Tussen de golven. Deel 5.

Plaats hier je eigen verhalen.
Wimmie
Berichten: 308
Lid geworden op: wo 01 jan 2020, 23:09
Vul het getal in: 123

Tussen de golven. Deel 5.

Bericht door Wimmie » vr 07 aug 2026, 05:53

Als ik zondagochtend wakker word en op mijn telefoon kijk, zie ik een WhatsAppbericht zonder naam erboven. Even denk ik dat het spam is, maar dan blijkt het Lars te zijn. Hij heeft voor ons een app-contact aangemaakt en schrijft dat hij de eisen voor de opleiding niet heeft kunnen vinden. Of ik ze misschien voor hem heb. Ik glimlach voordat ik er erg in heb en typ terug dat ik ze natuurlijk heb. Nu moet ik eerst naar het strand om te werken, maar vanavond zal ik kijken hoe ik ze het beste met hem kan delen.

Tot mijn verbazing merk ik dat het berichtje van Lars meer met me doet dan ik zou verwachten. Dat maakt me nieuwsgierig.

Ik fiets naar het strand en ben blij dat ik weer aan het werk kan. Het weer is iets beter dan gisteren: af en toe breekt de zon door, regen wordt voorlopig niet verwacht, maar door de stevige wind uit zee voelt het nog steeds fris. Toch wordt het al snel drukker op het strand. Vandaag werken we met Joost, Karin, Thomas en Anita. Samen met Thijs is dat flink wat ervaring bij elkaar. Onze eerste twee ronden zijn op het strand; de laatste draaien we in de toren.

Om 11 uur is het strand al behoorlijk vol. Veel ouders met kinderen. Die kunnen hoogstens hun ouders kwijtraken. Verder niet zo heel veel jeugd. Dat is opvallend. Die moeten misschien uitslapen. Gisteravond uit geweest.

Onze eerste dienst verloopt rustig. Aan de andere kant zoekt een vader zijn zoontje van 3 jaar. Dat wordt omgeroepen. Het jongetje is al heel snel gevonden. Aan onze kant gebeurt niet zo veel.

Tijdens onze tweede dienst lopen we aan de andere kant van het bewaakte gebied. Het publiek is ongeveer hetzelfde. De wind trekt verder aan en de stroming langs de golfbrekers is duidelijker zichtbaar. We dragen nu allebei een tube. Gisteren hadden we die alleen bij de hand, maar bij deze wind is omdoen verplicht. Terwijl we heen en weer lopen, zie ik een vrouw dicht bij de golfbreker. Eerst lijkt het alsof ze gewoon zwemt, maar dan blijft ze te lang op dezelfde plek. Ik tik Thijs aan. Hij kijkt één seconde en zegt meteen: “Waarschuw de andere kant. Daar ligt de boot. Laat ze alvast komen.” Zonder verder te wachten rent hij richting zee. Terwijl ik de melding doorgeef via de mobilofoon, hol ik achter hem aan. Dan zie ik een man naar haar toe zwemmen. “Er komt hulp die straks zelf hulp nodig heeft!” roep ik naar Thijs.
“Ze komen met de boot. Wij zwemmen er naar toe.” roept Thijs, terwijl hij de zee in rent. Ik volg hem direct.
Nu zie ik pas goed dat zowel de man als de vrouw in de problemen zijn. Ze worden door de stroming langs de golfbreker getrokken. Tussen ons en hen ligt nog minstens vijfentwintig meter water, maar het voelt als veel meer. Ik zwem zo hard als ik kan. Naast me hoor ik Thijs happen naar adem terwijl hij hetzelfde doet. De vrouw verdwijnt onder water. Even is alleen haar arm nog te zien. Mijn maag trekt samen. Ik dwing mezelf door te zwemmen. Dan bereiken we hen eindelijk. De man probeert wanhopig tegen de stroom in te zwemmen; de vrouw komt opnieuw boven, maar haar bewegingen worden slap en ongecontroleerd.

“Jij de man” roept Thijs.
In een paar slagen ben ik bij de man. “Pak de drijver!” roep ik. “Niet mij pakken, de drijver!” Maar paniek luistert niet. Hij grijpt naar mij en ik voel meteen hoe gevaarlijk dat is. Als hij me vastpakt, trekt hij ons allebei onder. Ik duw de drijver bijna tegen zijn borst. “Pak aan!” schreeuw ik. Dat dringt eindelijk tot hem door. Hij klemt zich vast aan de drijver en haalt schokkend adem.

Ik kijk om waar Thijs is. Eerst zie ik hem niet, alleen zijn drijver die wild op de golven beweegt. Mijn hart slaat een slag over. Dan komt Thijs boven met de vrouw tegen zich aan en grijpt hij naar de drijver. Ze hangt slap in zijn arm. Precies dan hoor ik het geluid van de boot dichterbij komen. De boot is er snel. Thomas neemt de vrouw over en legt haar op de bodem. Joost geeft het roer aan Karin en trekt daarna de man aan boord.
“Wij zwemmen terug,” zegt Thijs. “De boot is vol.” We laten ons eerst met de stroom meevoeren om uit de gevaarlijkste zone te komen en zwemmen daarna schuin terug naar het strand. Pas als mijn voeten de grond raken, merk ik hoe zwaar mijn armen zijn. Bij de boot staat inmiddels een kring mensen. Als wij aankomen, klinkt er applaus, ik hoor het maar half. Mijn blik gaat meteen naar de vrouw. Ze is weer bij bewustzijn. De man staat naast haar te trillen, alsof hij nog steeds in het water ligt.

“We gaan naar de toren.” zegt Thomas. De vrouw wordt ondersteund en de man krijgt een arm. Wij lopen er achteraan en kleden ons in de toren om.

Intussen is de man wat tot rust gekomen. De vrouw krijgt iets te drinken. Wij nemen wat gegevens op en als ze ons verzekeren dat het weer gaat en zij naar huis gaan, mogen zij gaan. Met het nummer van de reddingsbrigade voor het geval er alsnog problemen ontstaan.

Thijs kijkt mij aan. “Weet je, Leon, dit soort situaties zijn gelukkig een uitzondering. Dat jij er al twee maal bij betrokken bent en al twee maal zwemmend hebt ingegrepen is best wel bijzonder. Je hebt het overigens weer prima gedaan.”
Ik voel me gevleid, maar ook een beetje ongemakkelijk. Dit soort complimenten krijg ik niet vaak. Hier, bij de reddingsbrigade, lijk ik ineens iemand te zijn die weet wat hij doet. Dat voelt goed, maar het maakt de verantwoordelijkheid ook groter.

Het gebeuren schijnt indruk gemaakt te hebben: er wordt niet zo veel meer achter de branding gezwommen. En diegenen die het wel doen blijven behoorlijk ver van de golfbrekers af.

De derde ronde is op de toren. Het is gaan betrekken en er valt van tijd tot tijd regen. “We hebben vandaag een goed rooster: het strand als er zon is en er wat te doen is, de toren als het gaat regenen en het stand leegloopt.” merkt Thijs op. “Verdiend” voegt hij er aan toe.

Als ik om half vijf de trap af ga zie ik een bekend gezicht. Lars staat beneden.
“Wacht jij op mij? “ vraag ik hem.
“Ja, ik dacht, misschien kan ik met je mee en dan meteen de eisen meenemen. Ik ben wel heel benieuwd wat ik er al van kan.”

Zijn komst overvalt me. Tegelijk vind ik het leuker dan ik wil toegeven. Lars maakt iets bij me los dat ik nog niet goed kan plaatsen, alsof hij zonder moeite dichterbij komt dan anderen.
“Dat is prima. Dan hoop ik niet dat ik heel ver van jou afwoon. Het regent wel….”
“Dat weet ik niet. En: een beetje regen geef ik niet om.” is de reactie.
Ik vertel Lars waar ik woon.
“Dat is toevallig. Ik woon in dezelfde wijk.” Hij noemt de straat en ik herken die meteen. Toen we gisteren samen terugfietsten, haakte hij op een gegeven moment af. Ik had toen geen idee of hij nog ver moest, maar nu blijkt hij eigenlijk vlakbij te wonen.

Gelukkig houdt het snel op met regenen. We fietsen best wel snel naar mijn huis, we hebben de wind mee. Lars laat zijn fiets voor staan, ik zet mijn fiets in de garage. Dan gaan we samen naar binnen. Ik meld me bij mijn moeder, die in de kamer zit.
“Ik ben terug. En dit is Lars. Ik zoek wat voor hem op. Dan kan hij dat meenemen.” zeg ik. Lars geeft mijn moeder een hand en we gaan naar mijn kamer.
“Wat heb jij een mooie grote kamer,” zegt Lars terwijl hij nieuwsgierig rondkijkt. Hij doet niet alsof hij hier toevallig staat; hij lijkt alles in zich op te nemen, alsof hij me beter wil leren kennen.
“Dat is het voordeel van enig kind zijn,” reageer ik.
“Ben jij enig kind?”
“Ja, jij niet?”
“Nee, ik heb een oudere broer, een zus die even oud is en een jonger broertje.”
“Ben jij dan de helft van een tweeling? “
“Ja, ik heb een tweelingzus.”
“Dat lijkt me bijzonder.”
“Valt mee, ik ben er aan gewend.”

Ik pak de eisen voor het diploma Lifesaver 1. “Hier moet je aan voldoen om het diploma te halen. En als je dat hebt, dan kan je opgaan voor het diploma junior lifeguard.
Met die twee diploma’s heb je een basis. Ik heb ook de Life-saver handleiding voor je als je dat wilt.”

Lars kijkt de eisen snel door. “Lifesaver 1 zal me wel snel lukken: gekleed in 5 minuten na een duik 50 meter schoolslag, 50 meter borstcrawl, 50 meter zeemansslag is te doen. De andere dingen moet ik leren. Gelukkig kan ik de dingen die me interesseren heel makkelijk leren.”
“Dan zou ik je daar maar snel voor opgeven. Er is altijd veel belangstelling voor deze trainingen. Eerst moet je lid worden en daarna kun je je aanmelden. Zet bij de vraag ‘Waarom geef je je hiervoor op?’ gewoon: ‘Leon heeft het me aangeraden.’ Dan weten ze meteen hoe je erbij komt.”

Daarna pak ik ook de eisen voor het volgende diploma: junior lifeguard. Ik laat hem ook de eisen voor toelating zien: minimaal 15 of 16 jaar oud zijn (afhankelijk van de lokale brigade of het traject). In het bezit zijn van een geldig EHBO-diploma.
“Dat EHBO-diploma kan je ook alvast halen.”
“Dat kan bij ons op school, daar ga ik me voor opgeven.”

Ik kijk Lars aan. “Je hebt er wel heel veel zin in, merk ik.”
“Ja, toen jullie met de boot bij ons langs waren gekomen had ik dat al tegen mijn vrienden gezegd. Mijn vrienden zijn hier niet zo in geïnteresseerd.”
“Waar zijn die dan in geïnteresseerd?”
“Ze hebben het altijd over leuke meiden. En echt altijd en alleen daarover. Saai hoor.”
“Heb jij geen vriendin?”
“Neen, echt niet. Jij?”
“Ik heb ook geen vriendin.”
“Dat hoeft toch ook niet?
“Neen.”

Ik aarzel om verder te vragen. Is het alleen zijn interesse in de reddingsbrigade waardoor hij me al twee keer heeft opgezocht en nu bij mij op mijn kamer zit? Of zoekt hij mij om een andere reden? Lars is direct, bijna brutaal direct, maar niet op een vervelende manier. Juist daardoor weet ik niet goed wat ik met hem aan moet.

“Ik moet zo naar huis. We moeten eten.”
“Wij zullen ook wel zo moeten eten.”
“Heb jij zin om eens bij mij langs te komen?”
Ik aarzel even. Dit is opnieuw een uitnodiging, en weer komt hij heel direct uit zijn hoek. Maar waarom eigenlijk niet? Wat heb ik te verliezen? En eerlijk gezegd wil ik weten wat er achter zijn belangstelling zit.

“Helemaal prima. Morgen moet ik nog werken, dan heb ik twee dagen vrij. Zullen we dinsdag afspreken?”
“Helemaal goed. Hoe laat kom je dan bij mij? Als je ’s morgens komt kunnen we ook samen eten. Mijn ouders werken alle twee, dus alleen mijn zus en broers zijn thuis. Als ze er zijn.”
“Zullen we 10 uur afspreken?”
“Goed. Zie ik je dinsdag om 10 uur.”
Ik breng Lars naar de deur. Hij stapt op de fiets en zwaait nog terwijl hij wegrijdt.

Leuke jongen, denk ik als ik de deur sluit. Bepaald niet verlegen. Ik vraag me af of hij verliefd op mij zou kunnen zijn. Dan zou hij homo zijn. Hij weet natuurlijk niet dat ik dat ook ben. Alleen die gedachte al maakt dinsdag ineens belangrijker dan zomaar een afspraak.

Een kwartier later schuif ik aan tafel. Mijn moeder is nog in de keuken bezig, mijn vader zit ook al aan tafel. Als mijn moeder het eten op tafel heeft gezet is de eerste vraag: “Hoe ging het vandaag op het strand?”

Ik vertel uitgebreid over de actie die Thijs en ik hebben moeten uitvoeren. Terwijl ik praat, merk ik dat de spanning opnieuw door mijn lijf trekt: de stroming, de vrouw die onderging, Thijs die even verdwenen was. Mijn vader luistert met gefronste wenkbrauwen en zegt dan: “Gaat het daar elke dag zo? Je hebt vijf dagen gewerkt en al twee keer een reddingsactie moeten uitvoeren.”
“Volgens Thijs is dat puur toeval. Ook hij vond het wel opmerkelijk. Ik vind het wel prettig: zo leer ik meteen in praktijk te brengen wat ik eerder in het zwembad heb geleerd.”

Mijn moeder vraagt: “Waar ken je die Lars van? Ik heb hem nog nooit gezien.”
“Lars is de jongen die ik vorige week te hulp ben gezwommen bij de golfbreker. Hij wil ook graag lifeguard worden.”
“Wat leuk. Heb je hem verder kunnen helpen?”
“Ik heb hem mijn oefenboek ‘Lifesaver 1’ meegegeven. Hij gaat zich bij de reddingsbrigade opgeven.”
“Waar een redding toe kan leiden.”
“Zeg dat wel. Hij is me al twee keer op het strand komen opzoeken. Hij heeft zich ook zelf uitgenodigd hier spullen op te komen halen. We hebben dinsdag bij hem thuis afgesproken.”
“Krijg je er een vriend bij?. Hoe vind je dat?”
“Hij is wel aardig. En als ik met hem praat, lijkt het alsof we elkaar al jaren kennen.”
“Hoe oud is Lars?”
“Hij wordt over twee weken 16 jaar. En hij heeft een tweelingzus.”
“Dat is leuk.”
“Ja, volgens Lars is zijn zus er ook dinsdag, net als zijn oudere en jongere broer.”
“Leuk, een groot gezin. Waar wonen ze?”
“Ze wonen hier in dezelfde wijk.”
“Leuk. Krijgt Daan concurrentie?”
“Dat denk ik niet. Daan ken ik al mijn halve leven.”

Die avond merk ik dat mijn gedachten steeds naar Lars teruggaan. Naar zijn berichtje, zijn onverwachte komst bij de toren, de vanzelfsprekendheid waarmee hij mijn kamer binnenstapte en vroeg of ik bij hem langs wilde komen. Tegelijk denk ik aan de vrouw bij de golfbreker en aan het moment waarop Thijs even verdwenen leek. Alles van deze dag blijft door elkaar lopen: gevaar, opluchting, complimenten, verwarring. Misschien kan ik dinsdag ontdekken waarom Lars mij zo fanatiek opzoekt. En misschien moet ik dan ook eindelijk eerlijker durven zijn over wat ik zelf voel.

Plaats reactie