Pagina 1 van 1

De andere kant van de maan. (deel 3)

Geplaatst: wo 14 jan 2026, 17:25
door Amexic
De andere kant van de maan. (deel 3)

Goed uitgeslapen verschijn ik de volgende ochtend in werkkledij aan de ontbijttafel. Frans brood en confituur. Sober. Ik ben blij met de afgedankte T-shirts in mijn bagage en draag, net als Margot, een afgeknipte, gerafelde jeans. Als nieuweling geniet ik enige belangstelling, maar communiceren blijft lastig. Het is druk in de keuken. Voor koffie moet je aanschuiven.
Wanneer een jongen zich tot mij richt, reageert Margot scherp: ‘Tais-toi.’
Ik heb niet begrepen wat hij zei.
‘Wat zei hij?’
‘Rien du tout.’
Ik dring aan.
‘Straks.’
Met enkele volgeladen auto’s rijden we naar de wijngaard.
Margot legt met hand en tand uit wat er van me verwacht wordt. Ik kijk toe hoe ze energiek druiventrossen afknipt. Soms rukt ze ze met één hand los. De ranken zwiepen heen en weer. Parallel met ons werken Loïc en Arjan efficiënt, minder ruw. Ik probeer tempo te maken. Tegen de middag heb ik blaren. Waar Margot een emmer vult, blijft de mijne halfvol.
Tijdens de pauze wil ik weten wat de jongen ’s morgens zei.
‘Straks op onze kamer.’
Na de lange werkdag neem ik uitgeput een douche. Mijn huid is verbrand, zelfs in september.
‘Ga jij maar eerst,’ lacht Margot. ‘Je hebt het nodig.’
Ik vloek wanneer ik aan de binnenkant van mijn rechterdij een teek ontdek. De eerste ooit.
‘Qu’est-ce qu’il y a?’
Ik kom me afdrogend van onder de douche en toon haar de teek.
‘Die is niet vers,’ zegt ze. ‘Die is al goed volgezogen.’ Ze imiteert een zuigmond. Waarschijnlijk heb ik haar in Zwitserland opgelopen. Nu pas begint het te jeuken. De huid is geïrriteerd.
De taalproblemen zijn meestal grappig. Nu niet.
‘Ik heb er al vaak gehad,’ zegt Margot. ‘Ik haal hem zo weg. Eerst ga ik douchen.’
Ik zit in ondergoed op bed te wachten. Mijn handen branden. Het werk is zwaarder dan ik had gedacht. Ik weet niet goed of deze werkvakantie een goede keuze is. Door Frankrijk te kiezen, maakte ik het mezelf moeilijk. Ik zal nooit gesprekken aan tafel kunnen volgen. Me in de groep integreren zal onmogelijk zijn. Waarom heb ik niet voor druivenpluk in Duitsland gekozen? Daar speelt geen taalprobleem. Ik voel me moe en down. Integreren lijkt ver weg.
Margot komt snel terug en trekt haastig iets aan.
‘Ze haken zich vast. Je moet ze in één keer verwijderen.’
Ze spreidt de huid van mijn dij met één hand. Met de nagels van haar duim en wijsvinger wrikt ze de teek los. Ze is zo groot als een erwt. Margot houdt haar omhoog. Triomfantelijk.
‘Teek in het Frans?’
‘Une tique. In het Duits: 'Zecke.'
‘Du kannst Deutsch?’
‘Natürlich.’
Ze vertelt dat haar grootouders Duits spraken. Haar ouders ook.
‘Spreken… spraken,’ corrigeert ze zichzelf. ‘Mijn vader is overleden.’
We schakelen vanzelf over op Duits. Het gaat makkelijker. Ik realiseer me dat deze streek meermaals van land gewisseld is.
Margot zegt dat ik de plek moet blijven observeren. Als de huid rood wordt, moet ik antibiotica nemen. Zij heeft dat ooit moeten doen.
Ik voel me heel wat lichter.
Het blijft in mijn hoofd hangen: ‘Wat zei die jongen vanmorgen?’
‘Dat zijn bed smal is, maar breed genoeg voor ons met drie.’
‘Flauw.’
‘Je zag hoe ik reageerde.’
‘Hij maakt toch geen kans.’
‘Dat betekent niet dat hij zo moet praten.’
Ik glimlach om Margots felheid. Zo’n storm in een glas water zou mij niet bezighouden.
Tijdens het diner is de sfeer uitbundig. Ik blijf toeschouwer. Wie ‘la vendange' meemaakt, begrijpt dat het meer is dan werk. Het is een feest, een traditie, een ritueel. De eerste dagen tast ik de gebruiken af. Soms voel ik me alleen omdat ik de gesprekken niet kan volgen. Ik kijk naar mijn handen. Ze zijn gehavend en branden.
Margot vertaalt af en toe iets in het Duits. Ik ben blij dat ze in mijn buurt blijft. Ze is opvallend aanwezig in het gezelschap en is oorzaak van lachsalvo’s. Het eten is goed. De wijn vloeit rijkelijk. Mijn schouders en rug doen pijn. Een paar glazen later verdwijnt het scherpe randje.
Na het eten gaan sommigen naar huis. Ik begrijp dat een paar vrouwen uit het dorp voor ons koken en dat hun gepensioneerde echtgenoten overdag druiven plukken of dragen.
Op de kamer is Margot ingetogen. We liggen vroeg in bed. De wijn heeft me losser gemaakt. Ik praat. Margot luistert. Wenen is nog dichtbij. Mijn belevenissen van het laatste jaar staan op de voorgrond.
Ik wil Margot ook aan het woord laten.
‘Vandaag niet meer. We hebben zeeën van tijd de komende weken. Misschien heb ik weinig boeiends te vertellen,’ zegt ze.
Ik heb meteen spijt dat ik mezelf zo centraal stelde.
’s Morgens inspecteer ik de blaren op mijn rechterhand. Eentje is open. Margot heeft tape.
‘Ik zoek straks een andere schaar. Sommige zijn hand vriendelijker.'
Haar handen zijn ongeschonden. Ze zijn ruwer dan de mijne en dieper doordrongen van paars druivensap.
‘Nog een paar dagen en het leed is geleden,’ zegt ze.
Mijn gezicht in de spiegel verraadt dat ik nog moet wakker worden. Vroeger haatte ik sproeten.
‘Ze zijn het bewijs van een mooie zomer,’ zei mijn moeder. Zij heeft er meer dan ik. In de winter kruipen ze weer naar binnen.
Tijdens het ontbijt ben ik zwijgzaam. Margot wisselt een blik met de jongen van gisteren. Noah.
Waag het niet, lijkt ze te zeggen.
Met lichte tegenzin begin ik druiven te knippen. De schaar die Margot voor me uitgekozen heeft, ligt beter in de hand. Het kwaad is gisteren geschied, maar ik ben haar dankbaar.
De koelte van de ochtend maakt plaats voor aangename warmte.
Margot draagt opnieuw een topje. Ik speel met het idee om vanavond een T-shirt mouwloos te maken, om meer zon te vangen. Mijn huidtype is niet zonminnend, maar de septemberzon is milder.
Tijdens de pauzes worden we verwend. De lunch is uitgebreid in vergelijking met het sobere ontbijt. Er is sla en er zijn tomaten, spek met eieren. De streekkazen zijn onweerstaanbaar met knapperig Frans brood.
Het werktempo van Margot haal ik nog niet. Wel knip ik vlotter. Nu we Duits spreken, kwettert Margot als een leeuwerik.
De douche na het werk spoelt het zweet weg, maar niet de spierpijn.
‘Waar ben ik aan begonnen?’ zucht ik.
‘Ik ken het gevoel. Geef het een paar dagen en je gaat het leuk vinden,’ zegt Margot monter.
Ik betwijfel het.
We dineren buiten, alsof het een zomeravond is. Misschien zijn Fransen uitbundiger dan wij Denen. Ik geniet van het eten en de sfeer aan tafel. Noah zit schuin tegenover mij.
‘Je hebt mooie blauwe ogen,’ zegt hij.
‘Ja, dat weet ik.’
Hier zit het al fout. Ik ben op mijn hoede, en terecht.
‘Je bent erg zwijgzaam,’ merkt hij op.
‘Ik begrijp niet veel van wat er gezegd wordt,’ antwoord ik in mijn beste Frans.
‘Misschien hebben wij elkaar veel te vertellen zonder woorden.’
In het Duits ben ik sterker.
‘Je maakte al geen kans toen ik je voor het eerst zag. Elke keer dat je je mond opendoet, zak je verder onder nul in mijn achting.’
Ik zie dat de boodschap aankomt.
‘Begrijp je Duits?’ vraag ik, overbodig. Margot slaakt een onbeheerste ‘hi’.
‘Das Fleisch ist mürbe. Ein bisschen mehr?’ richt Gretl zich tot Noah. Zij is de vrouw van Marcel, de wijnbouwer. Voor het eerst hoor ik haar Duits spreken. Dat moet opzettelijk zijn.
Loïc heeft niets begrepen. Arjan glimlacht.
Na het eten is Margot in opperbeste stemming. We schuiven onze bedden tegen elkaar om nog wat te praten.
‘Geweldig was je. Noah woont een paar dorpen verder, dus hij heeft je Duits zeker goed verstaan.’
‘Ik moest Duits spreken. In het Frans was het niet gelukt.’
‘Dit had hij nodig. Hij is een eikel.’
‘De directe aanpak loont soms. Misschien vindt hij iemand anders. Smaken verschillen.’
‘Ze willen allemaal maar één ding,’ zegt Margot beslist.
‘Achteraf bekeken vind ik het amusant. Hij gaat niets meer proberen.’
Noah verrast me bij het ontbijt.
‘Ik bied je mijn excuses aan voor gisteren.’ Zijn lichaamstaal oogt oprecht.
‘Ik vind het ook spijtig. Laten we het vergeten.’
‘Jij hoeft je niet te verontschuldigen. Ik wel.’
‘Ik verontschuldig me niet. Ik zeg dat ik het spijtig vind. Het enige wat ik wil, is druiven plukken en hier een aangename tijd doorbrengen.’
Voor mij is het hoofdstuk afgesloten. Ik houd niet van conflicten. Ook wanneer ik ze niet veroorzaakt heb, wil ik ze opgelost zien. Noah gaat een bank vooruit.
In de wijngaard heeft Margot het voorval nog niet verteerd.
‘Ik haat hem.’
‘Zand erover. Er is zo weinig om je druk over te maken. We zetten ons verstand op nul en plukken de mooiste trossen.’
Margot schakelt snel. Ze begrijpt me. Even later is ze weer opgewekt, aanstekelijk zelfs. Ik heb de indruk dat ze sinds het incident helemaal aan mijn kant staat. Of misschien konden we van nature al goed met elkaar omgaan. Sinds de overstap naar het Duits gaat het vanzelf. Gisteren ontdekte ik dat ook Arjan Duits spreekt. Voordien sprak hij Engels met mij.
Zijn moedertaal is Nederlands. Ik dacht dat hij en Loïc goede vrienden waren die zich samen hadden ingeschreven. Ze blijken elkaar hier pas te hebben ontmoet. Ondanks hun andere moedertaal hebben ze een hechte band. Arjan spreekt trouwens vlot Frans. Loïc praat het meest, maar een echt gesprek met hem blijft voor mij moeilijk.
Ik vergelijk de jongens met Margot en mezelf. Arjan is de knapste: blond, blauwe ogen, net als ik. Van het Arische ras, als dat zou bestaan. Loïc is atletisch en guitig. Hij moet het van zijn vriendelijkheid hebben. Zijn lijf is mooi, zijn gezicht minder: een te grote neus en flaporen. Hij loopt vaak met ontbloot bovenlijf en is even donker als Margot. Arjan heeft een blanke huid. Gisteren, na de middagpauze, trok ook hij zijn T-shirt uit. Ik vond het schattig hoe Loïc Arjans rug zorgvuldig insmeerde met zonnecrème.
Mijn spierpijn neemt af. De blaren op mijn handen zijn minder gevoelig en blijven van dezelfde grootte. Het witte velletje laat ik zitten, als bescherming.
Voor het eerst kom ik niet enkel moe maar ook voldaan terug in de B&B. Margot en ik douchen om de beurt. Ik offer een T-shirt op: de mouwen moeten eraf. Margot haalt naaigerief. Gewoon afknippen vindt ze niets. Ze maakt de hals wijder, vergroot de armsgaten en speldt een zoom af.
‘Vanavond naai ik het.’
‘Graag. Naaien is niet mijn ding,’ geef ik toe.
Aan tafel gedraagt Noah zich. De verhoudingen zijn herschikt. Ik voel me superieur. Misschien is hij soms ongeremd. Wat er in zijn hoofd omgaat, zal ik nooit weten. Dat weet je zelden bij volwassenen. Ik reken hem daartoe. Blikken van jongens ontgaan me niet. Zolang ik zelf neutraal blijf, blijven ze op afstand. Een spiegel is eerlijk. Ik weet dat ik niet de lelijkste ben. Ik vat het op als een voordeel, al laat dat soort aandacht me koud.