Niels:
‘Ik lijk wel gek,’ denk ik terwijl ik mijn fiets van het slot haal. Het is vijf uur ’s ochtends. Mijn ouders slapen nog. Ik heb koud gedoucht om wakker te worden, beneden in stilte een paar crackers naar binnen gewerkt en ben daarna naar buiten geslopen met één doel: trainen. Mijn supboard ligt op de trolley achter mijn fiets. Het ratelt zacht over de straatstenen terwijl ik naar de vaart fiets.
Suppen is míjn sport. Vier jaar geleden stond ik voor het eerst op zo’n plank en sindsdien ben ik verkocht. Windsurfen vond ik ook leuk, maar suppen geeft me iets anders: ruimte. Je kunt ook zonder wind kilometers maken, dorpen voorbij laten glijden, vaarten oversteken en meren opdraaien. In Friesland ligt het water overal voor je klaar. Alsof het alleen maar wacht tot je opstapt.
Bij de brug is een trailerhelling. Daar laat ik mijn board voorzichtig het water in glijden. Zodra ik erop stap, verandert er iets. Op het water is alles overzichtelijker. Geen drukke klas, geen geroep vanaf de kant, geen mensen die iets van me willen. Alleen ik, mijn board en het ritme van de peddel. Ik durf te zeggen dat ik goed ben in suppen. Goed genoeg om een stap verder te zetten: de SUP 11 City Tour ofwel de Elfstedentocht al suppend. Tweehonderdtwintig kilometer, verdeeld over vijf dagen. In september is het zover. De eerste dag red ik vast wel. Daarna begint het pas echt. Vier dagen meer dan veertig kilometer; op de laatste dag nog bijna dertig. Ik onderschat het niet. Daarom sta ik hier nu, in juni, ruim drie maanden van tevoren, met slaap in mijn ogen en spanning in mijn buik.
Ik zet af en peddel weg. De ochtend is fris, maar na een paar slagen voel ik mijn schouders warm worden. Het water is bijna glad. De zon hangt boven de weilanden en kleurt de vaart lichtblauw. Alles is stil, op het zachte klotsen tegen mijn board na. Ik ken deze route als mijn broekzak, maar vandaag voelt hij anders. Vandaag telt elke kilometer.
Het duurde lang voordat ik me op durfde te geven. Niet vanwege de afstand, al is die enorm, maar vanwege het geld. Vierhonderdzeventig euro inschrijfgeld. Voor mij was dat bijna net zo’n hoge drempel als de hele tocht. Uiteindelijk gaf mijn oma de doorslag. Oma ziet dingen die anderen missen. Toen ik na school bij haar langsging om in de tuin te helpen, hoefde ze me maar één keer aan te kijken.
“Niels,” zei ze, terwijl ze haar tuinhandschoenen uittrok, “waar zit je mee? Vertel het me eens.”
Ik moet haar verbaasd hebben aangekeken, want ze glimlachte zacht en tikte met haar vinger tegen mijn voorhoofd.
“Lieve jongen, ik ken die denkrimpel van jou. Als die verschijnt, ben je ergens mee bezig. Wat houdt je zo bezig?”
Eerlijk zijn is mijn devies, zeker tegen oma.
“Ik wil heel graag meedoen aan de SUP-Elfstedentocht,” zei ik. “Maar inschrijven is duur. Veel te duur eigenlijk.”
“Wat is voor jou duur?”
“Bijna vijfhonderd euro.”
“Dat is voor een scholier van 18 inderdaad duur.”
“Ik bedenk hoe ik aan geld kan komen.”
“Geld verdien je door te werken, Niels.”
“Dat weet ik ook wel, oma. Naast de school een baan zie ik echt niet zitten.”
“Ik begrijp het. Toch herhaal ik: ‘Geld verdien je door te werken’. Echt.”
Ik keek haar vragend aan. Oma wees naar de tuin, naar de emmers met onkruid en de halflege kruiwagen. “Jij doet vaak iets voor mij. Net als nu. Je helpt me in de tuin.”
“Dat is geen werken, dat is jou helpen.”
“Ja, dat is zo. Als jij mij niet zou helpen zou ik een tuinman moeten huren.”
“Daarom doe ik het voor jou.”
“En daarom zeg ik: dat is ook werken. Ik wil je daar wel voor betalen. Niet door je per uur geld te geven, maar door je nu te helpen met het betalen van je deelnamekosten voor de SUP-Elfstedentocht.”
Ik keek mijn oma stomverbaasd aan.
“Lieve Niels, kijk niet zo verbaasd.”
“Ja, maar……”
“Niets ja maar,” onderbrak ze me. “Wat vind je ervan?”
“Ik vind het…” Ik slikte. “Ongelooflijk lief van je.”
“Nou dan, zullen we het doen?”
Ik liet de schep vallen en sloeg mijn armen om haar heen. “Dank je wel, oma. Echt.”
“Heel graag gedaan!”
Zo kon ik me toch opgeven. Vanaf dat moment voelde het niet meer als een vaag plan, maar als iets echts. Iets waar ik voor moest werken. Vanochtend, vlak voordat ik wegpeddelde, maakte ik een selfie en stuurde die naar oma. Dat had ze gevraagd. Ik hoop dat ze al wakker was om het te zien.
Er moest nog één ding geregeld worden: vervoer. Elke dag moet ik naar de start worden gebracht en na de finish weer opgehaald, zodat ik thuis kan slapen. Blijven slapen kan. Het maakt het veel duurder. Toen ik het mijn ouders vertelde, reageerden ze enthousiaster dan ik had verwacht. Ze wilden helpen. Dat maakte het plan nog realistischer.
Nu is alles geregeld. Ingeschreven, betaald, vervoer rond. Dus peddel ik door, de vaart uit en het meer op. De stilte van de vroege ochtend helpt. Nog geen motorbootjes, nog geen wind, alleen mijn ademhaling en het ritme van mijn slagen. Vandaag wil ik tien kilometer halen. Anderhalf uur ongeveer. Daarna naar huis, eten, douchen en naar school. Alsof dit een gewone ochtend is.
Op school gaat het goed. Ik moet ervoor werken; dat hoort erbij. Ik vind leren niet vervelend en de meeste vakken spreken me aan. In de klas ben ik rustig. Niet iemand die altijd het hoogste woord heeft. Sommige klasgenoten lijken overal een grap over te kunnen maken, alsof praten vanzelf gaat. Bij mij werkt dat anders. Ik kijk liever eerst. Luister. En pas als ik zeker weet wat ik wil zeggen, zeg ik iets.
Sportief voel ik me op school nooit. Gymnastiek, of lichamelijke opvoeding, is een van mijn minst favoriete vakken. Gymleraren lijken vooral te kijken naar leerlingen die toch al goed zijn. De rest mag het uitzoeken. Dus houd ik me gedeisd. Op het water is dat anders. Daar hoef ik niemand iets te bewijzen. Daar ben ik niet die rustige jongen uit de klas. Daar ben ik Niels, die straks tweehonderdtwintig kilometer gaat suppen.
-o-o-o-o-o-o-o-o-
Sam:
Het wordt tijd dat ik weer eens een stunt uithaal. Mijn vorige was goed gelukt, al zeg ik het zelf. Op school mogen de eindexamenklassen ieder jaar iets bijzonders doen. Waarom alleen zij? Waarom zou de klas die volgend jaar eindexamen doet niet nu al een eigen moment hebben? Dus zocht ik uit in welke lokalen de examenklassen het eerste uur zaten. Met een paar klasgenoten stapelde ik alle tafels en stoelen in een hoek, zo hoog mogelijk, en bonden we de boel stevig aan elkaar. Daarna vroeg ik de conciërge doodleuk of hij de lokalen op slot wilde doen. Dat gebeurt normaal nooit. De examenleerlingen stonden later massaal voor dichte deuren. Pas na veel gemopper konden ze naar binnen om hun lokalen weer in te richten. Prachtig.
Mijn nieuwe stunt wordt groter. Veel groter. Ik ga de Elfstedentocht doen. Niet op schaatsen, want het is zomer. Niet op de fiets, want die tocht is op Tweede Pinksterdag al geweest. Niet lopend, die is ook al geweest. Nee, ik ga hem suppen. Dat is stunt één: ik heb nog nooit op een supboard gestaan. Stunt twee is belangrijker. Ik wil geld ophalen voor onderzoek naar kinderleukemie. Mijn neefje Joris kreeg een aantal jaren geleden acute leukemie. Hij was toen nog maar 8 jaar. Hij lag vaak in het ziekenhuis, soms dagen en nachten achter elkaar. Altijd bleef één van zijn ouders bij hem. Zijn zusje logeerde dan soms bij ons. Ik ging met haar mee naar het ziekenhuis, of ik ging alleen. Die gangen, die piepende apparaten, dat wachten naast een bed: dat vergeet ik nooit.
Het maakte diepe indruk op me. Dat je als kind zoiets moet meemaken en toch kunt blijven lachen, vind ik bijna niet te bevatten. Joris deed het. Niet elke dag natuurlijk, maar vaak genoeg om mij te laten denken: als hij dat kan, dan moet ik ook iets kunnen.
Daarom zoek ik sponsors. Mensen kunnen één bedrag geven, of een bedrag voor elke kilometer die ik afleg. Tweehonderdtwintig kilometer klinkt dan ineens niet alleen ver, maar ook waardevol. Even leek mijn plan stuk te lopen op het inschrijfgeld. Bijna vijfhonderd euro. Mijn vader kwam met het idee om de organisatie te vragen of ze wilden meewerken aan mijn sponsoractie. Na wat heen en weer mailen mocht ik gratis meedoen, op één voorwaarde: ik moest er publiciteit voor regelen. Mijn oom, de jongste broer van mijn moeder, heeft een PR- en reclamebureau. Hij gaat helpen. Nou ja: hij gaat het mee organiseren. Ik moet het doen.
Er is één klein probleem. Eigenlijk geen klein probleem. Ik moet nog leren suppen. Ik heb nog nooit op zo’n board gestaan. Gelukkig wonen we aan het water, met onze zeilboot en ons schakeltje achter het huis. Daar kan ik oefenen zonder dat meteen half Friesland me ziet vallen. Sinds gisteren heb ik een board te leen. Die plank kost me dus niets. Behalve misschien mijn trots.
Binnenkort moet ik de publiciteit zoeken. Interviews, foto’s, misschien iets op school. Mijn oom zegt dat ik mezelf moet presenteren. Daar ben ik niet bang voor. Ik ben klassenvertegenwoordiger geweest en praten voor een groep kan ik. Mensen noemen me sociaal. Ik maak makkelijk contact, ben graag bezig en hardlopen doe ik regelmatig. Naar school fiets ik twaalf kilometer heen en twaalf terug, gewoon op een normale fiets met goede versnellingen. Conditie heb ik dus wel. Balans op een supboard? Dat moet nog blijken.
Eerst ga ik op school rondvragen of er iemand is die al supt. Misschien wil iemand me helpen. Ruim drie maanden lijkt lang. Het is dat niet als je bedenkt dat ik bij nul moet beginnen en straks vijf dagen achter elkaar moet blijven staan, peddelen en doorgaan.
Binnenkort ga ik het proberen. Ik heb op internet filmpjes gekeken en tips gelezen. Begin op je knieën. Kijk vooruit. Niet naar je voeten staren. Rustig opbouwen. Dat klinkt simpel, maar vanaf de kant ziet alles er makkelijk uit.
Het spannende is niet alleen dat ik kan vallen. Het spannende is dat iedereen straks meekijkt. Mijn website staat al online: ‘Help Sam suppend bij onderzoek naar kinderleukemie.’ Daar kunnen mensen zich aanmelden als sponsor. Ik hoop dat het gaat lopen. Eigenlijk hoop ik meer dan dat. Ik hoop dat ik iets in beweging krijg.
Op school ga ik een oproep doen: wie wil mij leren suppen? Ik heb hulp nodig. Want tweehonderdtwintig kilometer haal je niet op lef alleen. Ik ga het doen. Voor Joris. Voor al die kinderen die niet kunnen kiezen of ze sterk willen zijn, maar het toch moeten. Als ik onderweg val, klim ik weer op dat board. Net zo vaak als nodig is.