Pagina 1 van 1

De andere kant van de maan. (deel 10)

Geplaatst: zo 18 jan 2026, 11:20
door Amexic
De andere kant van de maan. (deel 10)

Er kan geen grotere bevestiging komen dan dat Margot met me mee gaat. Het is een keuze die de liefde volgt, zonder de uitkomst te weten. We hebben lange gesprekken over de toekomst. Ik wil Margot en mezelf op termijn vastheid bieden. Seizoensarbeid biedt geen stabiliteit. Ik heb een deftig diploma met veel mogelijkheden in Denemarken.
Margot zal voorlopig bij mij thuis intrekken, dat ligt voor de hand. Mijn ouders weten waarom ik in Lisieux ben. Ik doe een videochat met Margot naast mij.
‘Nu krijgen we Margot eindelijk deftig in beeld.’ Tot nu toe was ze vluchtig in beeld gekomen, nooit zat ze naast mij.
‘Ik wil naar huis komen.’
‘Heb je verteld. Wanneer kom je precies?’
‘De job van Margot eindigt op het einde van de maand, ik denk kort daarna. Mag Margot mee komen?’
Mama slaat de handen voor haar ogen. ‘Is het zo serieus tussen jullie?’
‘Margot komt niet even op vakantie. Mag ze bij ons inwonen?’
‘Moeten we daarover nadenken?’ vraagt ze aan papa.
‘Het zou schandelijk zijn als we zouden moeten nadenken. De vriendin van Freya hoort vanzelf bij onze familie. Ella is weinig thuis. Ze zal ermee akkoord moeten gaan dat Margot in haar bed slaapt als ze niet thuis is.’
Ik vertaal alles voor Margot.
Ik ben blij met de reactie van mijn ouders en Margot is aangenaam verrast.
‘Zo gemakkelijk is het,’ zeg ik triomfantelijk. Ik corrigeer: ‘Ik hoop dat het voor jou ook zo is,’
De maand in Lisieux heeft onze prille relatie verdiept.
‘Wat doe ik je allemaal aan?’ mijmer ik.
‘Ik wil jou niet verliezen en zelf heb ik niets te verliezen.’ antwoordt Margot.
Wanneer Margot haar heupen naar me toe kantelt en ik haar naar me toe trek, dan is mijn antwoord een vraag. Het kan genegenheid betekenen of verlangen. Er zit vertrouwen in de toekomst in, en ook een stuk onzekerheid. In de stemming van het moment leggen we een stukje van onszelf. Er zijn geen woorden voor nodig.
De laatste week slaat de onrust toe. Margot is aan het werk en ik zal binnenkort moeten gaan solliciteren. Ik wil hier weg. Er is wanhoop, optimisme en melancholie. Het is een gevoel: help, wat nu? Wat als Margot zich ontheemd zal voelen en de taalbarrière te groot is?
Ik huil bij het laatste avondmaal en moet Margot geruststellen: ‘Het is niet uit verdriet, niet ongerust zijn.’
Me omhoog hijsen op de trein en het sluiten van de deuren voelt als iets heel definitiefs. We zitten naast elkaar in de rijrichting.
‘We zijn vertrokken.’
Margot kijkt me stralend aan. Ze vult me aan: ‘Voor een heel lange reis.’
‘Dat je dit wil. Dat je met me mee wil. Ik ben je zo dankbaar.’ Ik krijg de tranen in mijn ogen.
‘Ik kan altijd terug.’
‘Jij lelijk schepsel.’
We praten weinig. Margot kijkt vaak door het raam, naar het landschap, haar eigen spiegelbeeld of naar mij. Ik denk: voor mij wordt het thuiskomen, niet aankomen zoals Margot.
Ze valt in slaap met haar hoofd tegen mijn schouder. Ik blijf wakker. Straks zal ze door straten gaan die ik ken. Ze zal mijn taal horen zonder ze te begrijpen. Ze zal moeten vragen, kijken, leren. Dat ze dat voor mij wil doen.
We reizen over Amsterdam. Daar wachten we meerdere uren op de nachttrein naar Kopenhagen. De rugzak is te zwaar; de zin om de stad in te trekken ontbreekt.
Het avontuur is afgelopen, maar het leven, het leven thuis, staat in de startblokken. Weer de draad opnemen: ik ben er klaar voor.