VERLOREN ONSCHULD - hoofdstuk 2
Geplaatst: vr 02 jan 2026, 17:26
Hoofdstuk 2
Met de versnelling in de hoogste stand en inspanning van al zijn krachten had Jaap de afstand naar zijn school in supersnelle tijd afgelegd. Nog voor de bel ging, zette hij zijn fiets in het fietsenhok neer. Maar toen ineens leek hem alle moed weer in de schoenen te zakken. Ineens was het denken er weer. Het denken dat hij tijdens de inspanning geen plaats had gegund, duwde zich nu weer prominent op de voorgrond. Hij werd er moedeloos van en sjokte naar zijn vrienden toe.
'Hé, ben je daar eindelijk!' werd hij verwelkomd.
'Je zus zei dat je de bokkenpruik ophad, laat eens even controleren,' en David sloeg een arm om zijn nek heen en trok hem speels aan zijn haren. 'Nee, geen pruik. Wat mankeert je vandaag, man? Je bent nooit zo laat?'
'Wil je soms van je brave imago af?' vroeg Simon.
De bel ging en Jaap prees zich gelukkig dat hij geen antwoorden hoefde te geven. Een stoet leerlingen verplaatste zich van het plein de school in en er werd, zoals gebruikelijk, flink geduwd en getrokken. Daarna was het voor Jaap en zijn klasgenoten vier trappen op naar de tweede verdieping, lokaal 212. Mevrouw Snoeken, hun wiskundelerares, stond reeds op hen te wachten. Na de tweede bel sloot ze de deur en een ieder die een dichte deur tegenkwam, wist dat hij of zij eerst een "te laat briefje" zou moeten ophalen. Drie keer te laat komen, betekende automatisch straf.
Jaap zat naast Sander, zijn beste kameraad. Hij kende hem al vanaf de box. In die tijd hadden ze naast elkaar in Hoogeveen gewoond en hun ouders konden toen en nu nog steeds heel goed met elkaar overweg. Samen waren ze daarna naar de peuterspeelzaal gegaan, en daarna naar groep 1 van de basisschool. Toen de jongens in groep 3 hadden gezeten, waren Sanders ouders buiten Hoogeveen gaan wonen, maar Sander bleef gelukkig op dezelfde school. Ook waren ze beiden lid van dezelfde voetbalclub, en naast al die gezamenlijke dingen trokken ze ook heel veel met elkaar op. Ze waren echte vrienden. Mevrouw Snoeken behandelde een nieuw onderwerp dat volgens haar eigen woorden erg belangrijk was voor het examen van het volgende jaar. Jaap vond haar een uitstekende lerares en mocht haar graag. Ze wist je altijd te boeien, zelfs als de lesstof saai was, maar vandaag … vandaag niet. Al snel dwaalde de aandacht van Jaap af en kwamen al die vervelende gedachten weer naar boven. Moest hij het eigenlijk wel vertellen? Zou het niet veel beter zijn om gewoon zijn mond te houden en af te wachten?
'Jaap, zou je heel misschien ook op kunnen letten? Het gebeurt hier en niet buiten hoor!' Jaap mompelde een verontschuldiging en Sander stootte hem aan.
'Wat heb je, man? Waarom ben je zo afgeleid?'
'Sander, alsjeblieft! Ik wil verder met mijn les. Mag ik misschien?'
'Natuurlijk, mevrouw. Het spijt me.'
De lerares begon weer te praten, en af en toe schreef ze het een en ander op het bord. Jaap deed zijn uiterste best om er bij te blijven, maar al die gedachten kwamen zowat zijn oren uit. Zijn hoofd begon pijn te doen en ook zijn maag speelde weer op. Waarom had hij dan ook zo weinig gegeten? Maar ja, hij had echt niets meer naar binnen kunnen krijgen! En zo dwaalde hij langzaam weer af van hetgeen waarnaar hij had moeten luisteren.
'Jaap Bloemendael! Misschien, heel misschien is hetgeen ik te vertellen heb ook belangrijk voor jou dus …?'
Jaap slaakte een putdiepe zucht. Opnieuw kreeg hij een por van Sander en de blik die hij hem toewierp was overduidelijk. Jaap wendde zijn gezicht af en nam zich opnieuw voor om zijn aandacht bij de les te houden.
De schreeuw die hem deed opschrikken, maakte hem duidelijk dat hij opnieuw was weggezonken in die vreselijke gedachten van hem.
'Jaap, kom maar een briefje halen en ga maar kijken hoe mooi het uitzicht vanuit lokaal 121 is.'
Jaap stond op, veegde de spullen van zijn tafeltje in zijn rugzak, pakte deze op en liep sloom in de richting van het bureau van mevrouw Snoeken. Hij nam het protocol van haar aan.
'Het spijt me, mevrouw.'
'Ik geloof je meteen, Jaap, maar daar heb ik nu even niets aan.'
Hij begreep het volkomen, liep de klas uit, de gang op en naar het trappenhuis toe. Een verdieping lager was lokaal 121. Een lokaal waar je in de regel beter niet kon komen, hoewel ook nu de deur uitnodigend open stond. In dit lokaal was altijd een van de leerjaarcoördinatoren aanwezig. Bij toerbeurt hielden zij hier toezicht op uit de les gestuurde leerlingen, en verder behandelden zij ook de aanvragen voor bijzonder verlof voor bijvoorbeeld bezoeken aan tandarts, huisarts en dergelijke. Jaap liep het lokaal binnen en zag dat er verder geen "stoute leerlingen" waren.
'Hé, Jaap,' werd hij begroet. 'Kom je iets afgeven?'
'Ja, zo zou je het ook kunnen noemen,' reageerde Jaap op een droge manier. Hij haalde het brief dat zijn lerares hem gegeven had uit zijn broekzak en legde dat bij meneer Meijer op het bureau.
'Wat? En dat van jou?' Met grote vraagtekens op zijn gezicht keek de coördinator Jaap aan.
'Ja. Kan er ook niets aan doen.' Meijer raadpleegde zijn computer.
'Je bent hier nu al vier jaar op school, en dit is je allereerste keer dat … Wat heb je uitgespookt? Ga zitten!'
Jaap ging zitten op de stoel naast het bureau en vertelde wat er gebeurd was.
'Ai! En dat bij mevrouw Snoeken. Weet je dat wij hier haast nooit leerlingen krijgen die er bij haar uitgestuurd zijn?'
'Het ligt ook echt niet aan haar, hoor. Het is gewoon mijn eigen fout. Ik ben er niet helemaal bij vandaag.'
'Heb je problemen? Of is er iets anders?'
Jaap keek de man aan en overdacht heel even de mogelijkheid om er met hem over te praten. Meneer Meijer moest het haast gemerkt hebben, want hij ging snel verder.
'Je weet dat je altijd met mij kunt praten, hè?'
Jaap knikte.
'Praten kan soms heel effectief zijn. Weet je nog wel toen je vader twee jaar geleden zo ziek was. Toen ben je ook bij mij komen praten, en later heb je me verteld dat dat je goed had gedaan.'
'Dat deed het ook, meneer. Echt!'
'Maar, nu wil je niet praten?'
Jaap schudde het hoofd. Nee, niet met Meijer.
'Oké, je weet de regels wel denk ik.'
Jaap knikte. Natuurlijk kende hij de regels. Hij zou tot het eind van de reguliere lestijd hier moeten blijven, en zou dan een brief – een protocol genaamd – meekrijgen voor zijn ouders. Op die brief stond meteen ook de straf aangegeven en die was in de regel 1 uur terugkomen. Jaap zocht een plaatsje bij het raam uit en keek naar buiten. Meteen was hij weer weg. Zijn hoofd bonkte en de spieren in zijn nek begonnen pijnlijk te worden, en die verdomde maagpijn werd steeds heviger. De bel verloste hem uit die steeds vervelender wordende gedachtespinsels, en moeizaam kwam hij in beweging. Meijer overhandigde hem de brief, maar liet die niet meteen los.
'Volgens mij heb je grote problemen, Jaap. Het spijt me, maar ik heb je lang in de gaten gehouden en you’ve got serious troubles, kid!'
Jaap sloeg zijn ogen neer. 'Ik moet naar mijn les, meneer.'
Meijer liet de brief los, en gaf hem nog de mededeling mee dat hij de brief niet moest vergeten af te geven, en dat hij vanavond naar huis zou bellen om te controleren of de brief afgegeven was: standaardprocedure.
'Hé, Bloemendael,' begon Simon toen hij bij het lokaal aankwam waar ze Nederlands hadden, 'je bent echt van plan om je imago te verbeteren, hé.'
'Ach, hou toch je kop!' beet Jaap van zich af. 'Je weet er helemaal niets van, dus bemoei je er dan ook niet mee.' Gut, wat zouden ze nou wel weer niet van hem denken. Nooit, nog nooit had hij zo tegen zijn klasgenoten gepraat, en nu … De tranen sprongen hem haast in de ogen, maar hij zou niet gaan janken. Zeker niet janken! Gelukkig was de leraar op tijd en konden ze meteen het lokaal in. Sander begon tegen hem te praten, maar ook die wees Jaap op zijn plaats. 'Nee, ik heb niets. Dus laat me met rust. Dat is het enige dat ik wil!' De les begon en het was ontzettend moeilijk voor Jaap om zich te concentreren. De man las een oervervelend verhaal voor, en hij was heus niet de enige wiens gedachten afdwaalden, maar hij was toevallig wel degene die door een onverwachte armbeweging zijn etui van het tafeltje stootte.
'Donder maar op, Bloemendael. Maak maar dat je wegkomt!'
Woest sprong Jaap op en dit keer liep hij met grote stappen naar voren. Hij rukte het briefje zowat uit de handen van de leraar en sloeg de deur met een klap achter zich dicht. 'Verdomme, verdomme, verdomme,' vloekte hij. In de hal schopte hij keihard tegen een van de klapdeuren. Met grote moeite wist hij zich enigszins te kalmeren, en aangekomen bij lokaal 121 was hij een stuk rustiger geworden.
'Niet alweer hè, Jaap?'
'Ja, alweer! En u hoeft me helemaal niets meer uit te leggen. Ik ken de regels en NEE ik wil niet praten.' Hij smeet het briefje op het bureau van meneer Meijer neer en ging achter in het lokaal zitten. Hij legde zijn hoofd op het tafelblad neer en bedekte het met zijn armen. Helemaal weg wilde hij. Helemaal nergens meer zijn. De tranen begonnen langzaam te komen. De tranen die hij niet gewild had. Verdomme! Waarom kwamen ze dan toch? Wilde dan helemaal niets gaan zoals hij het wilde? Hij hoorde hoe een stoel naast de zijne geschoven werd en ineens was er die arm om hem heen. De arm trok hem tegen zich aan en Jaap gaf zich over. Hij huilde onbedaarlijk. Na een paar minuten stopte hij snikkend. 'Sorry, meneer, dit had ik niet zo bedoeld.'
'Ook dit kan helpen, Jaap. Als je dan niet wil praten, heeft dit je misschien iets opgelucht.'
'Dank u, meneer.'
'Ik vraag het nog maar een keer. Weet je zeker dat je niet wilt praten?'
'Ik wil heel graag praten, meneer, maar niet met u. Eerst met mijn ouders en later, later mag u het misschien ook wel weten.'
'En wanneer ga je met ze praten? Want ik heb het idee dat je dit niet lang meer vol kunt houden. Je gaat er met de minuut slechter uitzien, jongen.'
'Vanavond, meneer, en daarom ben ik zo bang.'
'Bang voor je ouders?'
'Nee, niet bang voor hen, maar wel voor hun reactie. Ik weet niet hoe ze erop zullen reageren.' Even hield hij zijn mond en veegde met zijn mouwen de tranen uit zijn ogen. 'Hoe kun je nou weten hoe je ouders zullen reageren als jij hun vertelt dat …'
'Heb vertrouwen in ze, jongen. Ouders kunnen heel wat aan, en ik weet een beetje uit wat voor nest je komt, en echt geloof me, ik heb het idee dat jij het te donker inziet.'
'Maar het is zoiets verschrikkelijks …'
'Weet je zeker dat je het niet verkeerd inschat?'
'Ik kan me gewoon niet voorstellen dat ze het niet vreselijk zullen vinden. Het is zo in strijd met … met alles.' De bel maakte een eind aan hun gesprek.
'Het is pauze, maar denk je niet dat het beter is om naar huis te gaan?'
'Nee, dan ga ik misschien nog meer denken. Ik moet proberen bezig te blijven.' Meijer stond op en Jaap ook. 'Mag ik een nieuwe protocolbrief van u?'
'Ik denk niet dat we dat moeten doen. Doe mij die eerste maar terug. Ik geloof dat hier sprake is van iets waarvoor wij als opvoeders geen straf moeten gaan geven. Maar beloof me een ding!'
'En dat is?'
'Stel het gesprek van vanavond niet uit, Jaap, want dat zou niet goed voor je zijn! Ik hoop voor je dat alles meer dan honderd procent meevalt, en dat je vrijdagochtend, morgen hebben jullie immers vrij, als je het eerste uur van mij les hebt met een brede glimlach mijn lokaal binnen komt zetten.'
Sander wachtte bij het begin van de kantine op Jaap en zag hem maar steeds niet komen. Waar blijft die knakker nou toch, dacht hij. Hij rekte zich zo ver mogelijk uit om over de mensenmassa heen te kijken en eindelijk, heel in de verte, zag hij zijn kameraad aankomen. Wachten kon hij niet meer en dus waagde hij het om tegen de menigte in te lopen. Met flink wat ellebogenwerk lukte het hem aardig, en toen hij vlak voor Jaap stond, schrok hij zich naar.
'Man, wat zie jij eruit?'
'Ik voel me niet goed.'
'Nee, dat kan ik me voorstellen. Als ik er zo uitzag …' Sander slikte de woorden die hij had willen zeggen in, omdat hij begreep dat Jaap niet zat te wachten op een van zijn grapjes. 'Waar heb je last van?'
'Je kunt beter vragen waar ik geen last van heb. Mijn kop staat op barsten, mijn maag doet zeer en ook al mijn spieren.'
'Griep?'
'Nee, ik denk het niet.' Gezamenlijk liepen ze naar de kantine waar de andere jongens van de klas plaatsen voor hen vrijgehouden hadden. Het tumult rond Jaap bleef aanhouden omdat iedereen zich met zijn slechte conditie begon te bemoeien.
Sander vroeg hem of hij wel voldoende had gegeten die ochtend, en toen Jaap vertelde dat hij niets door zijn keel had kunnen krijgen, maakte Sander Jaaps tas open, zag zijn broodtrommel en appel, en bood hem die laatste aan. 'Probeer die dan op te eten tenminste.'
Manmoedig nam Jaap een hap en begon te kauwen. Hij slikte de eerste stukken door en voelde hoe zijn maag begon op te spelen. Toch nam hij nog een hap, en nog een. Ineens sprong hij overeind en rende weg.
'Pas op onze tassen,' riep Sander en rende hem achterna. Sander wist precies waar Jaap heen rende en kwam maar eventjes na hem de toiletruimte binnen. 'Jaap! Waar ben je?' riep hij. Hij hoorde gebonk op de deur en daarachter gigantisch zwaar ademhalen. 'Gaat het wel goed?'
'Ja, ik geloof het wel.'
Sander keek onder de deur door en zag hoe Jaap daar op zijn knieën voor de pot zat. Even later zag hij hoe Jaap weer in de benen kwam. En toen … toen stortte hij ineens ineen en kwam met een klap tegen de deur terecht. Hevige paniek maakte zich van hem meester … maar ook onmacht. Wat moest hij doen? Hij deed het eerste wat hem te binnenschoot en begon keihard om hulp te roepen: 'HELP, HELP, HELP!' En daarna rende hij de toiletten uit en naar de hal. Daar schoot hij meteen een conciërge aan. 'Snel, meneer Tamsma, Jaap Bloemendael is in de toiletten flauwgevallen.' Tamsma vroeg hem welke toiletten en zette het toen op een lopen. Sander kon de man bijna niet bijhouden. Eerst klopte hij op de deur om te kijken of Jaap intussen weer bijgekomen was, maar toen klom hij lenig over de wand heen en liet zichzelf binnen. Van binnenuit opende hij de deur en liet Jaap die tegen de deur had gelegen voorzichtig naar beneden zakken waarbij hij zijn stofjas als kussen voor Jaaps hoofd gebruikte. Bij de ingang van de toiletten had zich intussen een grote groep nieuwsgierigen verzameld. Tamsma maakte Jaaps overhemd los en legde zijn oor op zijn borstkas.
'Hmmm,' zei hij zachtjes, 'dat klinkt niet echt lekker.' Trillend als een rietje stond Sander toe te kijken en zag hoe de borst van zijn vriend zwoegend op en neer ging en hoe zijn hart als een gek klopte.
'Hij gaat toch niet …'
'Nee, Sander. Niet als we snel zijn. Ren terug naar meneer Harmsen en laat hem meteen een dokter bellen. Zeg tegen Harmsen dat hij op de bel moet drukken dan verdwijnen die nieuwsgierigen in elk geval.'
Sander rende weg, maar kon met moeite door de gangen komen. Toen ze hem te dicht op de huid zaten en hem allerlei vragen probeerde te stellen, werd hij zo kwaad dat hij om zich heen begon te meppen. 'Als jullie mij nou niet de ruimte geven, gaat er misschien iemand dood! Willen jullie dat soms!' Snel werd er toen ruimte gemaakt. Meneer Harmsen belde meteen een dokter en drukte vijf minuten voordat de automatische bel zou gaan op de bel. De stroom leerlingen kwam in beweging.
'Is het echt Jaap?' hoorde Sander ineens zeggen. Hij draaide zich om en zag Marianne staan.
'Ja! Hij is onderuit gegaan.'
'Zal ik mijn ouders bellen?'
'Misschien moet je even vragen aan Harmsen wat je het beste kunt doen.'
Marianne overlegde met de conciërge die, om nieuwsgierige blikken buiten te sluiten, de jaloezieën van het glazen hok (bijgenaamd "het aquarium") liet zakken. Marianne pakte de telefoon en toetste de cijfers in.
Sander liep terug naar de toiletruimte. Tamsma zat nog steeds naast Jaap, en ook meneer Meijer was er nu. Ze praatten op fluisterende toon met elkaar. Sander kwam binnen en kuchte om hen te laten merken dat hij terug was. 'De dokter is onderweg,' zei hij. Op afstand bleef hij staan.
Meijer kwam overeind en liep naar hem toe. 'Dat moet schrikken geweest zijn, Sander.'
'Ja, meneer. Heel erg.'
'Straks als alles achter de rug is, belt een van ons je ouders en laten we je ophalen.'
'Maar, meneer …'
'Nee, je doet wat ik zeg! Ik doe dit voor jou. Een dergelijk voorval gaat niemand in de koude kleren zitten, jongen. Ook jou niet. Ook al ben je jong, sterk, stoer, en wat al niet.'
Sander glimlachte en bedankte hem. Op dat moment meldde de dokter zich. Meteen knielde hij naast het lichaam van Jaap en begon hem te onderzoeken, terwijl hij meneer Tamsma een aantal vragen stelde. Bij een van de vragen knikte de conciërge met zijn hoofd in de richting van Sander.
'Jij hebt hem gevonden, jongeman?'
'Ja, meneer.'
'Weet je wat er met hem aan de hand is?'
'Nee, meneer. Hij zei dat hij zich niet lekker voelde. Pijn in zijn hoofd, zijn maag en al zijn spieren deden zeer, dat zei hij tenminste.'
Meneer Meijer liep naar de dokter toe en ging op zijn hurken naast hem zitten. Zachtjes begon hij te vertellen.
Sander kon niet alles verstaan, maar hij ving wel flarden op. "Hij had problemen … moest ergens over praten … bang … bang voor reactie …" Hij begreep er niets van.
'Dan lijkt het mij wel duidelijk. Zijn de ouders gewaarschuwd.' Iedereen keek elkaar aan.
'Ja, meneer. Marianne, de zus van Jaap, heeft naar huis gebeld.'
'Oké, dan zal ik hem even bijbrengen.' De arts haalde een ampul uit zijn tas, brak het en deed de vloeistof op een watje dat hij onder Jaaps neus duwde. Meteen sloeg hij de ogen op.
'Ik moet …' reageerde Jaap prompt en wilde rechtop gaan zitten.
'Nee, jongen, jij moet helemaal niets meer. Jij blijft hier even rustig liggen tot je weer wat op adem bent, en dan moet je eerst goed naar mij luisteren.'
'Heeft u mij nog nodig, dokter,' vroeg meneer Tamsma.
'Nee, dank u wel, u heeft uitstekend gehandeld. Knap werk.'
De conciërge stond op en liep weg. Bij de ingang naar de toiletten klopte hij Sander op zijn schouder en zei: 'Hé, ik ga je ouders even bellen.'
Jaap lag op de grond en had zijn ogen weer gesloten. Hij voelde zich zo verschrikkelijk stom. Wie valt er nou in vredesnaam flauw. Maar tegelijkertijd realiseerde hij zich ook dat hij helemaal maar dan ook helemaal niets meer in de hand had gehad. Dingen waren ineens gebeurd voordat hij er iets aan kon doen. De dokter gaf hem een tikje en vroeg of hij luisterde. 'Ja, meneer.'
'Ik heb begrepen dat jij met een behoorlijke dosis spanning rondloopt.'
Jaaps ogen gleden van de arts naar de coördinator toe.
'Ik heb verteld wat ik wist, Jaap, omdat de arts het nodig had voor zijn diagnose. Ik ken je verhaal niet. Ik heb de arts alleen maar verteld dat je een probleem hebt. In jouw belang.'
'Nu is spanning op zich helemaal niet erg,' ging de dokter verder, 'iedereen heeft daar wel eens last van. Een proefwerk, een tentamen, een bezoek aan de tandarts. Maar al dat soort spanning verdwijnt als het eenmaal achter de rug is, en is bovendien vaak maar van korte duur. Ik heb het idee dat die spanning van jou te lang heeft gezeten, jong! Je moet ervan af zien te komen. Spanning moet je zien te kanaliseren, moet je zien kwijt te raken, en ik heb begrepen dat je dat ook van plan bent. Nou moet je het volgende gaan doen.'
Jaap keek hem strak aan.
'Ik heb hier een doosje waarin twee tabletten zitten. Het is een geweldig middel. Het helpt je zo van de been. Straks als je thuis bent en in je bed ligt, neem je één zo’n tablet. Je zult er heerlijk op slapen, je hebt niet eens meer de tijd om nog ergens aan te denken. Als je dan wakker wordt, ga je meteen datgene doen wat je van plan was. En dan is het aan jou of je besluit om nadien die tweede pil nog te nemen. Heb je mij begrepen?'
Jaap knikte. 'Dank u, meneer. Sorry dat ik …'
'Je hoeft geen excuses te maken. Je ouders krijgen de rekening wel, en reken maar dat zo’n bezoek op school heel wat kost.' Hij lachte en liet Jaap toen rechtop zitten. Nadat hij een tijdje gezeten had, mocht hij onder toezicht van de arts opstaan. Meijer aan de ene en de dokter aan de andere kant, zo liepen ze in de richting van de hal. In de loge van de conciërges zetten ze hem op een stoel neer. Hij kon de schrik op het gezicht van Marianne lezen toen ze naar hem keek. Ze liep op hem toe en omhelsde hem. Verdomme, dacht Jaap, nu heb ik haar, alsof alles al niet erg genoeg is, ook nog laten schrikken. De jaloezieën in de werkruimte van de conciërges waren nog steeds naar beneden en daarom had niemand Jaaps vader aan zien komen. Pas toen hij op de bel drukte en meneer Harmsen ging kijken wie er voor de deur stond, zag Jaap hem staan.
Jan zag zijn zoon en ging gehurkt naast hem zitten. 'Alles goed?' vroeg hij.
'Beter dan het was,' antwoordde Jaap met een zacht stemmetje.
'Wil je dat ik het een en ander uitleg,' vroeg de dokter, 'of doe je dat zelf?'
'Ik doe het zelf, meneer, u heeft al genoeg gedaan voor mij. Nogmaals bedankt.'
De dokter drukte Jaap de hand en liep, na de anderen gegroet te hebben naar buiten.
'Wat is er gebeurd?' wilde Jan weten. Jaap deed zijn mond open in een poging om wat te zeggen, maar er kwamen geen woorden. Zijn antwoord zou nieuwe vragen oproepen en daar was hij niet aan toe. Nog niet.
Meijer zag zijn hapering en sprong handig in. 'Meneer Bloemendael, heeft u even een momentje voor mij?' Hij loodste Jan de ruimte uit, en op een rustig plekje in de hal begon hij met hem te praten. Hij legde uit wat er die ochtend allemaal had plaatsgevonden, en gaf hetgeen hij van Sander had vernomen zo goed mogelijk weer. Ook het advies van de dokter gaf hij door en besloot met: 'Geeft u hem alstublieft nog enkele uren voordat hij met zijn verhaal komt. Ik weet zeker dat hij zal gaan praten.'
Met grote vraagtekens op zijn gezicht keek Jan hem aan en stemde toe. Samen liepen ze weer terug.
'Wilt u dat Leon nu ook mee naar huis gaat?' vroeg Meijer.
'Ja, dat lijkt me wel het beste. Hij heeft nu nog niets vernomen, begrijp ik, maar straks zal hij ongetwijfeld allerlei geruchten opvangen.'
Meneer Meijer zocht in een computer het lesrooster van Leon. Daarna pleegde hij een telefoontje.
Binnen twee minuten werd Leon door een leraar in opleiding afgeleverd bij de werkplek van de conciërges. 'Wat is er gebeurd?' vroeg hij meteen bij binnenkomst.
'Later, Leon. Later vandaag zullen we je alles uitleggen,' bracht zijn vader hem tot rust.
'Zeg,' begon Harmsen, en hij knikte naar Marianne en Leon 'als jullie nu even meelopen, dan zetten we jullie fietsen in het berghok neer. Daar staan ze veilig. En Sander als jij even wilt helpen met de fiets van Jaap?'
Sander stemde toe en vroeg Jaap om zijn fietssleutel. Nadat hij deze gekregen had, ging het viertal op weg.
Jan begreep er niets van. Allerlei vragen hadden door zijn hoofd gespookt vanaf het moment dat hij het telefoontje had ontvangen, en nu … nu werden de vragen alleen maar groter. Tijd om lang na te denken had hij echter niet, want al snel was het groepje weer terug. 'Dan moeten we nu maar eens naar huis gaan,' zei hij met een diepe zucht.
Voorzichtig stond Jaap op en schudde uitgebreid de handen van meneer Meijer en meneer Harmsen, en liet de laatste beloven dat hij ook meneer Tamsma zou bedanken. Toen liep hij met voorzichtige, kleine stappen met de anderen mee naar buiten. Bij de auto aangekomen stond hij zijn vaste plaats naast zijn vader af aan zijn zus. Op de achterbank kroop hij in een hoekje weg.
Op weg naar huis had ieder zo zijn eigen gedachten. Jan begreep maar niet wat zijn zoon al die tijd voor hen verzwegen had, en waarom het nu zo moeilijk was om erover te praten.
Marianne zag nog steeds het ontzettend bleke gezicht van haar broer tussen die twee grote mannen in voor zich. Leon begreep van dit alles helemaal niets. Zijn broer zag er niet echt lekker uit, maar Marianne ook niet echt. De enige die niet dacht was Jaap. Tijdens een godsdienstles was er begin dit schooljaar een Zen-boeddhist op bezoek geweest, en die had de leerlingen een vorm van meditatie geleerd. Als je heel bewust je adem volgde, zou je heel rustig kunnen worden. En dat paste Jaap nu toe. Hij ademde diep in, liet zijn adem langzaam uit en telde daarbij 1, vervolgens op de volgende uitademing 2 en zo verder tot de 10. Het lukte hem goed, en hij begon weer opnieuw. Af en toe waren er kleine gedachten, maar hij ging er niet op in, liet ze als wolkjes voorbij gaan, net zoals de man hen gezegd had.
Wordt vervolgd...
Met de versnelling in de hoogste stand en inspanning van al zijn krachten had Jaap de afstand naar zijn school in supersnelle tijd afgelegd. Nog voor de bel ging, zette hij zijn fiets in het fietsenhok neer. Maar toen ineens leek hem alle moed weer in de schoenen te zakken. Ineens was het denken er weer. Het denken dat hij tijdens de inspanning geen plaats had gegund, duwde zich nu weer prominent op de voorgrond. Hij werd er moedeloos van en sjokte naar zijn vrienden toe.
'Hé, ben je daar eindelijk!' werd hij verwelkomd.
'Je zus zei dat je de bokkenpruik ophad, laat eens even controleren,' en David sloeg een arm om zijn nek heen en trok hem speels aan zijn haren. 'Nee, geen pruik. Wat mankeert je vandaag, man? Je bent nooit zo laat?'
'Wil je soms van je brave imago af?' vroeg Simon.
De bel ging en Jaap prees zich gelukkig dat hij geen antwoorden hoefde te geven. Een stoet leerlingen verplaatste zich van het plein de school in en er werd, zoals gebruikelijk, flink geduwd en getrokken. Daarna was het voor Jaap en zijn klasgenoten vier trappen op naar de tweede verdieping, lokaal 212. Mevrouw Snoeken, hun wiskundelerares, stond reeds op hen te wachten. Na de tweede bel sloot ze de deur en een ieder die een dichte deur tegenkwam, wist dat hij of zij eerst een "te laat briefje" zou moeten ophalen. Drie keer te laat komen, betekende automatisch straf.
Jaap zat naast Sander, zijn beste kameraad. Hij kende hem al vanaf de box. In die tijd hadden ze naast elkaar in Hoogeveen gewoond en hun ouders konden toen en nu nog steeds heel goed met elkaar overweg. Samen waren ze daarna naar de peuterspeelzaal gegaan, en daarna naar groep 1 van de basisschool. Toen de jongens in groep 3 hadden gezeten, waren Sanders ouders buiten Hoogeveen gaan wonen, maar Sander bleef gelukkig op dezelfde school. Ook waren ze beiden lid van dezelfde voetbalclub, en naast al die gezamenlijke dingen trokken ze ook heel veel met elkaar op. Ze waren echte vrienden. Mevrouw Snoeken behandelde een nieuw onderwerp dat volgens haar eigen woorden erg belangrijk was voor het examen van het volgende jaar. Jaap vond haar een uitstekende lerares en mocht haar graag. Ze wist je altijd te boeien, zelfs als de lesstof saai was, maar vandaag … vandaag niet. Al snel dwaalde de aandacht van Jaap af en kwamen al die vervelende gedachten weer naar boven. Moest hij het eigenlijk wel vertellen? Zou het niet veel beter zijn om gewoon zijn mond te houden en af te wachten?
'Jaap, zou je heel misschien ook op kunnen letten? Het gebeurt hier en niet buiten hoor!' Jaap mompelde een verontschuldiging en Sander stootte hem aan.
'Wat heb je, man? Waarom ben je zo afgeleid?'
'Sander, alsjeblieft! Ik wil verder met mijn les. Mag ik misschien?'
'Natuurlijk, mevrouw. Het spijt me.'
De lerares begon weer te praten, en af en toe schreef ze het een en ander op het bord. Jaap deed zijn uiterste best om er bij te blijven, maar al die gedachten kwamen zowat zijn oren uit. Zijn hoofd begon pijn te doen en ook zijn maag speelde weer op. Waarom had hij dan ook zo weinig gegeten? Maar ja, hij had echt niets meer naar binnen kunnen krijgen! En zo dwaalde hij langzaam weer af van hetgeen waarnaar hij had moeten luisteren.
'Jaap Bloemendael! Misschien, heel misschien is hetgeen ik te vertellen heb ook belangrijk voor jou dus …?'
Jaap slaakte een putdiepe zucht. Opnieuw kreeg hij een por van Sander en de blik die hij hem toewierp was overduidelijk. Jaap wendde zijn gezicht af en nam zich opnieuw voor om zijn aandacht bij de les te houden.
De schreeuw die hem deed opschrikken, maakte hem duidelijk dat hij opnieuw was weggezonken in die vreselijke gedachten van hem.
'Jaap, kom maar een briefje halen en ga maar kijken hoe mooi het uitzicht vanuit lokaal 121 is.'
Jaap stond op, veegde de spullen van zijn tafeltje in zijn rugzak, pakte deze op en liep sloom in de richting van het bureau van mevrouw Snoeken. Hij nam het protocol van haar aan.
'Het spijt me, mevrouw.'
'Ik geloof je meteen, Jaap, maar daar heb ik nu even niets aan.'
Hij begreep het volkomen, liep de klas uit, de gang op en naar het trappenhuis toe. Een verdieping lager was lokaal 121. Een lokaal waar je in de regel beter niet kon komen, hoewel ook nu de deur uitnodigend open stond. In dit lokaal was altijd een van de leerjaarcoördinatoren aanwezig. Bij toerbeurt hielden zij hier toezicht op uit de les gestuurde leerlingen, en verder behandelden zij ook de aanvragen voor bijzonder verlof voor bijvoorbeeld bezoeken aan tandarts, huisarts en dergelijke. Jaap liep het lokaal binnen en zag dat er verder geen "stoute leerlingen" waren.
'Hé, Jaap,' werd hij begroet. 'Kom je iets afgeven?'
'Ja, zo zou je het ook kunnen noemen,' reageerde Jaap op een droge manier. Hij haalde het brief dat zijn lerares hem gegeven had uit zijn broekzak en legde dat bij meneer Meijer op het bureau.
'Wat? En dat van jou?' Met grote vraagtekens op zijn gezicht keek de coördinator Jaap aan.
'Ja. Kan er ook niets aan doen.' Meijer raadpleegde zijn computer.
'Je bent hier nu al vier jaar op school, en dit is je allereerste keer dat … Wat heb je uitgespookt? Ga zitten!'
Jaap ging zitten op de stoel naast het bureau en vertelde wat er gebeurd was.
'Ai! En dat bij mevrouw Snoeken. Weet je dat wij hier haast nooit leerlingen krijgen die er bij haar uitgestuurd zijn?'
'Het ligt ook echt niet aan haar, hoor. Het is gewoon mijn eigen fout. Ik ben er niet helemaal bij vandaag.'
'Heb je problemen? Of is er iets anders?'
Jaap keek de man aan en overdacht heel even de mogelijkheid om er met hem over te praten. Meneer Meijer moest het haast gemerkt hebben, want hij ging snel verder.
'Je weet dat je altijd met mij kunt praten, hè?'
Jaap knikte.
'Praten kan soms heel effectief zijn. Weet je nog wel toen je vader twee jaar geleden zo ziek was. Toen ben je ook bij mij komen praten, en later heb je me verteld dat dat je goed had gedaan.'
'Dat deed het ook, meneer. Echt!'
'Maar, nu wil je niet praten?'
Jaap schudde het hoofd. Nee, niet met Meijer.
'Oké, je weet de regels wel denk ik.'
Jaap knikte. Natuurlijk kende hij de regels. Hij zou tot het eind van de reguliere lestijd hier moeten blijven, en zou dan een brief – een protocol genaamd – meekrijgen voor zijn ouders. Op die brief stond meteen ook de straf aangegeven en die was in de regel 1 uur terugkomen. Jaap zocht een plaatsje bij het raam uit en keek naar buiten. Meteen was hij weer weg. Zijn hoofd bonkte en de spieren in zijn nek begonnen pijnlijk te worden, en die verdomde maagpijn werd steeds heviger. De bel verloste hem uit die steeds vervelender wordende gedachtespinsels, en moeizaam kwam hij in beweging. Meijer overhandigde hem de brief, maar liet die niet meteen los.
'Volgens mij heb je grote problemen, Jaap. Het spijt me, maar ik heb je lang in de gaten gehouden en you’ve got serious troubles, kid!'
Jaap sloeg zijn ogen neer. 'Ik moet naar mijn les, meneer.'
Meijer liet de brief los, en gaf hem nog de mededeling mee dat hij de brief niet moest vergeten af te geven, en dat hij vanavond naar huis zou bellen om te controleren of de brief afgegeven was: standaardprocedure.
'Hé, Bloemendael,' begon Simon toen hij bij het lokaal aankwam waar ze Nederlands hadden, 'je bent echt van plan om je imago te verbeteren, hé.'
'Ach, hou toch je kop!' beet Jaap van zich af. 'Je weet er helemaal niets van, dus bemoei je er dan ook niet mee.' Gut, wat zouden ze nou wel weer niet van hem denken. Nooit, nog nooit had hij zo tegen zijn klasgenoten gepraat, en nu … De tranen sprongen hem haast in de ogen, maar hij zou niet gaan janken. Zeker niet janken! Gelukkig was de leraar op tijd en konden ze meteen het lokaal in. Sander begon tegen hem te praten, maar ook die wees Jaap op zijn plaats. 'Nee, ik heb niets. Dus laat me met rust. Dat is het enige dat ik wil!' De les begon en het was ontzettend moeilijk voor Jaap om zich te concentreren. De man las een oervervelend verhaal voor, en hij was heus niet de enige wiens gedachten afdwaalden, maar hij was toevallig wel degene die door een onverwachte armbeweging zijn etui van het tafeltje stootte.
'Donder maar op, Bloemendael. Maak maar dat je wegkomt!'
Woest sprong Jaap op en dit keer liep hij met grote stappen naar voren. Hij rukte het briefje zowat uit de handen van de leraar en sloeg de deur met een klap achter zich dicht. 'Verdomme, verdomme, verdomme,' vloekte hij. In de hal schopte hij keihard tegen een van de klapdeuren. Met grote moeite wist hij zich enigszins te kalmeren, en aangekomen bij lokaal 121 was hij een stuk rustiger geworden.
'Niet alweer hè, Jaap?'
'Ja, alweer! En u hoeft me helemaal niets meer uit te leggen. Ik ken de regels en NEE ik wil niet praten.' Hij smeet het briefje op het bureau van meneer Meijer neer en ging achter in het lokaal zitten. Hij legde zijn hoofd op het tafelblad neer en bedekte het met zijn armen. Helemaal weg wilde hij. Helemaal nergens meer zijn. De tranen begonnen langzaam te komen. De tranen die hij niet gewild had. Verdomme! Waarom kwamen ze dan toch? Wilde dan helemaal niets gaan zoals hij het wilde? Hij hoorde hoe een stoel naast de zijne geschoven werd en ineens was er die arm om hem heen. De arm trok hem tegen zich aan en Jaap gaf zich over. Hij huilde onbedaarlijk. Na een paar minuten stopte hij snikkend. 'Sorry, meneer, dit had ik niet zo bedoeld.'
'Ook dit kan helpen, Jaap. Als je dan niet wil praten, heeft dit je misschien iets opgelucht.'
'Dank u, meneer.'
'Ik vraag het nog maar een keer. Weet je zeker dat je niet wilt praten?'
'Ik wil heel graag praten, meneer, maar niet met u. Eerst met mijn ouders en later, later mag u het misschien ook wel weten.'
'En wanneer ga je met ze praten? Want ik heb het idee dat je dit niet lang meer vol kunt houden. Je gaat er met de minuut slechter uitzien, jongen.'
'Vanavond, meneer, en daarom ben ik zo bang.'
'Bang voor je ouders?'
'Nee, niet bang voor hen, maar wel voor hun reactie. Ik weet niet hoe ze erop zullen reageren.' Even hield hij zijn mond en veegde met zijn mouwen de tranen uit zijn ogen. 'Hoe kun je nou weten hoe je ouders zullen reageren als jij hun vertelt dat …'
'Heb vertrouwen in ze, jongen. Ouders kunnen heel wat aan, en ik weet een beetje uit wat voor nest je komt, en echt geloof me, ik heb het idee dat jij het te donker inziet.'
'Maar het is zoiets verschrikkelijks …'
'Weet je zeker dat je het niet verkeerd inschat?'
'Ik kan me gewoon niet voorstellen dat ze het niet vreselijk zullen vinden. Het is zo in strijd met … met alles.' De bel maakte een eind aan hun gesprek.
'Het is pauze, maar denk je niet dat het beter is om naar huis te gaan?'
'Nee, dan ga ik misschien nog meer denken. Ik moet proberen bezig te blijven.' Meijer stond op en Jaap ook. 'Mag ik een nieuwe protocolbrief van u?'
'Ik denk niet dat we dat moeten doen. Doe mij die eerste maar terug. Ik geloof dat hier sprake is van iets waarvoor wij als opvoeders geen straf moeten gaan geven. Maar beloof me een ding!'
'En dat is?'
'Stel het gesprek van vanavond niet uit, Jaap, want dat zou niet goed voor je zijn! Ik hoop voor je dat alles meer dan honderd procent meevalt, en dat je vrijdagochtend, morgen hebben jullie immers vrij, als je het eerste uur van mij les hebt met een brede glimlach mijn lokaal binnen komt zetten.'
Sander wachtte bij het begin van de kantine op Jaap en zag hem maar steeds niet komen. Waar blijft die knakker nou toch, dacht hij. Hij rekte zich zo ver mogelijk uit om over de mensenmassa heen te kijken en eindelijk, heel in de verte, zag hij zijn kameraad aankomen. Wachten kon hij niet meer en dus waagde hij het om tegen de menigte in te lopen. Met flink wat ellebogenwerk lukte het hem aardig, en toen hij vlak voor Jaap stond, schrok hij zich naar.
'Man, wat zie jij eruit?'
'Ik voel me niet goed.'
'Nee, dat kan ik me voorstellen. Als ik er zo uitzag …' Sander slikte de woorden die hij had willen zeggen in, omdat hij begreep dat Jaap niet zat te wachten op een van zijn grapjes. 'Waar heb je last van?'
'Je kunt beter vragen waar ik geen last van heb. Mijn kop staat op barsten, mijn maag doet zeer en ook al mijn spieren.'
'Griep?'
'Nee, ik denk het niet.' Gezamenlijk liepen ze naar de kantine waar de andere jongens van de klas plaatsen voor hen vrijgehouden hadden. Het tumult rond Jaap bleef aanhouden omdat iedereen zich met zijn slechte conditie begon te bemoeien.
Sander vroeg hem of hij wel voldoende had gegeten die ochtend, en toen Jaap vertelde dat hij niets door zijn keel had kunnen krijgen, maakte Sander Jaaps tas open, zag zijn broodtrommel en appel, en bood hem die laatste aan. 'Probeer die dan op te eten tenminste.'
Manmoedig nam Jaap een hap en begon te kauwen. Hij slikte de eerste stukken door en voelde hoe zijn maag begon op te spelen. Toch nam hij nog een hap, en nog een. Ineens sprong hij overeind en rende weg.
'Pas op onze tassen,' riep Sander en rende hem achterna. Sander wist precies waar Jaap heen rende en kwam maar eventjes na hem de toiletruimte binnen. 'Jaap! Waar ben je?' riep hij. Hij hoorde gebonk op de deur en daarachter gigantisch zwaar ademhalen. 'Gaat het wel goed?'
'Ja, ik geloof het wel.'
Sander keek onder de deur door en zag hoe Jaap daar op zijn knieën voor de pot zat. Even later zag hij hoe Jaap weer in de benen kwam. En toen … toen stortte hij ineens ineen en kwam met een klap tegen de deur terecht. Hevige paniek maakte zich van hem meester … maar ook onmacht. Wat moest hij doen? Hij deed het eerste wat hem te binnenschoot en begon keihard om hulp te roepen: 'HELP, HELP, HELP!' En daarna rende hij de toiletten uit en naar de hal. Daar schoot hij meteen een conciërge aan. 'Snel, meneer Tamsma, Jaap Bloemendael is in de toiletten flauwgevallen.' Tamsma vroeg hem welke toiletten en zette het toen op een lopen. Sander kon de man bijna niet bijhouden. Eerst klopte hij op de deur om te kijken of Jaap intussen weer bijgekomen was, maar toen klom hij lenig over de wand heen en liet zichzelf binnen. Van binnenuit opende hij de deur en liet Jaap die tegen de deur had gelegen voorzichtig naar beneden zakken waarbij hij zijn stofjas als kussen voor Jaaps hoofd gebruikte. Bij de ingang van de toiletten had zich intussen een grote groep nieuwsgierigen verzameld. Tamsma maakte Jaaps overhemd los en legde zijn oor op zijn borstkas.
'Hmmm,' zei hij zachtjes, 'dat klinkt niet echt lekker.' Trillend als een rietje stond Sander toe te kijken en zag hoe de borst van zijn vriend zwoegend op en neer ging en hoe zijn hart als een gek klopte.
'Hij gaat toch niet …'
'Nee, Sander. Niet als we snel zijn. Ren terug naar meneer Harmsen en laat hem meteen een dokter bellen. Zeg tegen Harmsen dat hij op de bel moet drukken dan verdwijnen die nieuwsgierigen in elk geval.'
Sander rende weg, maar kon met moeite door de gangen komen. Toen ze hem te dicht op de huid zaten en hem allerlei vragen probeerde te stellen, werd hij zo kwaad dat hij om zich heen begon te meppen. 'Als jullie mij nou niet de ruimte geven, gaat er misschien iemand dood! Willen jullie dat soms!' Snel werd er toen ruimte gemaakt. Meneer Harmsen belde meteen een dokter en drukte vijf minuten voordat de automatische bel zou gaan op de bel. De stroom leerlingen kwam in beweging.
'Is het echt Jaap?' hoorde Sander ineens zeggen. Hij draaide zich om en zag Marianne staan.
'Ja! Hij is onderuit gegaan.'
'Zal ik mijn ouders bellen?'
'Misschien moet je even vragen aan Harmsen wat je het beste kunt doen.'
Marianne overlegde met de conciërge die, om nieuwsgierige blikken buiten te sluiten, de jaloezieën van het glazen hok (bijgenaamd "het aquarium") liet zakken. Marianne pakte de telefoon en toetste de cijfers in.
Sander liep terug naar de toiletruimte. Tamsma zat nog steeds naast Jaap, en ook meneer Meijer was er nu. Ze praatten op fluisterende toon met elkaar. Sander kwam binnen en kuchte om hen te laten merken dat hij terug was. 'De dokter is onderweg,' zei hij. Op afstand bleef hij staan.
Meijer kwam overeind en liep naar hem toe. 'Dat moet schrikken geweest zijn, Sander.'
'Ja, meneer. Heel erg.'
'Straks als alles achter de rug is, belt een van ons je ouders en laten we je ophalen.'
'Maar, meneer …'
'Nee, je doet wat ik zeg! Ik doe dit voor jou. Een dergelijk voorval gaat niemand in de koude kleren zitten, jongen. Ook jou niet. Ook al ben je jong, sterk, stoer, en wat al niet.'
Sander glimlachte en bedankte hem. Op dat moment meldde de dokter zich. Meteen knielde hij naast het lichaam van Jaap en begon hem te onderzoeken, terwijl hij meneer Tamsma een aantal vragen stelde. Bij een van de vragen knikte de conciërge met zijn hoofd in de richting van Sander.
'Jij hebt hem gevonden, jongeman?'
'Ja, meneer.'
'Weet je wat er met hem aan de hand is?'
'Nee, meneer. Hij zei dat hij zich niet lekker voelde. Pijn in zijn hoofd, zijn maag en al zijn spieren deden zeer, dat zei hij tenminste.'
Meneer Meijer liep naar de dokter toe en ging op zijn hurken naast hem zitten. Zachtjes begon hij te vertellen.
Sander kon niet alles verstaan, maar hij ving wel flarden op. "Hij had problemen … moest ergens over praten … bang … bang voor reactie …" Hij begreep er niets van.
'Dan lijkt het mij wel duidelijk. Zijn de ouders gewaarschuwd.' Iedereen keek elkaar aan.
'Ja, meneer. Marianne, de zus van Jaap, heeft naar huis gebeld.'
'Oké, dan zal ik hem even bijbrengen.' De arts haalde een ampul uit zijn tas, brak het en deed de vloeistof op een watje dat hij onder Jaaps neus duwde. Meteen sloeg hij de ogen op.
'Ik moet …' reageerde Jaap prompt en wilde rechtop gaan zitten.
'Nee, jongen, jij moet helemaal niets meer. Jij blijft hier even rustig liggen tot je weer wat op adem bent, en dan moet je eerst goed naar mij luisteren.'
'Heeft u mij nog nodig, dokter,' vroeg meneer Tamsma.
'Nee, dank u wel, u heeft uitstekend gehandeld. Knap werk.'
De conciërge stond op en liep weg. Bij de ingang naar de toiletten klopte hij Sander op zijn schouder en zei: 'Hé, ik ga je ouders even bellen.'
Jaap lag op de grond en had zijn ogen weer gesloten. Hij voelde zich zo verschrikkelijk stom. Wie valt er nou in vredesnaam flauw. Maar tegelijkertijd realiseerde hij zich ook dat hij helemaal maar dan ook helemaal niets meer in de hand had gehad. Dingen waren ineens gebeurd voordat hij er iets aan kon doen. De dokter gaf hem een tikje en vroeg of hij luisterde. 'Ja, meneer.'
'Ik heb begrepen dat jij met een behoorlijke dosis spanning rondloopt.'
Jaaps ogen gleden van de arts naar de coördinator toe.
'Ik heb verteld wat ik wist, Jaap, omdat de arts het nodig had voor zijn diagnose. Ik ken je verhaal niet. Ik heb de arts alleen maar verteld dat je een probleem hebt. In jouw belang.'
'Nu is spanning op zich helemaal niet erg,' ging de dokter verder, 'iedereen heeft daar wel eens last van. Een proefwerk, een tentamen, een bezoek aan de tandarts. Maar al dat soort spanning verdwijnt als het eenmaal achter de rug is, en is bovendien vaak maar van korte duur. Ik heb het idee dat die spanning van jou te lang heeft gezeten, jong! Je moet ervan af zien te komen. Spanning moet je zien te kanaliseren, moet je zien kwijt te raken, en ik heb begrepen dat je dat ook van plan bent. Nou moet je het volgende gaan doen.'
Jaap keek hem strak aan.
'Ik heb hier een doosje waarin twee tabletten zitten. Het is een geweldig middel. Het helpt je zo van de been. Straks als je thuis bent en in je bed ligt, neem je één zo’n tablet. Je zult er heerlijk op slapen, je hebt niet eens meer de tijd om nog ergens aan te denken. Als je dan wakker wordt, ga je meteen datgene doen wat je van plan was. En dan is het aan jou of je besluit om nadien die tweede pil nog te nemen. Heb je mij begrepen?'
Jaap knikte. 'Dank u, meneer. Sorry dat ik …'
'Je hoeft geen excuses te maken. Je ouders krijgen de rekening wel, en reken maar dat zo’n bezoek op school heel wat kost.' Hij lachte en liet Jaap toen rechtop zitten. Nadat hij een tijdje gezeten had, mocht hij onder toezicht van de arts opstaan. Meijer aan de ene en de dokter aan de andere kant, zo liepen ze in de richting van de hal. In de loge van de conciërges zetten ze hem op een stoel neer. Hij kon de schrik op het gezicht van Marianne lezen toen ze naar hem keek. Ze liep op hem toe en omhelsde hem. Verdomme, dacht Jaap, nu heb ik haar, alsof alles al niet erg genoeg is, ook nog laten schrikken. De jaloezieën in de werkruimte van de conciërges waren nog steeds naar beneden en daarom had niemand Jaaps vader aan zien komen. Pas toen hij op de bel drukte en meneer Harmsen ging kijken wie er voor de deur stond, zag Jaap hem staan.
Jan zag zijn zoon en ging gehurkt naast hem zitten. 'Alles goed?' vroeg hij.
'Beter dan het was,' antwoordde Jaap met een zacht stemmetje.
'Wil je dat ik het een en ander uitleg,' vroeg de dokter, 'of doe je dat zelf?'
'Ik doe het zelf, meneer, u heeft al genoeg gedaan voor mij. Nogmaals bedankt.'
De dokter drukte Jaap de hand en liep, na de anderen gegroet te hebben naar buiten.
'Wat is er gebeurd?' wilde Jan weten. Jaap deed zijn mond open in een poging om wat te zeggen, maar er kwamen geen woorden. Zijn antwoord zou nieuwe vragen oproepen en daar was hij niet aan toe. Nog niet.
Meijer zag zijn hapering en sprong handig in. 'Meneer Bloemendael, heeft u even een momentje voor mij?' Hij loodste Jan de ruimte uit, en op een rustig plekje in de hal begon hij met hem te praten. Hij legde uit wat er die ochtend allemaal had plaatsgevonden, en gaf hetgeen hij van Sander had vernomen zo goed mogelijk weer. Ook het advies van de dokter gaf hij door en besloot met: 'Geeft u hem alstublieft nog enkele uren voordat hij met zijn verhaal komt. Ik weet zeker dat hij zal gaan praten.'
Met grote vraagtekens op zijn gezicht keek Jan hem aan en stemde toe. Samen liepen ze weer terug.
'Wilt u dat Leon nu ook mee naar huis gaat?' vroeg Meijer.
'Ja, dat lijkt me wel het beste. Hij heeft nu nog niets vernomen, begrijp ik, maar straks zal hij ongetwijfeld allerlei geruchten opvangen.'
Meneer Meijer zocht in een computer het lesrooster van Leon. Daarna pleegde hij een telefoontje.
Binnen twee minuten werd Leon door een leraar in opleiding afgeleverd bij de werkplek van de conciërges. 'Wat is er gebeurd?' vroeg hij meteen bij binnenkomst.
'Later, Leon. Later vandaag zullen we je alles uitleggen,' bracht zijn vader hem tot rust.
'Zeg,' begon Harmsen, en hij knikte naar Marianne en Leon 'als jullie nu even meelopen, dan zetten we jullie fietsen in het berghok neer. Daar staan ze veilig. En Sander als jij even wilt helpen met de fiets van Jaap?'
Sander stemde toe en vroeg Jaap om zijn fietssleutel. Nadat hij deze gekregen had, ging het viertal op weg.
Jan begreep er niets van. Allerlei vragen hadden door zijn hoofd gespookt vanaf het moment dat hij het telefoontje had ontvangen, en nu … nu werden de vragen alleen maar groter. Tijd om lang na te denken had hij echter niet, want al snel was het groepje weer terug. 'Dan moeten we nu maar eens naar huis gaan,' zei hij met een diepe zucht.
Voorzichtig stond Jaap op en schudde uitgebreid de handen van meneer Meijer en meneer Harmsen, en liet de laatste beloven dat hij ook meneer Tamsma zou bedanken. Toen liep hij met voorzichtige, kleine stappen met de anderen mee naar buiten. Bij de auto aangekomen stond hij zijn vaste plaats naast zijn vader af aan zijn zus. Op de achterbank kroop hij in een hoekje weg.
Op weg naar huis had ieder zo zijn eigen gedachten. Jan begreep maar niet wat zijn zoon al die tijd voor hen verzwegen had, en waarom het nu zo moeilijk was om erover te praten.
Marianne zag nog steeds het ontzettend bleke gezicht van haar broer tussen die twee grote mannen in voor zich. Leon begreep van dit alles helemaal niets. Zijn broer zag er niet echt lekker uit, maar Marianne ook niet echt. De enige die niet dacht was Jaap. Tijdens een godsdienstles was er begin dit schooljaar een Zen-boeddhist op bezoek geweest, en die had de leerlingen een vorm van meditatie geleerd. Als je heel bewust je adem volgde, zou je heel rustig kunnen worden. En dat paste Jaap nu toe. Hij ademde diep in, liet zijn adem langzaam uit en telde daarbij 1, vervolgens op de volgende uitademing 2 en zo verder tot de 10. Het lukte hem goed, en hij begon weer opnieuw. Af en toe waren er kleine gedachten, maar hij ging er niet op in, liet ze als wolkjes voorbij gaan, net zoals de man hen gezegd had.
Wordt vervolgd...