Dezelfde baan. Deel 1. De zwemmer.

Plaats hier je eigen verhalen.
Gesloten
Wimmie
Berichten: 337
Lid geworden op: wo 01 jan 2020, 23:09
Vul het getal in: 123

Dezelfde baan. Deel 1. De zwemmer.

Bericht door Wimmie » do 22 okt 2026, 12:47

Marcel:

Om kwart voor vijf trilt mijn telefoon op het nachtkastje. Nog voor het alarm echt geluid kan maken, leg ik mijn hand erop. Mijn eerste gedachte is dezelfde als bijna elke ochtend: blijf liggen. Mijn tweede wint.

Vijf dagen per week sta ik op dit uur op. Veel leeftijdgenoten zullen me voor gek verklaren, en soms geef ik ze gelijk. Toch schuif ik mijn benen uit bed. Gelukkig ben ik een ochtendmens. Of ik heb mezelf wijsgemaakt dat ik er een ben.

In de badkamer draai ik alleen de koude kraan open. De schok jaagt de laatste slaap uit mijn lijf. Ik kleed me aan, eet in de keuken brood, havermout en een paar eieren, pak mijn zwem-tas en glip naar buiten zonder mijn ouders of mijn zus wakker te maken.

Even later fiets ik door donkere, stille straten naar het zwembad. Om 5.25 uur gaat de deur onverbiddelijk dicht. Wie te laat is, kan omkeren. Om half zes staan we langs de badrand en begint de training: twee uur techniek, conditie en eindeloze banen.

Vandaag is het maandag. Na twee dagen zonder zwembad voelt het water eerst stroperig. Na een paar honderd meter vind ik mijn ritme. Ik hoor bij de besten van de groep. Bij wedstrijden eindig ik vaak als tweede of derde; twee keer stond ik bovenaan. Daar denk ik aan wanneer mijn armen zwaar worden: nog één baan, nog één goed keerpunt.

Na de training douche ik, kleed ik me om en fiets ik naar school. Ik zit op een topsporttalentschool, in een klas vol leerlingen met trainingsschema’s in allerlei sporten die zelden netjes in een rooster passen. De school houdt daar rekening mee. Omdat ik ’s morgens en ’s avonds train, mis ik niet veel lessen. School kost me ook niet uitzonderlijk veel moeite. Tijd is het probleem. Trainen, lessen en huiswerk vullen bijna elke doordeweekse dag.

Mijn ouders laten de keuze bij mij. Ze zijn trots, maar duwen niet. Voorlopig wil ik ontdekken hoever ik met zwemmen kan komen. Als ik ooit stop, heb ik in elk geval een lichaam dat gewend is om te bewegen. In het weekend loop ik vaak een uur hard. Lang stilzitten maakt me onrustig.

Maandag is tijdelijk mijn korte schooldag. Na vier lessen kan ik naar huis, omdat een docent al twee weken ziek is. Mijn moeder is ook vrij. Ze geeft Duits op dezelfde school, maar nooit aan mij; ouders geven hier geen les aan hun eigen kinderen is de regel. Daar ben ik eerlijk gezegd blij om.

We lunchen samen met extra een vissalade die ze speciaal voor mij heeft gemaakt. Mijn vader, docent koken aan de Hogere Hotelschool, heeft iedereen thuis gevoelig gemaakt voor goed eten. Voor mij telt ook wat erin zit: genoeg eiwitten, niet te veel calorieën. Mijn gewicht hoeft maar iets te veel omhoog te gaan en ik voel het in het water.

Ik woon samen met mijn ouders en mijn zus, die anderhalf jaar jonger is. Vroeger botsten we vaak; tegenwoordig begrijpen we elkaar beter. Dat is fijn. Ik heb een hekel aan ruzie en al helemaal aan onrust die ik niet kan oplossen.

Ik ben zeventien en word in maart achttien. In het zwemmen telt die grens: nu val ik nog onder de junioren. Volgend jaar verandert dat en worden de tegenstanders ouder en sterker. Ik zeg tegen mezelf dat ik daar klaar voor ben.

Buiten school zie ik mijn klasgenoten nauwelijks. Iedereen heeft het te druk met trainen. Mij komt dat goed uit. Sinds mijn dertiende weet ik dat ik op jongens val. Mijn ouders en mijn zus weten het en reageren alsof het de gewoonste zaak ter wereld is. Voor mij voelt het nog niet zo gewoon. Op de zwemclub en op school heb ik niets verteld.

Na de lunch werk ik vooruit voor school. Dat geeft rust. Ik houd van weten wat er komt, van schema’s die kloppen en banen met een duidelijke zwarte lijn over de bodem.

We eten vroeg, want op maandagavond train ik in het vijftigmeterbad aan de andere kant van de stad. Hoewel het verder fietsen is zwem ik er graag. In een lange baan kun je minder verbergen: je slag, je conditie, je fouten.

Wanneer ik na het omkleden naar het bad loop, ruikt de hal naar chloor en klinkt elk stemgeluid dubbel tegen de hoge wanden. De coach fluit en wenkt ons naar de rand. Naast hem staat een jongen die ik nog nooit heb gezien.

Hij is ongeveer even lang als ik, met donker haar dat nog droog is en een sporttas over één schouder. Niet overdreven gespierd, wel duidelijk getraind. Hij staat ontspannen, alsof hij hier al weken komt.

“Dit is Sander,” zegt de coach. “Hij is onlangs hierheen verhuisd. Hij traint vandaag mee, zodat we kunnen bepalen in welke groep hij past.”

Sander kijkt de kring rond. “Ik word in maart achttien. Bij mijn vorige club trainde ik in de wedstrijdgroep. Ik hoop dat ik hier net zo veel plezier krijg bij het zwemmen.” Hij glimlacht erbij. Niet verlegen, niet opschepperig. Alsof hij precies weet hoeveel hij moet zeggen.

Ik kijk snel naar het water. Maart. Even oud als ik. Wedstrijdgroep. De coach had gezegd dat er misschien iemand bij zou komen, maar ik had me er geen voorstelling van gemaakt. Zeker niet van iemand die eruitziet alsof hij zonder moeite ergens bij hoort.

Tijdens de techniektraining zwemt Sander in een andere groep. Toch zoek ik hem steeds in mijn ooghoek. Zijn slag oogt rustig. Te rustig. Bij elke ademhaling lijkt hij precies op tijd te draaien. Ik dwing mezelf naar mijn eigen baan te kijken. Naar mijn eigen handen. Mijn eigen tempo.

De avondtraining duurt maar een uur. Het laatste kwartier zwemmen we meestal korte onderlinge wedstrijden. Als de coach de indeling voor de 200 meter borstcrawl roept, valt Sanders naam direct na de mijne. De baan naast me.

Mijn maag trekt samen. Niet van angst, zeg ik tegen mezelf. Van scherpte.

Op het startblok kijk ik één keer opzij. Sander trekt zijn badmuts recht en merkt mijn blik. “Succes,” zegt hij. Zijn glimlach maakt me tegelijk rustiger en nerveuzer.
Het startsignaal klinkt. Ik duik strak in, kom goed boven en zet meteen een hoog tempo in. Na vijftig meter ligt Sander gelijk. Na honderd nog steeds. Bij het keerpunt raak ik de wand precies goed; ik draai snel en zet krachtig af. Een halve armlengte voorsprong.

Ik houd die voorsprong bijna een hele baan vast. Mijn schouders branden. In de laatste vijftig meter verschijnt hij weer naast me. Eerst zijn hand. Dan zijn schouder. Ik versnel, maar hij versnelt mee. We raken bijna tegelijk de wand. Bijna.

Sander kijkt naar het scorebord. Eén seconde sneller.

De teleurstelling prikt harder dan zou moeten. Toch zwem ik naar de lijn tussen onze banen. “Jij bent goed,” zeg ik.
“Jij ook.” Hij lacht, buiten adem. “Hoe heet je eigenlijk? We zijn niet voorgesteld.”
“Marcel.”
“Op een goede trainingssamenwerking dan, Marcel.”

We klimmen uit het water. Terwijl we naar de kleedkamer lopen, merk ik dat ik opnieuw naar hem kijk. Niet alleen omdat hij heeft gewonnen.
In de kleedkamer vergelijken we onze tijden en uitslagen. Ze liggen dicht bij elkaar: allebei af en toe eerste, vaak tweede of derde. Als de coach binnenkomt, blijft hij voor ons staan.
“Mooi,” zegt hij. “Sander heeft Marcel al gevonden. Jullie gaan voortaan samen trainen.”
Sander kijkt me aan. “Logisch.”

Ik lach, maar op de terugweg blijft dat ene woord door mijn hoofd gaan. Samen. Sander is aardig. Sander is knap. Sander is sneller.

Voor het eerst in lange tijd weet ik niet of ik vooral hoop dat hij morgen weer naast me zwemt of dat ik bang ben dat hij mijn plaats inneemt.

Gesloten