Beter dan iemands leven verpesten, deel 2.
Geplaatst: wo 30 jul 2025, 06:54
De maandag na de klasse-barbecue gaat Jan-Willem toch wel een beetje bang naar school. Hij heeft geen flauw idee hoe de rest van zijn klas heeft gereageerd op de actie van zijn zes klasgenoten. Hij merkt helemaal niets. Er wordt niet anders dan anders gereageerd. Dat stelt hem wel wat gerust.
In de middagpauze blijft Edwin wat achter als de andere klasgenoten naar buiten gaan. Hij wacht Jan-Willem op en vertelt hij hoe het gegaan is. Met zijn zessen hebben ze een tekst voor een app-bericht opgesteld. Die hebben ze zaterdag om twaalf uur verzonden. Er is daarna die dag helemaal niets meer gebeurd. Pas de volgende dag hebben ze een reactie gekregen dat het erg jammer was dat zij er niet bij waren en dat de rest van de klas er over wil praten. Of zij dat ook willen. Ze hebben zondag overlegd en daarna gereageerd dat zij dat ook willen, mits jij er ook bij mag zijn en het onder leiding van een leraar gebeurt. Daarna hebben ze geen reactie meer gekregen. Er is kennelijk een nieuwe klasse-app gemaakt waar zij niet in zitten, want in de klasse-app is niets meer geschreven.
Jan-Willen is blij met deze gang van zaken. “Denk jij dat ze dat willen?” vraagt hij Edwin. Die haalt zijn schouders op. “We wachten gewoon af. Indien ze het zonder leraar willen, willen wij het niet. Wij willen wel een eerlijke kans hebben.”
Het blijft een paar dagen rustig. Intussen is er op de klasse-app helemaal niets meer gebeurd. Dan begint er iets anders: enkele klasgenoten beginnen de zes te pesten. “Homo-vriendje, homo-vriendinnetje”. Of: “Hé, jij bent zeker ook homo? Je neemt het op voor een homo.” Jan-Willem houdt zich wat afzijdig, op dit moment wordt hij niet gepest. Tot twee klasgenoten bij de kluisjes op hem afkomen, hem zijn rugzak afpakken en alle boeken en andere dingen eruit halen en door de gang gooien. Op dat moment komt de rector de hoek om. Hij blijft kort staan kijken en vraagt dan hardop: “Wat heeft dit te betekenen?” De klasgenoten hadden hem niet zien aankomen. Zij kijken verschrikt op. Hij wijst naar de boeken en zegt: “Oppakken en in de rugzak terugdoen.” Op dat moment komen de andere klasgenoten de hoek om.
De rector kijkt rond en vraagt opnieuw: “Wat is dit allemaal?” Iedereen zwijgt. “Prima, jullie hele klas blijft na het laatste uur in de klas zitten, ik kom dan naar jullie toe. Als je wordt opgehaald of je hebt een afspraak na school, laat dan even weten dat je later bent.”
Wanneer alles in de rugzak van Jan-Willen is terug gestopt (de rector staat er met zijn neus bovenop, dus het moet wel netjes gebeuren) gebaart hij dat iedereen naar de klas kan gaan. Hij loopt achter hen aan en wacht tot iedereen in de klas zit. Dan overlegt hij even met de leraar en vertrekt.
Er zijn nog twee lesuren. Tussen de twee lessen wordt onderling het nodige gefluisterd. Dan komt het moment dat de laatste les is afgelopen. Als de bel gaat zegt de leraar: “Jullie weten dat jullie allemaal moeten blijven zitten. De rector komt eraan en omdat ik jullie mentor ben heeft hij gevraagd of ik ook blijf."
Hij heeft dat nog niet gezegd of de rector stapt de klas binnen. Hij kijkt rond en zegt dan: “Ik wil heel graag weten wat hier in de klas aan de hand is. Ik heb vanmiddag zelf het één en ander gezien, ik heb de afgelopen tijd van collega’s het een en ander gehoord en ik wil graag weten hoe dat allemaal precies zit. Jullie twee” (en hij wijst de twee jongens aan die de spullen uit de tas van Jan-Willem door de gang gooiden) “kom naar voren.” Aarzelend stappen de twee jongens naar voren.
“Wat waren jullie aan het doen?”
“Spullen uit zijn rugzak aan het halen.”
“Waarom deden jullie dat?”
Stilzwijgen.
“Hadden jullie een reden?”
Stilzwijgen.
“Had hij” en hij wijst naar Jan-Willem “naar jullie iets gedaan?”
Stilzwijgen.
Dan richt de rector zich tot de klas.
“Is er iemand die duidelijkheid kan verschaffen?”
Jan-Willem vraagt zich af hoe dat verder zal gaan.
Dan staan Edwin en de andere 5 klasgenoten op.
De rector kijkt hen verbaasd aan.
“Kan iemand van jullie woordvoerder zijn?”
Edwin knikt.
De rector zegt tegen de twee boekengooiers “Gaan jullie maar weer zitten” en vraagt Edwin naar voren te komen.
“Zeg het maar…” nodigt hij Edwin uit.
Die aarzelt wat, zoekt kennelijk naar een begin en steekt dan van wal.
“Jan Willem wordt al bijna een jaar gepest. Daar doet een deel van de klas aan mee. Niet iedereen. En eigenlijk hebben degenen die hem niet pesten hem lang in de steek gelaten. Dat veranderde toen in de klasse-app vorige week een uitnodiging stond voor alle klasgenoten voor een barbecue zaterdagavond. Daar stond bij dat Jan-Willem niet welkom was, met de mededeling: ‘we willen er geen homo bij’. Dat was voor ons zessen, ik bedoel degenen die net zijn gaan staan, reden om de barbecue ook af te zeggen. Als reactie kregen we daarna de mededeling terug dat ze met ons wilden praten. Daar hebben we ja tegen gezegd, met als voorwaarde: met Jan-Willem en een docent erbij. Toen werd het stil. Vandaag begon het pesten naar ons, naar ons alle zes, en kennelijk ook opnieuw het pesten van Jan-Willem. Dat is wat er gebeurd is.”
“Dank je wel voor je openheid. Wil er iemand van jullie nog iets toevoegen?” vraagt hij kijkend naar de andere vijf.
Iedereen schudt zijn hoofd.
“Kortom: het gaat hier om klassikaal pesten, op een groep na die niet mee heeft gedaan. Het moge duidelijk zijn dat wij dat als school niet kunnen tolereren. De school moet veilig zijn voor iedereen. Ik heb al gezien dat jullie morgen een tussenuur hebben. Ik verwacht jullie allemaal morgen in dat tussenuur in lokaal B12. Dan zullen we er met elkaar over doorpraten. En graag wil ik dat de zeven klasgenoten die niet bij de barbecue zijn geweest nog even blijven. De rest kan nu gaan.”
Jan-Willem ziet de klas leeglopen tot ze met zijn zevenen over zijn plus de rector en hun mentor.
“Komen jullie even vooraan bij elkaar zitten?” vraagt de rector.
Iedereen gaat vooraan in de klas zitten.
“Dat Jan-Willem gepest werd weten we al een tijdje. Op zijn verzoek hebben we geprobeerd daar zo onopvallend mogelijk iets aan te doen, door als leraren langer in de klas te blijven bij pauzes, door al in de klas te zijn als een les begint en door vaker over het schoolplein en door de aula en gangen te lopen. We hebben het idee dat dit wel geholpen heeft. Klopt dat, Jan-Willem?”
“Ja, op school werd het duidelijk minder, in de klasse-app en buiten school werd het meer.”
“Jullie zeggen dat de barbecue voor jullie de druppel was. Kunnen jullie daar iets meer over zeggen?”
Het groepje kijkt elkaar aan. Eén van de meisjes knikt en reageert.
“Wij zijn allemaal bang om gepest te worden. Daar hebben we allemaal wel een reden voor. Sommigen van ons denken dat ze zijn als Jan-Willem: homo of lesbisch. We hebben bij Jan-Willem gezien wat er gebeurt als dat bekend wordt. Het openlijk voor hem opnemen was echt heel ingewikkeld. Want al heel snel wordt jij ook gepest: je zal dan wel het vriendje of vriendinnetje van Jan-Willem zijn. Daarom moest er iets zijn waar we meer als groep op konden reageren. Die kans hadden we nu en die hebben we gepakt. We hebben met elkaar overlegd en besloten er niet naar toe te gaan met een verklaring waarom niet. We hoopten dat het met een groep niet tot pesten zou komen, maar helaas is dat wel gebeurd. We hadden ook afgesproken dat we naar de vertrouwenspersoon zouden gaan als we wel gepest zouden gaan worden. U was ons net voor.”
“Dank je wel. Ik ga overleggen hoe we het morgen aan gaan pakken. Is er nog iemand die iets wil toevoegen?”
De rector kijkt het groepje rond en ziet dat iedereen zijn hoofd schudt. “Dan zou ik zeggen: tot morgen.”
Als Jan-Willem de klas uit wil gaan wordt hij teruggeroepen.
“Jan-Willem, wat vind je hier van?”
“Dat weet ik nog niet. Misschien dat er nu iets verandert. Dat zien we na morgen wel.”
“Wij gaan ons best doen. Ik hoop dat het ons lukt, Jan-Willem” voegt de mentor er aan toe.
Thuis, onder het eten, vertelt Jan-Willem wat er op school is gebeurd. Met elkaar komen ze tot de conclusie dat dit een goed moment is om iets te veranderen. Ze zijn heel benieuwd wat de rector van plan is.
In de middagpauze blijft Edwin wat achter als de andere klasgenoten naar buiten gaan. Hij wacht Jan-Willem op en vertelt hij hoe het gegaan is. Met zijn zessen hebben ze een tekst voor een app-bericht opgesteld. Die hebben ze zaterdag om twaalf uur verzonden. Er is daarna die dag helemaal niets meer gebeurd. Pas de volgende dag hebben ze een reactie gekregen dat het erg jammer was dat zij er niet bij waren en dat de rest van de klas er over wil praten. Of zij dat ook willen. Ze hebben zondag overlegd en daarna gereageerd dat zij dat ook willen, mits jij er ook bij mag zijn en het onder leiding van een leraar gebeurt. Daarna hebben ze geen reactie meer gekregen. Er is kennelijk een nieuwe klasse-app gemaakt waar zij niet in zitten, want in de klasse-app is niets meer geschreven.
Jan-Willen is blij met deze gang van zaken. “Denk jij dat ze dat willen?” vraagt hij Edwin. Die haalt zijn schouders op. “We wachten gewoon af. Indien ze het zonder leraar willen, willen wij het niet. Wij willen wel een eerlijke kans hebben.”
Het blijft een paar dagen rustig. Intussen is er op de klasse-app helemaal niets meer gebeurd. Dan begint er iets anders: enkele klasgenoten beginnen de zes te pesten. “Homo-vriendje, homo-vriendinnetje”. Of: “Hé, jij bent zeker ook homo? Je neemt het op voor een homo.” Jan-Willem houdt zich wat afzijdig, op dit moment wordt hij niet gepest. Tot twee klasgenoten bij de kluisjes op hem afkomen, hem zijn rugzak afpakken en alle boeken en andere dingen eruit halen en door de gang gooien. Op dat moment komt de rector de hoek om. Hij blijft kort staan kijken en vraagt dan hardop: “Wat heeft dit te betekenen?” De klasgenoten hadden hem niet zien aankomen. Zij kijken verschrikt op. Hij wijst naar de boeken en zegt: “Oppakken en in de rugzak terugdoen.” Op dat moment komen de andere klasgenoten de hoek om.
De rector kijkt rond en vraagt opnieuw: “Wat is dit allemaal?” Iedereen zwijgt. “Prima, jullie hele klas blijft na het laatste uur in de klas zitten, ik kom dan naar jullie toe. Als je wordt opgehaald of je hebt een afspraak na school, laat dan even weten dat je later bent.”
Wanneer alles in de rugzak van Jan-Willen is terug gestopt (de rector staat er met zijn neus bovenop, dus het moet wel netjes gebeuren) gebaart hij dat iedereen naar de klas kan gaan. Hij loopt achter hen aan en wacht tot iedereen in de klas zit. Dan overlegt hij even met de leraar en vertrekt.
Er zijn nog twee lesuren. Tussen de twee lessen wordt onderling het nodige gefluisterd. Dan komt het moment dat de laatste les is afgelopen. Als de bel gaat zegt de leraar: “Jullie weten dat jullie allemaal moeten blijven zitten. De rector komt eraan en omdat ik jullie mentor ben heeft hij gevraagd of ik ook blijf."
Hij heeft dat nog niet gezegd of de rector stapt de klas binnen. Hij kijkt rond en zegt dan: “Ik wil heel graag weten wat hier in de klas aan de hand is. Ik heb vanmiddag zelf het één en ander gezien, ik heb de afgelopen tijd van collega’s het een en ander gehoord en ik wil graag weten hoe dat allemaal precies zit. Jullie twee” (en hij wijst de twee jongens aan die de spullen uit de tas van Jan-Willem door de gang gooiden) “kom naar voren.” Aarzelend stappen de twee jongens naar voren.
“Wat waren jullie aan het doen?”
“Spullen uit zijn rugzak aan het halen.”
“Waarom deden jullie dat?”
Stilzwijgen.
“Hadden jullie een reden?”
Stilzwijgen.
“Had hij” en hij wijst naar Jan-Willem “naar jullie iets gedaan?”
Stilzwijgen.
Dan richt de rector zich tot de klas.
“Is er iemand die duidelijkheid kan verschaffen?”
Jan-Willem vraagt zich af hoe dat verder zal gaan.
Dan staan Edwin en de andere 5 klasgenoten op.
De rector kijkt hen verbaasd aan.
“Kan iemand van jullie woordvoerder zijn?”
Edwin knikt.
De rector zegt tegen de twee boekengooiers “Gaan jullie maar weer zitten” en vraagt Edwin naar voren te komen.
“Zeg het maar…” nodigt hij Edwin uit.
Die aarzelt wat, zoekt kennelijk naar een begin en steekt dan van wal.
“Jan Willem wordt al bijna een jaar gepest. Daar doet een deel van de klas aan mee. Niet iedereen. En eigenlijk hebben degenen die hem niet pesten hem lang in de steek gelaten. Dat veranderde toen in de klasse-app vorige week een uitnodiging stond voor alle klasgenoten voor een barbecue zaterdagavond. Daar stond bij dat Jan-Willem niet welkom was, met de mededeling: ‘we willen er geen homo bij’. Dat was voor ons zessen, ik bedoel degenen die net zijn gaan staan, reden om de barbecue ook af te zeggen. Als reactie kregen we daarna de mededeling terug dat ze met ons wilden praten. Daar hebben we ja tegen gezegd, met als voorwaarde: met Jan-Willem en een docent erbij. Toen werd het stil. Vandaag begon het pesten naar ons, naar ons alle zes, en kennelijk ook opnieuw het pesten van Jan-Willem. Dat is wat er gebeurd is.”
“Dank je wel voor je openheid. Wil er iemand van jullie nog iets toevoegen?” vraagt hij kijkend naar de andere vijf.
Iedereen schudt zijn hoofd.
“Kortom: het gaat hier om klassikaal pesten, op een groep na die niet mee heeft gedaan. Het moge duidelijk zijn dat wij dat als school niet kunnen tolereren. De school moet veilig zijn voor iedereen. Ik heb al gezien dat jullie morgen een tussenuur hebben. Ik verwacht jullie allemaal morgen in dat tussenuur in lokaal B12. Dan zullen we er met elkaar over doorpraten. En graag wil ik dat de zeven klasgenoten die niet bij de barbecue zijn geweest nog even blijven. De rest kan nu gaan.”
Jan-Willem ziet de klas leeglopen tot ze met zijn zevenen over zijn plus de rector en hun mentor.
“Komen jullie even vooraan bij elkaar zitten?” vraagt de rector.
Iedereen gaat vooraan in de klas zitten.
“Dat Jan-Willem gepest werd weten we al een tijdje. Op zijn verzoek hebben we geprobeerd daar zo onopvallend mogelijk iets aan te doen, door als leraren langer in de klas te blijven bij pauzes, door al in de klas te zijn als een les begint en door vaker over het schoolplein en door de aula en gangen te lopen. We hebben het idee dat dit wel geholpen heeft. Klopt dat, Jan-Willem?”
“Ja, op school werd het duidelijk minder, in de klasse-app en buiten school werd het meer.”
“Jullie zeggen dat de barbecue voor jullie de druppel was. Kunnen jullie daar iets meer over zeggen?”
Het groepje kijkt elkaar aan. Eén van de meisjes knikt en reageert.
“Wij zijn allemaal bang om gepest te worden. Daar hebben we allemaal wel een reden voor. Sommigen van ons denken dat ze zijn als Jan-Willem: homo of lesbisch. We hebben bij Jan-Willem gezien wat er gebeurt als dat bekend wordt. Het openlijk voor hem opnemen was echt heel ingewikkeld. Want al heel snel wordt jij ook gepest: je zal dan wel het vriendje of vriendinnetje van Jan-Willem zijn. Daarom moest er iets zijn waar we meer als groep op konden reageren. Die kans hadden we nu en die hebben we gepakt. We hebben met elkaar overlegd en besloten er niet naar toe te gaan met een verklaring waarom niet. We hoopten dat het met een groep niet tot pesten zou komen, maar helaas is dat wel gebeurd. We hadden ook afgesproken dat we naar de vertrouwenspersoon zouden gaan als we wel gepest zouden gaan worden. U was ons net voor.”
“Dank je wel. Ik ga overleggen hoe we het morgen aan gaan pakken. Is er nog iemand die iets wil toevoegen?”
De rector kijkt het groepje rond en ziet dat iedereen zijn hoofd schudt. “Dan zou ik zeggen: tot morgen.”
Als Jan-Willem de klas uit wil gaan wordt hij teruggeroepen.
“Jan-Willem, wat vind je hier van?”
“Dat weet ik nog niet. Misschien dat er nu iets verandert. Dat zien we na morgen wel.”
“Wij gaan ons best doen. Ik hoop dat het ons lukt, Jan-Willem” voegt de mentor er aan toe.
Thuis, onder het eten, vertelt Jan-Willem wat er op school is gebeurd. Met elkaar komen ze tot de conclusie dat dit een goed moment is om iets te veranderen. Ze zijn heel benieuwd wat de rector van plan is.