Pagina 1 van 1

De andere kant van de maan. (deel 14)

Geplaatst: di 20 jan 2026, 11:30
door Amexic
De andere kant van de maan. (deel 14)

In mijn vrije tijd nodig ik mensen uit: vriendinnen van mijn middelbare schooltijd, die ik al jaren ken en die Margot nog moet leren plaatsen. We spreken af om te wandelen, iets te eten, samen te shoppen. Ik doe het voor mezelf, maar ook bewust voor haar. Om haar niet alleen mijn thuis, maar ook mijn leven te laten zien.
Er wordt gelachen, in het Deens, soms half in het Duits. Niemand stoort zich aan het zoeken naar woorden. Margot luistert aandachtig, haakt in waar ze kan. Ze is aanwezig in de gesprekken.
Eén vriendin verrast me. Ze is iemand met wie ik vroeger in de shelter sliep, zonder dat ik het ooit als iets groters had benoemd. Ze komt nu met haar partner, een vrouw. Ik wist het niet eens. Het gesprek gaat vanzelf die kant op. Het is verhelderend voor ieder van ons vier.
Wanneer mijn vriendin bij het afscheid even te knuffelig is, zie ik Margots gezicht vertrekken. Ze zegt niets, maar ik zie het wel. Ik lach in mezelf om die uiting van jaloezie.
‘Dat wist jij niet?’ vraagt Margot later.
‘Nee. Maar zij wist het wel denk ik. Ik had waarschijnlijk een reputatie.’
Ik zeg haar:‘ De jaloezie stond je onverwacht goed.’
‘Niet grappig.’
‘Een beetje wel.’
Papa neemt Margot af en toe mee naar zijn werk, de assistentiehondenschool. Ze hebben altijd handen tekort. Margot komt thuis met verhalen over honden die weigeren te luisteren of net té goed luisteren.
‘Pas maar op,’ zeg ik. ‘Hij gaat niet alleen de honden maar ook jou willen africhten.’
Ze grijnst.
‘Te laat.’
Ze bloeit daar open. Een hond die leert, reageert en groeit. Het doet haar zichtbaar goed.
Papa beweert: ‘Margot spreekt intussen even goed honds als Deens.’
Ze noemt me nu vaak ‘Frey’.
Ik accepteer het als een koosnaam.
Ze sluit vriendschap met een cursist van de taallessen. Ze spreken af zonder mij. Ik voel geen afgunst. Het is juist geruststellend. Margot zet haar eigen lijnen uit en zoekt haar eigen uitwegen.
’s Avonds liggen we vaak samen op bed om de dag te evalueren, voor ze haar eigen bed opzoekt. Ik merk dat ze vaker uit zichzelf praat over kleine dingen, over twijfels. Niet over alles.
Naarmate de examens dichterbij komen, stijgt de spanning weer als een constante ondertoon. Ze herhaalt woorden hardop, schrijft lijstjes en vraagt me om haar te overhoren. Soms botst het.
‘Je corrigeert me te veel,’ zegt ze.
‘Jij vroeg het.’
‘Ja, maar niet zo.’
De dag voor haar examens is ze stil.
‘Ik ben niet bang om te falen,’ zegt ze.
‘Je liegt tegen jezelf maar je zal slagen.’
De ochtend van het examen trekt ze haar jas aan, pakt haar tas.
‘Wens me succes,’ zegt ze.
‘Succes,’ zeg ik.
Ze blijft even staan, komt terug, kust me snel.
‘Dank je, Frey. Voor alles.’
De maanden zijn in elkaar geschoven, zonder scherpe kantjes. Drie maanden, zegt de kalender, zit er tussen het bezoek aan de huisarts en de examens.
De examens verlopen vlot. Te vlot bijna. Margot komt elke dag thuis met dezelfde rustige vastheid. Geen paniek, geen drama. Ze herhaalt haar leerstof, gaat op tijd slapen. Ik probeer haar niet te storen.