,’ zegt ze schor.
‘Het was te veel,’ zegt ze dan. ‘En nu is het weg.’
Ik vraag niet verder. Het is niet weg. Ik geloof Margot niet. Ik voel dat dit geen moment is om te graven.
Ik begrijp het niet helemaal. Maar ik begrijp genoeg om het niet te laten rusten.
‘We slapen vannacht in de shelter,’ zeg ik de volgende avond.
Margot kijkt op van haar lege bord. ‘Nu?’
Ik knik. Ik heb morgen een extra dag vrij genomen. Dit kan niet wachten. Niet tot morgen, niet tot later.
‘Leuk,’ zegt ze, zonder achterdocht, maar verrast. Ze heeft geen idee waarom ik dit wil.
De shelter is vrij. Gelukkig. Het hout is aan de buitenkant grijs van zout en tijd, van binnen is alles veelkleurig geverfd. We ritsen onze slaapzakken aan elkaar voor we naar het strand lopen.
‘Zwemmen in zee mag je nooit alleen,’ zeg ik. ‘Kom. Wij zwemmen samen.’
Het water is nog koud begin juli. We lopen door tot onze enkels, onze knieën, en laten ons dan ineens zakken. Margot lacht kort en schreeuwt. We happen naar adem. We zwemmen niet ver. Het hoeft niet.
We drogen ons zorgvuldig af bij de buitendouche. Ik wrijf de laatste zandkorrels van mijn voeten.
‘Ik heb een hekel aan zand binnen in de slaapzak,’ zeg ik.
‘Ik ook,’ zegt ze. Haar tanden klapperen.
In de slaapzak kruipen we dicht tegen elkaar aan. We rillen en warmen elkaar op. Haar huid is koeler dan de mijne, haar adem snel. Langzaam wordt ze rustiger.
Het licht vervaagt. De zee blijft hoorbaar.
‘Je moet je bloot geven,’ zeg ik . ‘Kan je dat?’
‘Ik ben bloot.’
‘Nee,’ zeg ik. ‘Niet zo. Ik wil licht laten schijnen op de andere kant van jouw maan. Je moet het verwoorden aan iemand. Dat moet ik zijn. Ik heb hem aangeraakt, jouw berg.’
Ze sluit haar ogen. Haar handen spannen zich rond mijn schouders.
‘Het is lastig.’
‘Als ik van je houd, moet ik het je vragen, wat het antwoord ook is. Als jij genoeg van mij houdt, moet je het me vertellen.’
Er volgt een lange stilte. Ik hoor haar adem niet, enkel de zee.
Dan zegt ze het in slechts een paar zinnen.
‘Toen mijn papa overleed en het thuis helemaal mis liep, ontfermde mijn oom zich over mij. Dit wist je niet. Het leek eerst een goede oplossing. Het is daar dat ik ben ik weggelopen.’
Meer zegt ze niet. Ik vraag niets. Ik voel haar lichaam trillen, maar ze breekt niet vandaag.
Ik trek haar dichter tegen me aan. Haar hoofd onder mijn kin. Mijn hand ligt op haar rug, aanwezig.
Het is minder belangrijk wat ze verteld heeft, dan dát ze het verteld heeft.
Ik heb niets meer te vragen, niets om te antwoorden. Ik had altijd schrik dat ik haar zou begrijpen maar ik wilde het.
We liggen lang zo. De kou trekt weg langs mijn voeten. Onze lichamen worden behaaglijk warm. Mijn hand zoekt de hare en blijft daar.