Tegenwind naar de finish. Deel 12.

Plaats hier je eigen verhalen.
Gesloten
Wimmie
Berichten: 332
Lid geworden op: wo 01 jan 2020, 23:09
Vul het getal in: 123

Tegenwind naar de finish. Deel 12.

Bericht door Wimmie » zo 20 sep 2026, 05:41

Sam:

Als ik de volgende ochtend wakker word, blijf ik eerst stil liggen. Ik voel bewust mijn benen, mijn armen, mijn handen. Niets trekt, niets protesteert. Pas dan glimlach ik. Ik heb de hele nacht doorgeslapen.

Sam: Goede morgen, Niels.
Snel krijg ik antwoord:
Niels: Goedemorgen, Sam. Alles goed?
Sam: Ik voel me alsof ik dag drie zo kan doen. En jij?
Niels: Ik ook. Geen spierpijn, uitgerust.
Niels: Ik kom zo naar je toe.
Sam: Tot zo.


-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-


Niels:

Ik maak me rustig klaar en fiets daarna naar Sam. Ik ga achterom naar binnen. In de gang kom ik Silke tegen. Ze kijkt me vragend aan op een manier waardoor ik meteen weet dat ze niet zomaar iets gaat vragen.
“Niels, mag ik je iets vragen? Eerlijk?”
Ik voel me betrapt voordat ze begonnen is. Ik probeer gewoon te kijken.
“Hoe bedoel je dat, Silke?”
“Hoe zit het tussen jou en Sam? Als ik me vergis moet je het zeggen. Als ik jullie samen zie, denk ik dat er meer speelt dan trainen en suppen. Van Sam weet ik niets, want hij heeft niets gezegd. Maar ik ken hem al lang. Bij jou zie ik iets wat ik niet helemaal kan negeren.”
Ik adem langzaam uit. “Ik weet het niet precies, Silke. Of misschien weet ik het wel, maar durf ik het niet hardop te zeggen. Ik wil de Elfstedentocht niet in gevaar brengen. Sam betekent veel voor me. Hij is meer dan alleen een supmaatje. Als ik me vergis, kan alles ongemakkelijk worden. Dat kan zo vlak voor de tocht niet.”
“Ik denk niet dat je je vergist,” zegt Silke zacht. “Maar het is aan jou. Niet aan mij.”
“Ergens ben ik heel blij dat je er over begonnen bent, Silke.”
“Ik ben niet voor niets Sams oudere zus. Doe wat je verstandig vindt, Niels.”
“Dank je wel, Silke.”
“Sam zit op zijn kamer.” zegt ze met een knipoog.

Ik loop naar Sams kamer met Silkes woorden in mijn hoofd. Ze maken me onrustig, niet op een verkeerde manier. Alsof iets dat al onder de oppervlakte lag ineens een naam heeft gekregen.

“Goede morgen, Sam. Maak eens een diepe kniebuiging met je handen boven je hoofd?”
Sam doet het, gelijk doe ik het ook.
“We zijn alle twee fit. Dat is een heel goed teken.”
“Ik kan zo weer een dag suppen.”
“Niet overdrijven, Sam, over twee weken mag je dat doen!”
“Ik heb er nu al zin in.”
“Ik ook.”

“Ik wil een paar dingen bespreken.”
“Dat had ik begrepen.”

“Allereerst: wat doen we tot aan de Elfstedentocht qua training? Daarna: hoe gaan we het dan doen?”


-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-


Sam:

“Wat het eerste punt betreft: is het mogelijk de overige twee dagen te suppen? Ik vond het zo’n voordeel de tweede keer dat we de dagtocht al gemaakt hadden.”
“Op zich moeten we blijven trainen. We kunnen moeilijk nu zeggen: tot de 9e september doen we niets meer. Dat zouden dag 3 en dag 4 kunnen zijn. Voorwaarde is dan wel dat Mees of Silke ons kunnen brengen en halen. De laatste dag is zo beperkt, die hoeven we niet eerst te doen. Dag 3 en 4 zou wel nuttig kunnen zijn.”
“Zal ik het eens vragen?”
“Dat lijkt me goed, kunnen we daarna besluiten wat we doen.”
“Kom maar mee.”
Ik loop voor Niels uit naar de woonkamer. Daar zitten Mees en Silke.
“Ik heb een vraag,” begin ik. “Als Niels en ik komende week dag drie en dag vier ook willen oefenen, is iemand van jullie dan nog hier om ons te brengen en te halen?”
Mees en Silke kijken elkaar aan en beginnen te lachen.
“Wat nu?” vraag ik.
“Niets bijzonders,” zegt Mees. “We zeiden net al tegen elkaar dat die vraag waarschijnlijk snel zou komen. Komende week zijn we allebei hier. We willen het graag doen, het liefst samen.”
“Dat zou hartstikke fijn zijn,” zeg ik, enthousiast.
“Wij vinden het leuk om te doen. Ook gezellig. Dus plan maar in.”

Ik kijk naar Niels. “Kunnen we dat?”
“Ja, als we vandaag en morgen even rust houden na twee dagen achter elkaar en dan overmorgen en met een dag ertussen de dag daarna uitkiezen, kunnen we het wel inplannen.”
“Dus overmorgen dag drie en twee dagen daarna dag vier?” vraag ik.
“Dat lijkt me prima. Zullen we dan dadelijk meteen die dagen bekijken?”
“Dat gaan we doen.” Ik kijk naar Mees en Silke. “Jullie zijn de beste broer en zus die ik me kan wensen.”
“Omdat wij doen wat je wilt.”
“Nou ja, anders misschien ook. Dat hangt er van af.”
“Laten we maar snel ophouden voor dat er redenen zijn om ons te bedenken.”

We lopen terug naar mijn kamer.
Daar zoeken we dag drie en vier op. We bekijken de route, de punten en waar Mees en Silke ons het handigst kunnen brengen en ophalen.

“Je had nog een tweede punt?” vraag ik Niels.
“Ja, hoe doen we dat met de SUP 11 City Tour? Mijn vader gaat ons elke dag brengen en halen. Is het een idee dat je dan bij ons slaapt? Dan kunnen we bij mij vandaan in één keer naar de startplek worden gebracht.”
“Goed idee, dat lijkt me bovendien ook gezellig. En het spaart heen en weer rijden uit.”
“Zullen we dat dan in principe afspreken en met onze ouders bespreken?”
“Lijkt me goed.” zeg ik met een dubbel, vooral plezierig gevoel.

Daarna bekijken we de stand van de donaties en de sponsorgelden. Op beide fronten loopt het goed. Er is alle reden om tevreden te zijn, al voelt het nu ineens ook echter omdat de officiële tocht dichtbij komt.

Als we weer in de kamer komen vraagt Mees: “Ik wil vanavond weer koken. Wil jij dan blijven eten, Niels?”
Ik kijk Niels aan. “Doen of niet doen?”
“Waarom zou ik dat niet doen? De vorige keren heeft Mees ook heerlijk gekookt. Ik laat thuis even weten dat ik niet mee-eet vanavond. En dan overleg ik meteen dat jij van 8 tot en met 13 september bij ons slaapt.”

Terug op mijn kamer kijken we nog even naar de routes.


De twee oefendagen verlopen zonder enig probleem.
Mees en Silke brengen en halen ons, en Niels blijft beide dagen bij ons eten.
Het is gezellig, bijna vanzelfsprekend zelfs. Niels hoort er steeds meer bij. Precies dat maakt me blij, ook onrustig.

Na afloop zegt Niels dat we geluk hebben gehad dat er niets raars is gebeurd. Ik schud mijn hoofd.
“Is dat geluk? Of doen we gewoon wat verstandig is?”
“Vooral dat laatste,” zegt Niels. “We doen geen onbezonnen dingen. Veel ongelukken gebeuren doordat mensen de omstandigheden onderschatten of onvoldoende voorbereid zijn.”
Hij noemt de grootste risico’s: van het board vallen, onderkoeling en wind of stroming verkeerd inschatten. “Wij kunnen goed zwemmen, dragen altijd een leash en gaan niet het water op bij te harde wind. Dat is geen toeval. Dat is voorzichtigheid.”

“Daar ben ik blij om,” zeg ik. “Ik zit echt niet te wachten op rare problemen. Niet nu we zo dichtbij zijn.”

Dan nadert de datum waarop we beginnen. We krijgen bericht van de organisatie van de SUP 11 City Tour en ook vragen over de sponsoractie. Alles lijkt geregeld. Juist daardoor begint het in mijn hoofd te schuiven: straks is er niets meer om me achter te verbergen. Dan zijn het alleen Niels, ikzelf en vijf dagen tocht.

De middag voor de start moeten wij ons melden bij de organisatie. Wij schrijven ons in en krijgen een gps-tracker, zodat we online te volgen zijn.

Die avond ga ik naar Niels. Hij komt naar me toe met de trolley, zodat ik mijn board op de fiets mee kan nemen. We verdelen mijn spullen over onze beide fietsen, want we nemen steeds twee sets reservekleding mee. Niels maakt ruimte in zijn kast voor mijn spullen. Uit de logeerkamer brengen we een bed naar zijn kamer. Tussen de bedden houden we ongeveer een halve meter ruimte.

’s Avonds ben ik zenuwachtiger dan ik wil toegeven. Niet voor de Elfstedentocht; Niels en ik weten dat we er klaar voor zijn. Het is Niels. Het is zijn kamer. Zijn bed op een halve meter afstand. Mijn spullen in zijn kast. Alles voelt gewoon en tegelijk helemaal niet gewoon. Ik heb mijn verliefdheid goed verstopt, hoop ik. Ik kan het niet hebben dat het juist nu uitkomt.

Na het eten overleggen we met Niels’ vader. We worden om acht uur in Leeuwarden verwacht en spreken af hoe laat we vertrekken. Als we klaar zijn met suppen, zullen we bellen hoe laat we opgehaald kunnen worden.
De trailer is sinds de laatste oefendag niet gebruikt en nog schoon. We maken de boards alvast vast; de losse spullen kunnen er morgenochtend bij.

Alles is voorbereid. We gaan op tijd naar bed. Het licht is al uit. Slapen lukt nog niet. We praten zacht over de start, over het weer, over dingen die nergens over gaan. Dan wordt Niels stil.
“Sam,” zegt hij ineens, “mag ik je iets vragen?”
Ik draai mijn hoofd naar hem toe. “Nu maak je me zenuwachtig.”
“Dat wil ik niet. Is ook niet nodig. We doen nu al bijna drie maanden heel veel samen. Soms dagen achter elkaar. Hoe kijk je naar mij? Als coach? Als supmaatje? Of als…..?”

Mijn keel wordt droog. Dit is precies de vraag waar ik bang voor ben en precies de vraag die ik hoopte dat hij die ooit zou stellen.
“Je hoeft niet meteen te antwoorden,” zegt Niels. “Maar ik wil het niet laten liggen tot na de tocht als het tussen ons in blijft staan.”
“Waarom vraag je dit en waarom nu?” fluister ik.
“Omdat ik denk dat ik het antwoord weet. En omdat ik wil dat jij weet dat je niet bang hoeft te zijn.”
Ik slik.
“Ik ben verliefd op je, Niels. Niet een beetje. Smoorverliefd.”

Even is het stil. Zo stil dat ik mijn eigen hartslag hoor.
“Waarom durfde je dat niet te zeggen?” vraagt Niels.
“Omdat ik geen idee had hoe jij zou reageren. Omdat ik bang was dat ik alles kapot zou maken.”
“Je maakt niets kapot,” zegt Niels. Zijn stem is rustig, maar zachter dan anders. “Jij bent smoorverliefd op mij. En ik ben langzamerhand steeds meer verliefd op jou geworden.”

“Hoe kom je er bij dit nu te vragen?”
“Silke vroeg me ernaar,” zegt Niels. “Niet om zich ermee te bemoeien, maar omdat het haar was opgevallen. Ze kent je beter dan je denkt. En misschien zag ze bij mij ook meer dan ik zelf durfde toe te geven.”

Ik ben even stil. “Jij valt dus ook op jongens?”
“Ja, bovendien: ik ben verliefd geworden op jou.”
“Hoe nu verder?”
“Morgen begint de tocht,” zegt Niels. “Vijf dagen. Dat gaat voor. We laten naar buiten niets blijken en verder blijven we verstandig. Maar ik wil niet dat jij hier vannacht naast me ligt met dat geheim tussen ons in.”
“Dank je wel.”

Ik wil opstaan. “We moeten zo gaan slapen, morgen moeten we fit zijn.“ zeg ik.
“Klopt.”
“Toch wil ik je eindelijk kussen voordat we gaan slapen.”
“Dat wil ik ook,” zegt Niels. “Morgen is dag één. We moeten echt verstandig zijn. Juist omdat ik je daarin vertrouw, durfde ik het te vragen.”

Ik stap mijn bed uit, wip in Niels' zijn bed en kruip even tegen hem aan. We zoenen. Eerst voorzichtig, daarna minder aarzelend. Het voelt alsof ik al weken mijn adem inhoud en nu pas weer lucht krijg. Na een paar minuten trek ik me los, hoe graag ik ook wil blijven.

“Lieve Niels, mag ik dat zeggen? Welterusten. Tot morgen. Ik denk dat ik nu heerlijk kan slapen.”
“Dat geldt ook voor mij, lieve Sam. Welterusten en tot morgen.”
We geven elkaar nog één zoen en ik vertrek naar mijn eigen bed.

Morgen begint de officiële tocht. Voor het eerst voelt die niet alleen als een sportieve uitdaging, maar ook als een grens waar we samen overheen gaan. Met dat gevoel val ik in slaap.

Gesloten