Pagina 1 van 1

De andere kant van de maan. (deel 12)

Geplaatst: ma 19 jan 2026, 10:22
door Amexic
De andere kant van de maan. (deel 12)

Deze Margot huilt niet meer heftig zoals die ene keer in Kaysersberg. Ze laat tranen die haar ogen in stilte verlaten. Papa noemt het bij naam: ‘Het gaat niet goed met Margot.’
Soms mag ik haar troosten. Soms duwt ze me weg met woorden als: ‘Ik heb geen behoefte aan medelijden.’ Dan verlang ik naar een probleem dat ik gewoon zou kunnen oplossen. ‘Ook ik heb het druk en moet me aanpassen.’ heb ik geantwoord. Ik had mijn woorden moeten terugnemen. Ik sleur Margot mee in een leven dat niet het hare is.
De helft van haar opleiding zit erop. Ze wil dat ik Deens met haar praat. Dat lukt aardig. Ik heb bewondering voor haar inzet. Ze zal er de vruchten van plukken.
In juni heeft ze examens. Na de examens verandert het perspectief, tenminste als Margot geslaagd is…
Ik wou dat tijd sneller werkte.

‘Margot heeft professionele hulp nodig.’ Mijn ouders vinden dat het moet.
De huisarts komt ter sprake omdat zij nu eenmaal een vertrouwenspersoon is. Op lemen voeten, leg ik het aan Margot voor.
Ze zegt meteen: ‘Ik ben niet ziek.’
‘Dat zegt niemand,’ antwoord ik.
Ze zwijgt. Dat zwijgen ken ik intussen. Het is geen instemming. Het is weerstand. Alsof er iets onzinnigs van haar verlangd wordt. Ze wil wel meegaan naar het gesprek, maar ik voel dat ze het als een verplichting ervaart.
‘Wat moet ik dan zeggen?’ vraagt ze.
‘Hoe je je voelt en dat je problemen ervaart.’ zeg ik.
‘In het Deens?’
Ik knik. Dat is het probleem. Ik zal erbij zitten, vertalen en verklaren. Ik vraag me af wat ik niet zal zeggen. Of ik iets moet zeggen over vroeger. Margot kijkt me aan.
‘Ze gaan denken dat er iets mis is met mij.’
‘Ze gaan denken dat je moe bent en de oorzaak proberen te achterhalen. Dat is niet hetzelfde.'zeg ik.
Ze heeft gelijk. Moe zijn is tijdelijk. Een probleem hebben voelt definitiever en dat mag het niet worden. Ze wil niet dat mijn ouders erbij betrokken zijn. ‘Dit is van mij,’ zegt ze. Ik laat het daarbij. Ze is stabiel, dat zie ik, maar ze staat onder druk, en het idee dat ze dat moet erkennen maakt haar wrevelig. Toegeven lijkt gelijk te staan aan falen. Ik weet niet of hulp haar rust zal geven of haar nog meer het gevoel zal geven dat ze tekortschiet. Aanmodderen is geen oplossing, maar forceren ook niet. Ik blijf bij haar, ook als ik niet weet of dit gesprek iets zal openleggen of alleen maar meer vragen zal achterlaten.
Onze huisarts is een rustige vrouw. Ze laat Margot plaatsnemen en neemt haar bloeddruk.
‘Dat is prima,’ zegt de huisarts. ‘Niet te hoog.’ Er volgen standaard vragen: ‘Rook je, doe je aan sport?...’
Margot ontspant zichtbaar.
Ze vraagt hoe Margot hier is terechtgekomen. Margot vertelt het kort. Ze heeft het over seizoenswerk, over mij en over de beslissing om mee te komen naar Denemarken. Ze spreekt traag en zoekt soms naar woorden. Ik vul niet aan.
‘En hoe gaat het nu?’ vraagt de huisarts.
Margot haalt de schouders op. ‘Soms is het te veel.’
‘Wat is 'te veel'?’
‘Alles samen. De taal. De lessen. Het wonen bij iemand anders.
Ze zegt ook dat ze slecht slaapt. Dat ze moe is, maar geen rust vindt. Ze kijkt even naar mij.
‘Freya en haar ouders maken zich zorgen,’ zegt ze. ‘Maar ik ben niet ziek.’
De huisarts knikt. ‘Een ziekte is niet aan de orde.’
Het gesprek blijft bij het registreren van symptomen: weinig slaap, hoge belasting, grote verandering in korte tijd. Ze stelt vragen, geen diagnose. ‘We proberen eerst te begrijpen wat er speelt.’
De huisarts stelt voor om nog eens terug te komen.
‘Niet omdat er iets mis is,’ zegt ze, ‘maar omdat één gesprek zelden volstaat.’
Margot fronst. ‘Ik wil niet in een traject belanden.’
‘Dat begrijp ik,’ antwoordt de huisarts. ‘Dit is geen traject. Het is een vervolg op wat u net verteld hebt.’
Ik zit erbij en luister. Ik zeg weinig. Het is haar verhaal. Ik merk hoe moeilijk het voor haar is om hulp toe te laten zonder zichzelf bloot te geven. Als we buiten staan, zegt Margot niets. Ze ademt diep in.
‘Het viel mee,’ zegt ze alleen.

’s Avonds praten we erover. Margot zegt dat ze bang is om dingen los te maken waar ze geen taal voor heeft, zeker niet in het Deens. Dat ze vreest dat iemand anders zal bepalen wat goed voor haar is.
‘Ik ben gewoon moe,’ zegt ze. ‘Meer is het niet.’

Een paar dagen later stemt ze toch toe. Met tegenzin, maar zonder strijd.
‘Ik ga mee,’ zegt ze. ‘Maar alleen als jij erbij blijft.’
‘Dat doe ik.’
Margot functioneert, dat ziet iedereen. Maar dat er iets fout zit, begint langzaam zichtbaar te worden.