Koffie met een rietje (deel 3)

Plaats hier je eigen verhalen.
Amexic
Berichten: 222
Lid geworden op: wo 10 jun 2015, 20:14
Vul het getal in: 123
Locatie: Antwerpen

Koffie met een rietje (deel 3)

Bericht door Amexic » di 09 jun 2026, 11:52

Koffie met een rietje (deel 3)

‘Waar is mijn helm?’
Die gedachte bleef door Hannes’ hoofd gaan. Hij was met volle snelheid tegen de rotsen geslagen.
Bloed sijpelde uit een snee in zijn linker onderarm. Zijn rechterarm lag in een onnatuurlijke hoek. Zodra hij probeerde te bewegen, trok een felle pijnscheut door beide armen.
Er stonden mensen rond hem: wandelaars, enkele fietsers die achter hem reden. Jörgen was er niet. Hij was hem voor geweest in de afdaling.
Mensen stelden vragen. Of hij wist waar hij was en of hij misselijk was. Hannes antwoordde rustig. Verder liet hij alles gebeuren.
Een terreinwagen van het bergrestaurant bracht hem naar de asfaltweg beneden, waar een ziekenwagen stond te wachten. Heel even zag hij Jörgen, die ongerust op hem had gewacht. Daarna verdwenen de bergen achter de deuren van de ambulance.
In het ziekenhuis volgden de onderzoeken elkaar snel op. Er werd een scan van zijn hoofd, een echo van zijn buik en foto’s van zijn armen genomen.
Rechts waren zowel zijn spaakbeen als zijn ellepijp gebroken. Links had hij enkel zijn spaakbeen gebroken. De wonde aan zijn arm werd gereinigd en gehecht. De arts leek opgelucht dat het geen open breuk was. Toch kreeg hij uit voorzorg een paar dagen antibiotica via een infuus.
Na zijn opname onderging hij alles met een doffe pijn op de achtergrond, ondanks de pijnstilling.
Ze hadden zijn shirt opengeknipt. Op de afdeling orthopedie kreeg hij een operatiehemdje aan: wit, met kleine beertjes erop. Zijn onderbroek lag waarschijnlijk ergens in de kast, samen met de schamele rest van zijn spullen.
Zijn gsm lag op het nachtkastje. Dat wist hij omdat hij af en toe trilde. Blijkbaar probeerde iemand hem te bereiken.
De pijnstillers maakten hem loom, bijna gelukkig, maar onder die warme waas begon de pijn zich overal te melden. In zijn armen, zijn linker heup en zijn schouders. Eigenlijk in zijn hele lichaam.
Hij had die avond gegeten. Tenminste men had hem gevoed.
Die vaststelling trof hem harder dan de breuken zelf.
Hij had geen bruikbare armen meer. Tijdelijk, zei men. Toch voelde dat woord erg rekbaar.
Ze spraken Duits in het ziekenhuis. Communiceren ging zeer goed. Soms antwoordde hij in het Engels zonder het zelf te beseffen, waarna zij ook naar het Engels overschakelden.
Rond zeven uur ’s avonds verscheen Jörgen plots in de deuropening.
Hannes voelde meteen opluchting.
Aan zijn gezicht zag hij hoe bezorgd Jörgen was.
‘Wat nu?’
Hij had toiletgerief meegebracht, de oplader van zijn gsm en zijn tablet. Typisch Jörgen. Hij dacht aan dingen waar Hannes nooit aan zou denken.
‘Ik denk dat ik hier nog wel even blijf,’ zei Hannes.
Eigenlijk wist hij nauwelijks iets zeker. Hun vakantie eindigde overmorgen. Jörgen zou zonder hem naar huis moeten.
Het voelde alsof ze ongewild in een crisisvergadering waren beland.
‘Ga morgen gewoon fietsen,’ zei Hannes.
Jörgen schudde zijn hoofd.
‘Dat kan ik niet.’
Hij keek even naar Hannes’ armen.
‘De vakantie is voorbij.’
Jörgen was zijn allerbeste vriend. Dat hij zo reageerde, deed hem meer dan hij wilde toegeven.
‘Ik wil dat je gaat fietsen,’ zei hij. ‘Het heeft geen zin dat je de hele dag in het hotel blijft zitten.’
Hannes probeerde overtuigend te klinken, maar ze wisten allebei dat het gesprek nergens heen ging.
Toen Jörgen vertrok, keek hij als een geslagen hond. Aan de deur draaide hij zich nog even om.
‘Ik breng morgen je reistas mee met alles wat je de komende weken nodig kunt hebben.’
Hij glimlachte flauwtjes.
‘Je wieleroutfit zal daar waarschijnlijk niet bij zitten.’
Het brak de spanning.
Die nacht sliep Hannes nauwelijks. Op zijn rug liggen was de enige mogelijkheid. Elke beweging deed pijn, maar lang stil blijven liggen werd snel ondraaglijk.
Een ziekenhuis heeft zijn eigen ritme.
Om zes uur ’s morgens nam de nachtverpleegkundige bloed af. Routineus verwijderde ze de urinaal die de hele nacht tussen zijn benen had gelegen. Hannes voelde geen schaamte meer, alleen vermoeidheid.
Een uur later verscheen een andere verpleegkundige aan zijn bed.
‘Ik ben Marnix.’
Tot zijn opluchting sprak hij Nederlands. Zijn accent verraadde meteen dat hij uit Nederland kwam.
‘Goed geslapen?’
Hannes keek hem even aan.
‘Ik vermoed van niet,’ zei hij.
Marnix glimlachte.
‘Correct antwoord. De meeste mensen slapen meer dan ze denken, maar ik denk dat deze nacht niet de beste uit je carrière was.’
Hij praatte luchtig, bijna nonchalant. Precies dat werkte geruststellend.
‘Ik ben blij dat je Nederlands spreekt,’ zei Hannes.
‘En ik ben blij dat ik af en toe Nederlands mag praten.’
Sinds gisteren leek Hannes’ leven plots uit werkwoorden in de lijdende vorm te bestaan.
Hij werd gevoed. Hij werd gewassen. Hij werd verplaatst.
Er zouden ongetwijfeld nog activiteiten volgen waar Hannes liever niet te lang bij stilstond.
Marnix legde rustig uit wat hij ging doen. Hij zette een kom water op het bedtafeltje en legde washandjes en handdoeken klaar. Alles gebeurde met een vanzelfsprekende professionaliteit die tegelijk geruststellend en confronterend was.
Na het verwijderen van het operatiehemdje voelde hij zich tentoongesteld.
‘Niet dat je er verwaarloosd uitziet, maar vandaag ga ik je grondig wassen met water en zeep,’ kondigde Marnix aan. ‘Vandaag is het nog in bed, morgen kan je waarschijnlijk aan de lavabo.’
Marnix hanteerde hem voorzichtig.
Hij ging zo grondig te werk dat Hannes vroeg: ‘Moet dat?’
‘Was jij je daar normaal niet?’
‘Toch wel.’
‘Het spijt me. Je zal eraan moeten wennen om geholpen te worden de komende tijd.’
Hij had gelijk, Hannes kon niets meer.
Na de verzorging droeg Marnix een toiletstoel binnen en hielp hij hem uit bed.
Ook voor de grote boodschap had hij hulp nodig.
Dat besef kwam harder aan dan de pijn. Hij kon zelfs zijn eigen achterwerk niet afvegen.
In de late voormiddag kreeg Hannes bezoek van een sociaal medewerkster. Met zijn toestemming nam ze zijn smartphone over om het verzekeringsdossier op te starten.
Kort na het middageten kwam Jörgen terug.
‘Ben je niet gaan fietsen?’
Hij schudde zijn hoofd.
‘Mijn hoofd stond er niet naar.’
Hannes was opgelucht hem te zien. Hij had zijn reistas meegebracht, wat heel belangrijk was nu Jörgen terug naar huis keerde.
Hannes had zijn ouders bewust nog niet verwittigd.
Met Hannes’ tablet zette Jörgen een videogesprek op. Zoals verwacht wilden Hannes’ ouders meteen komen. Hij probeerde hun uit te leggen dat dat weinig zin had. Ze hadden hun winkel, Hannes lag voorlopig toch nog minstens een week in het ziekenhuis en hij zou zich wel redden.
‘Buiten een paar breuken is alles in orde met mij,’ probeerde hij hen te overtuigen.
Zelf geloofde hij dat nauwelijks.
Jörgen regelde intussen ook contact met zijn verzekeringsagent. Hannes’ auto zou Jörgen straks nog bij het ziekenhuis parkeren zodat iemand hem later kon ophalen.
Even later verscheen Marnix opnieuw met koffie of thee. Gul schonk hij ook voor Jörgen een kop in.
Hannes kreeg zijn thee in een plastic beker met een rietje.
Toen die voldoende afgekoeld was, hield Jörgen het rietje voorzichtig tegen zijn lippen.
Die kleine beweging van hem ontroerde Hannes meer dan ze zou mogen.
Jörgen vertelde dat hij de volgende dag met enkele Duitsers zou meerijden tot Keulen en dat hij daar de trein naar huis zou nemen.
Bij het afscheid gaf hij Hannes een voorzichtig klopje op de schouder. Zelfs dat deed pijn.
Toen hij weg was, bleef de kamer plots akelig stil achter.
Hannes voelde zich hulpeloos. Alleen uit bed raken of in de stoel naast het raam gaan zitten, lukte net. Verder ketende het infuus hem letterlijk vast aan zijn bed.

Plaats reactie