Tegenwind naar de finish. Deel 9.

Plaats hier je eigen verhalen.
Gesloten
Wimmie
Berichten: 329
Lid geworden op: wo 01 jan 2020, 23:09
Vul het getal in: 123

Tegenwind naar de finish. Deel 9.

Bericht door Wimmie » ma 14 sep 2026, 05:48

Niels:

Vandaag staat er een tocht van 34 kilometer op het programma. Als ik tien voor acht bij onze vaste ontmoetingsplek aankom, is Sam er al. Hij draait kleine rondjes op zijn board, alsof hij zijn energie alvast kwijt moet.
“Jij hebt er weer zin in,” constateer ik.
“Zeker,” zegt Sam. “Ik werd vanzelf wakker en dacht: mooi, weer een tocht.”
“Dan starten we.”

We suppen naar het bekende meer. Deze keer steken we niet over, maar blijven we langs de linkeroever. Het water is nog rustig. Langs de kant liggen boten waar mensen langzaam wakker worden. Iemand rekt zich uit in de kuip, een ander stapt het water in voor een snelle 'douche'.
“Als ik met de schakel ga zeilen, blijf ik ook wel in de boot slapen,” zegt Sam. “Heb jij al wel gezeild?”
“Nee. Ik zie heel veel boten zeilen, maar hoe het precies moet, weet ik niet.”
“Dan moeten we dat een keer doen. Misschien kunnen de planken mee, al heb ik daar nog nooit goed over nagedacht.”
“Lijkt me leuk.”
Sam denkt meteen verder. “Met planken én slapen wordt het lastig. Dan moeten we ons grote jacht nemen, maar daarvoor moet jij wel kunnen zeilen. Anders mag ik er alleen met jou niet zomaar mee weg van mijn ouders.”
“Zeilen zonder supplanken kan ook,” zeg ik. “We hoeven niet altijd te suppen.”
“Voor mij staat suppen nu wel op één.”

Sam is fanatiek. Dat is geen nieuws, het hoort bij hem. Vandaag spat het er weer vanaf.

Langs het meer gaat het ontspannen. Daarna draaien we een kanaal op. Het is inmiddels drukker geworden en de motorboten trekken golven door het water. Nu komt het erop aan.
“Blijf los staan,” zeg ik. “Zet je voeten desnoods iets verder uit elkaar en zak wat door je knieën. Dan ligt je zwaartepunt lager.”
Het hele kanaal moeten we scherp blijven. Sam kijkt vooruit, corrigeert kleine golven met zijn knieën en blijft opmerkelijk rustig doorpeddelen.
Als we het volgende meer bereiken, kijk ik hem aan. “Dat was echt goed, Sam. Je bleef staan, je bleef rustig en je raakte niet in paniek. Respect!”
“Het viel mij mee,” zegt hij. “Ik dacht steeds aan die speedboat. Die golven waren veel groter.”
“Dit ging prima.”

We steken het meer over naar een klein strandje. Daar stappen we af om te eten en te drinken. Even zitten doet goed; andere houding, andere spieren. Net als we weer willen vertrekken, komt er een jongen naar ons toe.
“Zijn jullie die jongens die de Elfstedentocht gaat suppen?” vraagt hij.
“Ja,” zegt Sam. “Hoe weet jij dat?”
“Ik heb het interview op de regionale omroep gehoord en herkende je stem.”
“Knap. Het klopt inderdaad.”
“Ik hoop dat jullie veel ophalen,” zegt de jongen. “Ik heb zelf ook leukemie gehad, toen ik vier was.”

Het gesprek wordt meteen anders. Sam luistert aandachtig en stelt geen haastige vragen. De jongen heet Eric en is zestien. Sam vraagt of hij hem later mag bellen. Dat mag.
“Misschien mag ik jouw verhaal op de website zetten,” zegt Sam. “Niet zielig, maar juist om te laten zien waarom we dit doen.” Hij geeft Eric zijn nummer en vraagt of hij later op de dag even wil inspreken dat hij Eric is, zodat Sam zijn nummer ook heeft.

Daarna suppen we terug naar de andere kant van het meer. Via een korte vaart komen we weer op ons vertrouwde water. Het is inmiddels etenstijd, dus maken we een ruime boog naar het restaurant. We leggen aan en nemen de tijd voor een goede lunch. Volgens mij heb ik daar inmiddels bijna alles gegeten wat ik van de kaart lekker vind. Tot nu toe geniet ik van alles.

Omdat we laat eten, suppen we pas rond drie uur terug. Bij ons ontmoetingspunt vraag ik Sam hoe het vandaag is gegaan.
“Helemaal prima,” zegt hij. “Geen spierpijn. Alleen mijn handen begonnen even te zeuren, maar dat trok snel weg. En jij?”
“Mijn conditie wordt steeds beter,” zeg ik. “En die van jou ook. Elke tocht helpt. Niet spectaculair misschien, het bouwt wel op.”
“Morgen rust, overmorgen de volgende tocht?”
“Prima. Ik stel voor dat we dezelfde tocht nog een keer doen. Vooral vanwege dat kanaal. En omdat 34 kilometer inmiddels serieus begint te tellen.”
“Helemaal prima. Op dezelfde manier?”
“Ja, overmorgen om 8 uur weer starten.”

Als ik weg sup, blijft het gesprek nog even in mijn hoofd hangen. Ik zie Sam voor me: fanatiek, vrolijk, soms sneller dan handig is, maar ook verrassend zorgvuldig als het ertoe doet. Ik heb met hem inmiddels meer contact dan met bijna ieder ander, mijn ouders uitgezonderd. Zelfs op de manege, waar ik vaak kom, blijft het oppervlakkiger. Wat is Sam voor mij? Ik vind hem aardig. Heel veel meer dan aardig. En juist daarom duw ik die gedachte meteen weg. Verliefd worden op Sam zou de Elfstedentocht ingewikkeld maken. Dat kan ik me niet permitteren. Niet nu.

Twee dagen later varen we dezelfde tocht opnieuw. Het gaat goed. Geen gedoe, geen grote fouten, alleen dat kanaal dat ons dwingt om scherp te blijven. Precies daarom is het nuttig. Ondertussen zoek ik naar vervolgtochten. We gaan richting de 40 kilometer; nog ongeveer tien kilometer en we zitten op de afstand van een Elfstedendag. Vanaf nu mogen de stappen niet te groot worden.

Ik zit 's avonds boven kaarten en routes. Nieuwe tochten moeten niet alleen langer zijn, maar ook logisch: meren, vaarten, kanalen, windgevoelige stukken en genoeg plekken om veilig te pauzeren. Uiteindelijk vind ik vier routes die telkens drie of vier kilometer langer zijn. Ik app Sam.

Niels: Ik heb vier tochten gevonden die steeds drie of vier kilometer langer zijn. Ik stuur je de screenshots. Wil jij meekijken?
Sam: Zal ik doen.
Sam: Moment, ik kijk.
Sam: Ik ken dit water natuurlijk van het zeilen, maar ik had deze combinaties niet bedacht. Hoe kom jij hierop? Knap hoor.
Niels: Het heeft wat puzzelwerk gekost, maar ik ben tevreden. Jij ook?
Sam: Zeker, deze tochten wil ik graag suppen.
Niels: We doen elke tocht minimaal twee keer. Zo bouwen we rustiger op. De afstanden worden nu lang genoeg om echt iets van onze conditie te vragen. Ik heb er vertrouwen in, maar we moeten slim blijven.
Sam: Jij bent de coach. Ik ben al lang blij dat ik met jou sup. Alleen had ik dat niet zo bedacht.
Niels: Als ik alleen zou trainen, had ik het ook zo aangepakt. En eerlijk gezegd groeien we conditioneel steeds dichter naar elkaar toe.
Sam: Dank je. Mooi compliment. Dan werken we gewoon verder. Ik wil beter worden, niet stoerder doen dan verstandig is.

De weken daarna trainen we stevig door. We gebruiken de zes weken zomervakantie zo goed mogelijk: meestal suppen we om de dag, ook in het weekend. Alleen bij harde wind schuiven we de tocht door. Dat voelt soms frustrerend, vooral voor Sam, maar rust hoort net zo goed bij trainen als kilometers maken.

Niet elke tocht verloopt vlekkeloos. Dat is misschien maar goed ook; we moeten niet gaan denken dat suppen altijd soepel en droog gaat. Ik beland twee keer in het water, Sam vier keer. Eén keer gaan we zelfs samen kopje-onder door een onverwacht hoge golf van een vrachtschip dat ons kanaal kruist. Grootscheepsvaarwater mijden we bewust, maar soms heb je toch even last van zo’n passerende kolos. De andere valpartijen zijn gewone fouten: net verkeerd corrigeren, te laat reageren, even afgeleid. Het vervelendst is niet het vallen zelf, maar nat moeten doorvaren omdat er nergens een plek is om aan land te komen. Met warm weer is dat nog te doen. Op frisse dagen voelt elke kilometer daarna dubbel zo lang.

Sam vraagt of hij een keer met mij mag paardrijden. Ik vind het leuk dat hij dat wil, toch zeg ik meteen dat het pas na de Elfstedentocht kan.
“Waarom?” vraagt hij, wat klinkt alsof hij het antwoord eigenlijk zonder het te kennen al niet leuk vindt. Ik leg uit dat paardrijden spieren aanspreekt die hij nu nauwelijks gebruikt. Spierpijn op de verkeerde plek kunnen we in deze trainingsfase niet gebruiken. Sam trekt een gezicht, maar knikt dan. “Oké. Na de tocht dus.”

Op de dagen dat we niet suppen, stort Sam zich op de sponsoractie. Hij wil zichtbaarder worden en vraagt of ik actiefoto’s van hem kan maken. Ook wil hij foto’s waarop we samen trainen: Sam voorop, ik er vlak achter, zodat duidelijk wordt dat we dit echt samen voorbereiden. Die foto’s kan ik natuurlijk niet zelf maken terwijl ik op mijn plank sta. Daarom regelen we het bij het restaurant. Als we daar pauzeren of eten, maakt iemand van het personeel de foto’s.

Langzaam raak ik ook meer bij Sams familie betrokken. Ik heb zijn zus Silke en zijn broer Mees inmiddels ontmoet en komend weekend blijf ik bij hen eten. Mees kookt, dat schijnt geen kleinigheid te zijn: hij studeert aan de hogere hotelschool en zal waarschijnlijk later het familiehotel overnemen. Sam zegt het terloops, maar ik merk dat hij trots op hem is.

We gaan ook op bezoek bij Joris, Sams neefje. Daar maken we foto’s voor de website. Joris is een vrolijke knul en op dit moment gelukkig weer gezond, al blijft controle nodig. Sam is opvallend rustig bij hem. Minder haastig, minder luid. Alsof hij precies weet waarom deze tocht belangrijk is. We spreken af dat Joris een paar keer langskomt als wij pauzeren bij het restaurant, zodat er nieuwe foto’s gemaakt kunnen worden. Hij zal ook bij de start en finish van de SUP 11 City Tour zijn. Sam heeft daar al contact over gehad met de organisatie.

Eén voorval springt eruit. Onze provincie leeft op en rond het water: meren, kanalen en vaarten liggen als een netwerk door het landschap. De Elfstedentocht hoort daarbij, natuurlijk vooral op de schaats, maar ook op de fiets en straks voor ons suppend. Juist daarom lijkt het soms alsof iedereen wel iets met water en de Elfstedentocht heeft.

De Provincie heeft een Statenjacht, een officieel schip dat wordt gebruikt bij representatieve bijeenkomsten. Als het met gasten uitvaart, zijn er leden van het provinciebestuur aan boord: de Commissaris van de Koning, één of meer gedeputeerden.

Tijdens een van onze laatste tochten zien we het Statenjacht. Het vaart niet, het ligt voor anker, kennelijk voor een lunch aan boord. We suppen er rustig langs, totdat iemand vanaf het dek roept: “Zijn jullie die twee jongens van de SUP 11 City Tour?” Sam kijkt meteen op. “Voor de sponsoractie tegen leukemie?” wordt er erachteraan geroepen. “Ja!” roept Sam terug. Dan worden we dichterbij gevraagd.

We peddelen naar het schip toe en blijven voorzichtig tegen de zijkant liggen. Er willen mensen met ons op de foto. Sam reageert meteen zakelijk: dat is goed, mits jullie wat doneren en wij de foto’s ook krijgen om ze op zijn website te zetten. De meeste opvarenden vinden dat prima. Een boot van de Provinciale Waterstaat, die in de buurt ligt, wordt opgeroepen zodat iemand daarvandaan de foto’s kan maken. Zo krijgen we ineens een hele serie beelden die het goed doen op de website. In het onderschrift sta ik steeds als: ‘Niels, een ervaren supper met wie Sam samen traint.’

Gesloten